Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Koerdistan nog bezaaid met mijnen

In Irak liggen nog miljoenen landmijnen, restanten van Saddam Husseins oorlogen. Ze veroorzaken grote economische schade, maar ook lopen er nog steeds mensen op mijnen.

Kunstbenen in de kliniek in Diana. Foto Carolien Roelants
Kunstbenen in de kliniek in Diana. Foto Carolien Roelants Roelants, Carolien

Op de kleine begraafplaats bij het plaatsje Rayat in het Iraakse grensgebied met Iran liggen bijna alleen slachtoffers van landmijnen begraven. Saddam Husseins leger legde het gebied vol met mijnen tussen 1975 en 1988, toen de Iraaks-Iraanse oorlog eindigde. Op de vlucht voor Saddams wraak haastten Koerdische families in 1991 zich na de mislukte opstand dwars door de mijnenvelden richting Iran.

Nu nog liggen miljoenen mijnen in Irak – schattingen lopen van 15 tot 25 miljoen –, en het overwegend Koerdische noorden is er verreweg het dichtst mee bezaaid. Saddam gebruikte ze daar immers niet alleen om het Iraanse leger buiten de deur te houden maar ook als onderdeel van zijn genocidale oorlog tegen zijn eigen Koerdische bevolking. Na 1991, toen het Westen de Koerden in bescherming nam na hun mislukte opstand, legde hij nieuwe mijnenvelden aan langs de ‘groene lijn’ die de rest van Irak scheidde van het de facto autonome Koerdistan. De laatste mijnen dateren van 2003, als verdediging tegen de ophanden zijnde Amerikaans-Britse invasie.

Oorlog is nooit ver weg in Irak: in het ruige grensgebied met Iran bij Rayat komen Iraanse gevechtsvliegtuigen van tijd tot tijd Iraans-Koerdische rebellen bombarderen die zich in het gebied verborgen houden. „Best dichtbij”, vertelt Vafat Bubaker, leider van de mijnenruimers die er bezig zijn. Midden tussen de bordjes ‘doodsgevaar mijnen’ halen die hun schouders erover op.

Een paar honderd meter verderop laten ze een paar gevonden mijnen ontploffen. Volgens het internationale verdrag tegen landmijnen dat de Iraakse regering in 2007 heeft geratificeerd moeten alle mijnenvelden voor 2017 geruimd zijn, maar er zijn maar weinig experts en betrokkenen die geloven dat die tijdslimiet zal worden gehaald. „Technisch zijn er niet zoveel problemen”, zegt Kent Paulusson, die namens het Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties (UNDP) de autoriteiten adviseert. „Het probleem is meer politiek van aard. Er is geen gestructureerde aanpak.” Noch het ministerie van Milieu in Bagdad, de centrale instantie waaronder de mijnen vallen, noch de Koerdische autonome autoriteiten zijn er volgens betrokkenen aan toe gekomen een strategie te bepalen.

Niet alleen veroorzaken de mijnen grote economische schade, doordat olievelden ontoegankelijk zijn en vruchtbare landbouwgrond niet kan worden gebruikt, ook vallen er nog steeds slachtoffers: met name boeren, herders en smokkelaars die tussen Iran en Irak pendelen met benzine en andere waar. In de jaren negentig vielen er maandelijks zo’n honderd doden en gewonden door mijnen, later is dat aantal verminderd tot 10 tot 15 per maand. Maar dit jaar is het aantal slachtoffers weer toegenomen, door de droogte: herders moeten graasweiden hoger op de hellingen opzoeken met hun kuddes koeien, schapen en geiten.

Irak is hoe dan ook extra kwetsbaar. Door de stagnatie als gevolg van Saddams oorlogen, twaalf jaar internationale handelssancties en het geweld na de invasie van 2003 is de trek van platteland naar stad beperkter gebleven dan in andere landen en zijn er nog veel kleine boeren actief. In totaal leefden er volgens het Landmine Impact Survey van de Verenigde Naties eind 2006 meer dan 2,7 miljoen Irakezen (ongeveer 10 procent van de bevolking) in gebieden die met landmijnen of – in mindere mate – met andere explosieve oorlogsresten zijn besmet.

De wachtruimte van de orthopedische kliniek in het stadje Diana, een kilometer of dertig van de grens landinwaarts, is een uitstalkast van de verschillende categorieën mijnenslachtoffers. Ze komen voor controle of een nieuwe, door overheid en VN betaalde prothese. Veel types mijnen zijn niet bedoeld om te doden, maar om te verminken – om de tegenpartij te demoraliseren – en alle wachtenden missen een onderbeen.

Mustafa Khaled, 22 jaar, liep op een mijn toen hij door de bergen smokkelwaar uit Iran naar Irak bracht. Een vriend van hem was op dezelfde manier een onderbeen kwijtgeraakt, vertelt hij. Kon hij dan niet weten dat er mijnen lagen? „Mijn baas had me verteld dat de mijnen waren weggehaald”, zegt hij gelaten. „Maar dat was niet waar.”

Kamal Abdullah (27) was herder. Hij wist ongeveer waar mijnen lagen, maar niet precies. „Het verschil is dat ik nu geen been meer heb.”

Veehouder Farhan Ali (44), zit er voor zijn eerste bezoek. „Ik was hout aan het hakken toen de mijn ontplofte”, zegt hij. „Ik ken het gevaar van de mijnen heel goed, maar het gebied stond niet bekend als mijnenveld. De mijn had zich daarheen verplaatst vanuit zijn oorspronkelijke plek.” Het is het probleem van de zogeheten ‘migrerende’ mijnen, die bijvoorbeeld door beken worden meegevoerd en zich niets van afbakeningen aantrekken.

Farhan Ali heeft twee vrouwen, die hoe dan ook veel van het werk op het land doen, dus de economische gevolgen van zijn ongeluk vallen nog mee. Voor wie niet meer kan werken, zijn er speciale beroepsopleidingen. Masumeh Abdulla Said, die in 1988 op de vlucht voor Saddams bombardementen een been kwijtraakte, heeft leren naaien en verdient met haar trapnaaimachine bij vanuit huis.

Van de 51.000 vierkante meter die het mijnenveld Garway Zangan bij Rayat beslaat is nu 41.000 vierkante meter schoongemaakt. Er zijn 204 mijnen onschadelijk gemaakt. Het werk begon in maart 2007 en de acht mijnenruimers hopen volgende maand klaar te zijn. Met de gepantserde shovel die het land tot 20 centimeter diep afgraaft, schieten ze snel op, maar moeilijk terrein moet met de hand worden ontmijnd, en dat kost tijd. Als ze klaar zijn kan het land worden gebruikt als weidegrond of voor de landbouw. Of, in dit prachtige berggebied, voor een vakantiedorp.

Zo bijvoorbeeld: vlakbij Rayat rijst in de schrale winterzon naast een verlaten reuzenrad een gloednieuw toeristendorp op. VIP-dorp, wijst een bordje, en drie helikopterpads maken ten overvloede duidelijk voor wie de woningen zijn gebouwd. De weg door het dorp leidt naar een panoramisch uitzicht op de waterval beneden. Op de tussenliggende helling getuigen de driehoekige bordjes met doodskop van een mijnenveld.