Ben ik een Alaan in het diepst van mijn genen?

Een Moll die op internet en via boeken op zoek gaat naar zijn voorvaderen, komt niet verder dan de vroege 17de eeuw. Met genenonderzoek kom je verder. Maar is de oer-Moll nu een Alaan, een Turk of gewoon iemand uit Urk?

De Hunnen vechten tegen de Alanen in het jaar 372 Houtsnijwerk naar een tekening van Johann Nepomuk Geiger 1805-80 9AS-372-0-0-A1-B Hunnen gegen Alanen 372 / Geiger Vorstoss der Hunnen in die Steppen noerd- lich des Kaspischen Meers und Sieg ueber die iranischen Alanen, 372 n.Chr. - 'Die Hunnen im Kampfe mit den Ala- nen'. - Holzstich, 1873, nach Zeichn.v.Johann Nepomuk Geiger (1805-80). Aus: W.Zimmer- mann, Geschichte des dt.Volkes, Bd.1, Stuttgart (Gustav Weise) 1873, neukolor. Berlin, Slg.Archiv f.Kunst & Geschichte. E: Huns against Alans 372 / Geiger Advance by the Huns in the veld north of the Caspian Sea and victory over the Iranian Alans, 372 A.D. - 'The Huns in battle with the Alans'. - Wood eng., 1873, after drawing by Johann Nepomuk Geiger (1805-80).From: W.Zimmer- mann, Geschichte des dt.Volkes, Bd.1, Stuttgart (Gustav Weise) 1873, colour. Coll. Archiv f.Kunst & Geschichte. akg-images

Als iemand het Wilhelmus uit volle borst mag meezingen, dan ik wel. Was niet de eerste Moll die in de geschiedenis opduikt, een Saks en wie kan er van Duitser bloede zijn dan een Saks? En bovendien, niet zo maar een gewone Saks, nee, koning Eathelwald Moll.

„Ethelwald, die ook Moll werd genoemd”, schrijft de twaalfde-eeuwse chroniqueur Symeon van Durham, werd in 759 koning van Northumbrië in Engeland. Andere historici brengen fijntjes in herinnering dat over de voorouders van Aethelwald of Ethelwald Moll, bijgenaamd ‘de overweldiger’, niets bekend is, anders dan dat hij hoorde bij het volk van de Saksen.

En overweldigers waren het, de Saksen, zo genoemd naar de saex, het enkelzijdig geslepen kortzwaard dat zij altijd bij zich droegen. Een deel van dit steekgraag en slagvaardige volkje verliet rond de vijfde eeuw na Chr. hun stamstreek in het huidige Duitsland en het oostelijk deel van het huidige Nederland en trok naar Engeland.

Migreerden de Saksen door verslechterende agrarische omstandigheden? Werden zij indirect door de invallen van de Hunnen in het oosten onder druk gezet? Of waren het Britse heersers die hen te hulp riepen tegen plunderende Picten? Het waarom van de Saksische Wanderlust is onbekend. Zeker is dat in Engeland een machtsvacuüm was ontstaan na het vertrek van de Romeinen.

Mochten de Britten hebben gedacht dat zij met de Germaanse nieuwkomers het probleem van de Picten konden oplossen, dan werd hun snel duidelijk dat het middel erger was dan de kwaal. Samen met de Angelen, Friezen en Jutten dreven de Saksen de Keltisch sprekende stammen van koning Arthur verder eilandinwaarts.

De oplettende lezer zal zich afvragen of dat wel kan, iemand met een achternaam in de achtste eeuw. Ja, zeggen genealogen, bij adellijke families kan dat. Maar kan die Eathelwald ook mijn oer-opa zijn?

Sommige Mollen geloven heilig in de Saksische oorsprong van de familie. Op surname.web staat dat de naam Mol of Moll uit het Saksisch komt, en een samentrekking is van muldo (droog, mul zand) en lauha (verhoging). Hiermee zouden natuurlijke havens zijn aangeduid, zoals te vinden in de plaatsnamen IJmuiden, Genemuiden en Muiden. Misschien zijn de oermollen daarvandaan naar Engeland gevaren. Mocht die naamsverklaring juist zijn, dan hebben veel andere op internet aanwezige Mollen het bij het verkeerde eind. Zij hebben hun familiewapen opgesierd met één, twee of drie moldieren.

Waar ook onze familienaam vandaan komt, het verhaal wil dat tijdens het bewind van Karel de Grote (771-814) een deel van de Saksische, nu ‘Engelse’ en gekerstende, Mollen weer terugkeerde naar het continent. Zij vestigden zich op de Veluwe en daar begint ook mijn genealogische geschiedenis met Claas Moll, de vader van de in 1628 geboren Evert Moll.

Hebben alle Mollen, in meerderheid levend in de Verenigde Staten, Duitsland en Nederland, een gemeenschappelijke voorvader? Kan genealogisch onderzoek uitsluitsel geven? Problematisch bij genealogisch onderzoek is het uitgangspunt van ‘de bloedlijn’. Als ik voor de stamboom Moll de gegevens zoek over mijn vader, over diens vader en de andere vaders, zit ik toch met de niet te beantwoorden vraag: zijn de naamgevende vaders ook de biologische vaders of moeten we de melkboer scheef aankijken?

Je moeder is echt je moeder, maar als iets duidelijk wordt uit stamboomonderzoek, is het wel dat moeders niet bestaan, althans genealogisch oninteressant zijn. Zodra iemand van de stamboom dochters heeft, ‘sterft zijn tak af’. Met mijn tak bijvoorbeeld groeit de stamboom Moll niet verder, die tak hangt nog aan twee dochters vast. Het blijkt ook veel makkelijker vadersvaders te vinden dan moedersmoeders. Van moederszijde kan ik maar drie generaties terug, bij mijn vader twaalf.

Maar waar hebben we het over, twaalf generaties? Dan zitten we ergens in de vroege zeventiende eeuw. Met die snelheid van speuren vind ik nooit de link met mijn Saksische voorouders, als die link er is. Gelukkig is er wangslijm.

Wangslijm?

Door een wattenstaafje langs de binnenkant van mijn wang te halen, verkrijg ik DNA-sporen die mij meer kunnen vertellen over mijn verre voorouders. Mede door tv-programma’s van National Geographic is het DNA-onderzoek naar ‘deep ancestry’ populair geworden. Bij het ‘diepe voorouderschap’ wordt niet gezocht naar voorouders van honderden jaren terug, maar naar voorouders van tienduizenden jaren geleden.

Getriggerd door de gelikte site van Genebase, een laboratorium in Canada, vraag ik een ‘kerntest’ aan. Deze combikit is voor mensen die hun voorouderschap van vaders- én van moederszijde willen weten. Het lab is bereid mij twee wattenstaafjes op te sturen. Als ik 250 dollar overmaak, zal het lab vertellen waar mijn oervader en -moeder vandaan komen. Dit aan de hand van respectievelijk mijn Y-DNA en het mt-DNA (mitochondriaal-DNA).

Aan de combikit zijn twee fraaie wereldkaarten toegevoegd. Op die kaarten geven gekleurde lijnen de vermoedelijke migratiestromen aan van de oerouders. Naarmate de weken vorderen stijgt de spanning: waar kom ik vandaan? Op welke stroom ben ik meegedreven? Ben ik een Saks in het diepst van mijn genen? De eerste uitslag die binnenkomt, gaat vergezeld van een certificaat, te downloaden van de website. Het lijkt op een rouwadvertentie, maar onder mijn vetgedrukte naam staat niet een lijst van geliefde nabestaanden, maar een lijst van twintig zogeheten ‘voorouderlijke Y-DNA markers’. Zo heb ik onder meer een waarde van 12 bij DYS388. Onthoud deze waarde, hij komt nog terug. Elders op Genebase staat dat mijn Y-DNA STR test ‘middelmatig sterk’ voorspelt dat ik tot haplogroep G behoor, en waarschijnlijk G2.

Met die gegevens begint een verwarrende zoektocht.

Eerst een haplogroep. Die valt te beschouwen als een tak aan de familiestamboom Homo sapiens. De wortels bevinden zich in Afrika, van waaruit ergens tussen de 100.000 en 60.000 jaar geleden de moderne mens zich over de aarde begon te verspreiden. Tijdens die tocht muteerden om de zoveel tijd kleine stukjes Y-DNA bij mannen, die daarmee stamvaders werden van verschillende haplogroep-takken.

Genebase zegt dat onduidelijk is waar mijn haplogroep is ontstaan. Sommige onderzoekers laten G 30.000 jaar geleden ontstaan aan de oostelijke rand van het Midden-Oosten, of zelfs aan de voet van de Himalaya. Anderen situeren de eerste G 17.000 jaar geleden in het Midden-Oosten. Zeker is dat momenteel de hoogste frequentie van G voorkomt in de Kaukasus en dan met name in Noord-Ossetië-Alanië. Alanië verwijst naar het volk der Alanen.

Hoe kwam G in Noord-Ossetië? Daarover doen ook tegenstrijdige verhalen de ronde, eerst Genebase.

Genebase: omstreeks 12.000 jaar geleden ontdekten G-mensen de landbouw in het gebied dat ‘de vruchtbare halve maan’ wordt genoemd. Van daaruit trokken ze langs de Middellandse Zee, door Turkije en de Balkan naar de Kaukasus. Tot zover klopt het, want daar ligt Ossetië.

Zeker is dat toen mijn voorvaderen na de laatste ijstijd Europa in trokken, zij daar afstammelingen van de Cro Magnon aantroffen, mensen met haplogroep R1b. Die waren door de laatste ijstijd uit Noord-Europa naar Spanje gedreven. Na de grote dooi herbevolkten die R1b’s al jagend en verzamelend langzaam weer Europa. Uit recent onderzoek blijkt dat de oer-Nederlander R1b is en de meeste Nederlanders met hem. Met dat predicaat kan ik me dus niet tooien.

Op de website van Eupedia staat dat G van Centraal-Aziatische afkomst is. „Mogelijkerwijs”, zegt Eupedia, „stammen sommige G-mensen in Duitsland, België en Frankrijk af van de Alanen, die op hun beurt weer afstammen van de Scythen en Sarmaten.” De Alanen, wie kent ze niet?

Al begin vorige eeuw klaagde de Russische historicus Michael Rostovtzeff over de zijns inziens onterecht onderbelichte rol van de Alanen bij de verovering van Europa tijdens de Grote Volksverhuizingen. Bourgondiërs, Goten, Vandalen, Alemanen (Allemagne), Franken, Friezen, Jutten (Jutland) en Saksen, Longobarden (Lombardije) en Angelen (Engeland), hun namen liggen nog op ieders lip, maar Alanen? Toch zijn de Alanen het enige niet-Germaanse volk geweest dat zich in West-Europa vestigt en, samen met de Vandalen, jarenlang de agenda bepaalt van het West-Romeinse Rijk, zo niet daaraan de doodsteek heeft gegeven. De Alanen spreken, net als de Osseten, een Iraanse taal.

Een relatief recente beschrijving van de ‘Alani’ vinden we bij de Romeinse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus die rond 350 na Chr. leefde. Volgens Marcellinus zijn de Alani groot, mooi en blond en kijken ze ‘verschrikkelijk wild uit hun ogen’. De lichtheid van hun kuras maakt dat zij zich snel te paard kunnen voortbewegen en in dit opzicht zouden zij zich kunnen meten met de Hunnen. Zij het, zegt de historicus, dat zij qua manier van leven beschaafder zijn. Marcellinus relativeert die beschaving enigszins door te schrijven dat gevaar en oorlog de Alani het meest plezier bieden. „Hij die sterft op het slagveld heet gelukkig te zijn. Laf is wie oud wordt of sterft door ziekte. En er is niets om trotser op te zijn dan het doden van een tegenstander. Met de scalp die zij van het hoofd scheuren, tooien zij hun strijdros.” Wie wil niet zo’n Alaan als voorvader?

Aanvankelijk hadden de Alanen zich in Zuid- Rusland onderworpen aan de Oost-Goten, maar toen die op hun beurt werden verslagen door de Hunnen, trok een deel van de Alanen rond 400 na Chr. westwaarts. Zij beseften dat hun veiligheid in het nog altijd machtige Romeinse Rijk afhankelijk was van hun aantal en sloten zich aan bij enkele Germaanse stammen, waaronder de Vandalen.

En passant, op doortocht in Gallië en het Iberische schiereiland vestigden zij tijdelijke Alaanse koninkrijkjes. Toen zij uiteindelijk in Catalonië, Spanje, hun tenten opsloegen, waren het de West-Goten die hen weer verder dreven. Samen met de Vandalen veroverden zij medio vijfde eeuw Carthago. Met de val van Carthago werd Rome toegang tot de graanschuur van Noord-Afrika ontzegd en daarmee ook een substantieel deel van de belastinggelden waarmee het Romeinse leger op de been werd gehouden.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ook de naam van Rostovtzeff niet kende voordat ik achter mijn haplogroep kwam. Want zoveel is zeker, een haplo-uitslag dwingt tot studie. Zo komen we er achter dat in de tweede eeuw van onze jaartelling een Alaans of Samartaans legioen door de Romeinen bij de Muur van Hadrianus is gestationeerd om de Picten tegen te houden. Die muur ligt in Northumberland: Alanen, Picten, Northumberland, dan komen we in ieder geval fysiek dicht in de buurt van Saksische krijgers. „Maar betekent haplo G niet per definitie dat ik onmogelijk kan afstammen van een Saks?” Ik leg deze vraag voor aan Leo Barjesteh van Waalwijk van Doorn (haplogroep J) van de Projectgroep Genetische Genealogie, een initiatief van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde. Dat ligt genuanceerd, zegt hij. „Vaak zie je dat de leiders van een volk een andere haplogroep hebben, dus waarom niet haplo G?”

De apotheker en amateurgenealoog Wibo Boswijk wijst er op dat je niet moet denken dat ‘een volk’ één stamvader heeft, of het nu om Saksen, Alanen of Romeinen gaat. Op stamboomforum schrijft hij: „Romeinen kunnen alleen maar één Y-DNA-profiel hebben als je gelooft dat alle Romeinen van de met wolvenmelk gevoede broertjes Romulus en Remus afstammen.” Dat geldt volgens hem ook voor Friezen. „Ook de bewoners van Noord-Nederland van voor het jaar nul stamden niet af van één oer-Fries. Ook in Friesland komen alle West-Europese haplogroepen voor. Vooral na de volksverhuizingen is Europa één smeltkroes.” Zijn schoonvader is ook haplogroep G, vertelt hij aan de telefoon. „En ja, dan is de Alaanse link met koning Arthur ook snel gelegd”.

Maar hoe kunnen we een bevestiging vinden van de Saksische Alaan als oer-Moll? Op internet zijn vele genealogische fora te vinden waarop mensen met hun haplogroep en DNA-markers te koop lopen. Ik stuur mijn markers op naar Ray Banks. Hij schrijft: „De grootste subgroep haplo G in Noordwest-Europa wordt gekenmerkt door een waarde van 13 op DYS388. (..) U heeft 12 op die plek en behoort dus niet tot die groep. Daarnaast heeft u een waarde van 21 op marker DYS390 die hoogst ongewoon is in Noord-Europa. Maar weer heel gewoon in Turkije, waar 10 procent van de bevolking haplo G is.” Daar gaat mijn Alaanse achtergrond. Niets ten nadele van Turken, maar daarvan zijn er al een hoop in Nederland. Zijn er nog meer details uit mijn Y-DNA te halen?

Genebase zegt mij meer zekerheid te kunnen geven over het specifiek onderdeel (subclade) van G2 waartoe ik zou behoren, maar dan moet ik eerst nog twee testen laten doen van 90 dollar elk. De vraag is of ik voor 180 dollar echt veel meer te weten kan komen? Op het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek in Leiden van Peter de Knijff weet men alles van DNA-onderzoek en voorouders. Over de nauwkeurigheid van het voorouderonderzoek heeft een medewerker zo zijn bedenkingen: „Wat die commerciële bedrijven beweren, is voor 90 procent dik speculatief. Je op meer markers laten testen is allemaal nonsens. Op grond van die uitslagen krijg je allerlei verhalen die je met een berg zout moet nemen.”

Dan even niet de diepte van het voorouderschap in, maar de breedte van de levende verwanten. Genebase stelt me in staat mijn markers te matchen met markers van mensen die bij Genebase in het databestand zitten. Genebase: „Matches die een genetische afstand van 1 hebben gebaseerd op 20 of meer overlappende markers geven ‘over het algemeen’ een nauwe verwantschap aan.”

En dan blijk ik 20 markers te delen met Richard Laplante uit Canada. Heb ik toch een familielid gevonden! Richard is ook G2. Maar NFI en PGG waarschuwen dat die verwantschap toeval kan zijn. Richard lijkt ook niet erg onder de indruk van 20 gedeelde markers. Na twee e-mails over zijn Schotse voorouders hoor ik niets meer van hem.

Terug naar de combikit van Genebase. Wat is mijn haplogroep via moederszijde? Deze uitslag valt veel later op de mat en wekt eveneens verbazing. In het voormalige Nederlands-Indië waar ik ben geboren, was sprake van een zekere selectieve rassenvermenging, blanke mannen verwekten kinderen bij inheemse vrouwen. Ik had dan ook verwacht dat ik van Genebase een Oosterse oermoeder zou krijgen. Maar het is H, uitgerekend de Europese oer-Eva.

Dat verbaast Barjesteh van Waalwijk van Doorn allerminst: „In Indië komt H ook voor, zij het minder vaak dan in Europa.” Volgens hem zijn er uit wangslijmsporen ‘geen harde conclusies’ te trekken, daarvoor is de wetenschap te jong en zijn de gegevens te complex. „National Geographic moet die migratieroutes ook continu aanpassen. Je moet het allemaal relativeren”, zegt hij. „Als je maar lang genoeg teruggaat, zijn alle mensen familie van elkaar”. En wat mijn haplogroep betreft, heeft hij nog een verrassing in petto. „Weet je waar G in Nederland opvallend vaak voorkomt? Urk.”

Geen Saks, geen Alaan, misschien een Turk of een voorouder uit Urk. Gelukkig mag ik in dat laatste geval het Wilhelmus gewoon meezingen.

    • Hans Moll