Pootje over tijdens de interviewtjes

Vandaag is het honderd jaar geleden dat voor het eerst de Elfstedentocht werd gereden.

Journalisten schaatsten mee, winnaar Minne Hoekstra beschreef zijn tocht.

Bij de finish in 1909. Van links naar rechts: gids Fokke Krooynga, nummer twee Gerlof van der Ley, winnaar Minne Hoekstra en journalist jonkheer Feith (met hand in broekzak). Foto Spaarnestad Toeschouwers van de Elfstedentocht staan op en onder de brug. Plaats onbekend, jaren 30.
Bij de finish in 1909. Van links naar rechts: gids Fokke Krooynga, nummer twee Gerlof van der Ley, winnaar Minne Hoekstra en journalist jonkheer Feith (met hand in broekzak). Foto Spaarnestad Toeschouwers van de Elfstedentocht staan op en onder de brug. Plaats onbekend, jaren 30. Reid, Geleijnse en Van Tol

Jonkheer Jan Feith, journalist voor het Algemeen Handelsblad, is ooggetuige bij de start van de allereerste officiële Elfstedentocht. „Leeuwarden, zaterdag 2 januari 1909 vier uur ’s morgens”, begint hij in de maandagkrant zijn Journaal van den Elf Friesche Steden Tocht. „Halsstarrige portier tikt, bonst, beukt op de slaapkamerdeuren van Hotel Amicitia. Vele slaperige stemmen vragen: ‘Wat voor weer?’ En onveranderlijk de portier: ‘Net om het vriespunt meneer.’ Dus dooit het fiks.”

Na een „ontbijt bij gaslicht” en een toespraak van voorzitter Hylkema van de Friese IJsbond beginnen 22 deelnemers aan een schaatstocht over 193 kilometer. Feith: „Kwart over vijf, buiten op de stadsgracht. Nachtelijk duister. Natte loopplank naar het ijs. Voos licht van een paar lantaarns. De voorzitter: ‘Nu dan heren, een goeie reis!’ Zwak hoeraatje. Meteen het hele kluitje zwarte schimmen de gracht af, naar buiten, de Dokkummer Ee op.”

De tocht van de Friese IJsbond vloeit voort uit een veel oudere traditie. Al in de achttiende eeuw rijden schaatsers op één dag langs alle elf Friese steden. „Maar dan moeten ze nergens lang vertoeven en het ijs moet goed en sterk wezen”, staat in de Historische Beschrijvingen van Friesland uit 1763. Pals Andries en Pals Geerts zijn in 1809 de eerste ‘recordhouders’ in een tijd van 14 uur en 30 minuten. In de extreem strenge winter van 1890 op 1891 rijden de zussen Lysbeth en Akke Swierstra als eerste vrouwen de tocht.

In 1908 schrijft Pim Mulier als secretaris van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding provinciale ijsbonden aan om een afstandstocht op de schaats te organiseren. Op 18 december 1908 besluit de Friese IJsbond op een vergadering waar slechts drie van de zeven bestuursleden aanwezig zijn een Elfstedentocht te organiseren.

Heel Nederland lijkt de ijskoude laatste dagen van dat jaar te schaatsen. „Het geopend zijn der banen zal door vlaggetjes op de trams bekend worden gemaakt”, meldt de IJsclub Kralingen in de Nieuwe Rotterdamse Courant. Een dag later openen ook de banen aan het Bezuidenhout in Den Haag en het Amsterdamse Museumplein. In Friesland zijn volop ‘hardrijderijen’ op de kortebaan, met veel prijzengeld.

De inschrijfdatum voor de eerste Elfstedentocht, op 5 januari, wordt door de vorst vervroegd tot 31 december. Dan wordt de definitieve datum van 2 januari bekend. Kranten berichten over 45 inschrijvers (later komen er nog drie bij) en ‘onthullen’ de namen van de controleposten en hoofdcontroleurs in de elf steden. „Alle controleposten zijn gelegen aan het begin der steden, zodat de schaatsen niet behoeven te worden afgebonden.”

Nieuwjaarsdag begint met een domper: dooi. „Heel Friesland vraagt zich af: hoe zou het morgen wel komen met de Elf Stedentocht”, schrijft de NRC. Een dag later domineert een uitbarsting van de vulkaan de Etna het nieuws. Luchtvaartpionier Wilbur Wright moet na 42 minuten vliegen een recordpoging afbreken in Le Mans, de universiteit van Harvard bevestigt de ontdekking van een nieuwe planeet. En onder het kopje ‘sport’ eindelijk het verlossende nieuws. „Vanmorgen vroeg” zijn de deelnemers van start gegaan voor de eerste Elfstedentocht.

Als de eerste drie schaatsers ’s ochtends tegen achten uit Dokkum terugkeren bij de controlepost in Leeuwarden, sluiten twee man aan. „Ik wacht met één enthousiaste perscollega, de ehrentfesten [zeer achtzame] Fries Foeke Tjalma van de NRC, op het ijs”, schrijft jonkheer Feith. Een jaar eerder heeft de verslaggever van Algemeen Handelsblad – die leefde van 1874 tot 1944 en ook bekend was als schrijver van jongensboeken – op eigen gelegenheid al eens de tocht langs de elf steden van Friesland gereden. Hij is een geoefend schaatser. „Voorop de drie aan de stok met stevig tocht-slagje, daarachter collega en ik.”

Journalisten die meeschaatsen, gedetailleerder is de berichtgeving nooit meer geweest. „Ineens, onhoorbaar zo licht is zijn slag, een kleine gedrongen kerel naast ons”, meldt Feith tussen Leeuwarden en Franeker. „Goeiemorgen, ben jullie de voorsten”, vraagt de man, en hij stelt zichzelf voor. „Hoekstra uit Warga.”

Feith observeert de koplopers nauwkeurig. „Schaap, stevig schipperstype met vervaarlijk schouderzwaaien. Binnema en Van der Ley, twee lange magere jongens, boerenzoons op z’n zondags, lange broek, boordje, manchetten; ze schaatsen met sterke streek. Maar die kleine Hoekstra, een kalm olijk snuit, wipneus omhoog, ruige baard, paar wisselschaatsen onder de arm; heel zijn stevige body, zijn korte, goedgebouwde benen, zijn lenige lenden: zo de man op de schaats.”

Minne Hoekstra, 24 jaar, is de zoon van een beroemde schaatsenmaker uit Warga. Hij studeert theologie in Groningen en wordt later predikant. Behalve schaatsen kan Hoekstra ook schrijven. Met zijn boekje de historische Elfstedentocht van 1909 wint hij achteraf een prijsvraag voor het beste verhaal over de tocht. Hij beschrijft beeldend de problemen met het dooi-ijs, de enthousiaste ontvangst in de stadjes („roemende in stilte dit vrouwtje van Stavoren”), het wedstrijdverloop en de onderlinge gesprekken in de kopgroep. „Welk beroep Hoekstra”, vraagt de heer Feith. „‘Theoloog.’ En jij Van der Ley? ‘Boer.’ Nu is er vrolijkheid in de ogen van de persman; ja, het is een eigenaardige collectie.”

In Sneek, de voorlaatste stad, schrikt Hoekstra van een achtervolger die bij de controlepost plotseling aansluit bij de koplopers. „Roosenboom verschijnt in de deur, hij is het die daar riep. Maar hoe is dat mogelijk? In Stavoren was hij nog 23 minuten ten achter, blijkens een daar op verzoek verzonden telegram!”

Journalist Feith beschrijft hoe de drie overleggen. Hoekstra wil een korte eindsprint, Van der Ley wil loten om de zege. „Maar luitenant Roosenboom en ik protesteren, in het belang van de drie prijswinnaars zelf en ook van de goede sport.”

Dan, een uurtje voor finishplaats Leeuwarden, zet Hoekstra aan. De enige die kan volgen, is nota bene journalist Feith. „Kampioen, je hebt de prijs, er is niets meer achter je te zien”, roept hij. Maar... „Daar tuimelt Hoekstra. Ik pak hem in zijn kraag en dat kwieke kereltje slaat alweer uit.” Eindelijk, na dertien uur en vijftig minuten daagt de finish. „Een massa mensen is het ijs op gekomen, en op de wal staat het zwart, en met een dol gejuich wordt Hoekstra in hun midden genomen, en het houten loopplankje opgeduwd, en de straat overgedragen, en zo ‘Amicitia’ binnengeleid. Het is tien minuten over zeven.”

Kijk voor beelden en radiofragmenten van de afgelopen eeuw op elfstedenwiki.vpro.nl