In 19de eeuw bracht liberalisme ook buiten het Westen vrijheden

De drie liberale revoluties rond 1800 hebben niet alleen het Westen, maar ook Azië en Zuid-Amerika blijvend veranderd. Burgerrechten werden soms met hulp van inheemse tradities verbreid in de wereld.

In 19de eeuw bracht liberalisme ook buiten het Westen vrijheden. Illustraties Frank Dam
In 19de eeuw bracht liberalisme ook buiten het Westen vrijheden. Illustraties Frank Dam Dam, Frank

Christopher Bayly is hoogleraar Imperial and Naval History aan de Cambridge universiteit. In 2004 verscheen The Birth of the Modern World (1780-1914) over de oorsprong van de globalisering.

Johan Huizinga – ik las zijn Herfsttij der Middeleeuwen toen ik middeleeuwse geschiedenis studeerde in Oxford. Hoewel hij bekendstaat als een Europees historicus maakt Huizinga in zijn essay Mijn weg naar de geschiedenis duidelijk dat hij een veelomvattend beeld had van Europa en ver af stond van het ‘Eurocentrisme’ van sommige van mijn collega’s die zich met de Middeleeuwen bezighouden. Hij besefte dat de overzeese handel en het uitwisselen van ideeën, vooral met het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië, van groot belang waren bij het ontstaan van de Nederlanden.

Deze Huizingalezing wil ik aangrijpen om stil te staan bij de revolutionaire en napoleontische oorlogen en de nasleep daarvan als een reeks gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis, in plaats van alleen in de Europese geschiedenis.

Ruwweg waren er na 1776 drie revolutionaire ‘golven’: de Amerikaanse Revolutie met de kettingreacties in Groot-Brittannië, Ierland en Frankrijk; de Franse Revolutie, die een directe invloed had in Europa en in de Franse kolonies in Afrika en het Caribische gebied en tot slot de minst bekende revolutionaire golf, die volgde op de Franse invasie van Spanje en Portugal in 1806-7, het bijeenroepen van de liberale Cortes ofwel nationale vergadering in Cádiz in 1810 en de daarop volgende revoluties en contrarevoluties in Spanje, Portugal, Latijns-Amerika en in Azië.

In de Aziatische wereld werd de revolutionaire schok bijna een eeuw geregistreerd nadat Azië’s eigen vroegmoderne Rijken – de Ottomanen, Mogoels, Safaviden en Qing – al uiteen begonnen te vallen, of op z’n minst worstelden onder de druk van overmatige belastingheffing in het Rijk. Deze inheemse politieke crisis werd onderstreept door de opkomst van nieuwe, op universalisme gerichte ideologieën die deze oudere rijkssuprematie uitdaagden: boeddhistisch chiliasme in China, islamitisch purisme, de beweging van de sikhs en christelijk evangelisme in de gebieden van de Mogoels en de Ottomanen. Intussen hadden agressieve Europese mercantilistische organisaties de vroegere Euraziatische patronen van vrijhandel en interactie ondermijnd. Daar kwam bij dat toen de Europese revoluties uiteindelijk invloed kregen op de kolonies die Europa na 1789, in Azië deze enclaves al te maken hadden gehad met een langdurige escalatie van de spanningen rondom vragen van raciale uitsluiting en conflicten tussen onafhankelijke handelaren en commerciële monopolies. Het ‘revolutionaire tijdperk’ in Azië, het Midden-Oosten en Afrika had zich al ruimschoots voor de Amerikaanse of Europese parallellen ervan aangekondigd.

Zie Portugees India, de Estado da India, waar een aantal generaties voor de Franse Revolutie Goa al getuige was geweest van de opkomst van een traditie van priesterlijk protest tegen het gezag van de Portugese Kroon; Frans-Azië met zijn spanningen over slavernij, ras, handelsvoorrechten en internationale oorlogen; Haïti waar de slavenrevolutie, gevolgd door de opkomst van de eerste zwarte republiek en de vele repercussies daarvan op het Amerikaanse continent en in het Caribische gebied, bezien moet worden als een ware sociale, politieke en ideologische revolutie.

Kwam uit deze Aziatische opstanden op de middellange termijn enige radicale ideologische verandering voort? Het is inmiddels een gemeenplaats voor historici om te beweren dat het exporteren van het idee van natuurlijke rechten naar de wereld buiten Europa, zowel in hun revolutionaire vorm als in de constitutioneel-liberale vorm, in het algemeen leidde tot het uitsluiten van grote delen van de slavengemeenschap en de inheemse bevolking. Aan de ene kant hield men vol dat slaven geen rechten konden hebben en aan de andere kant dat Afrikaanse, Indiase of Chinese bevolkingsgroepen kinderlijk waren, verloederd door tirannie of geestelijk onbekwaam om mee te kunnen doen aan op rechten gebaseerde vormen van vertegenwoordiging. In feite werd ras een middel om de te snelle verbreiding van vrijheid tegen te houden, een standpunt dat op verschillende manieren werd overgenomen door latere 19de eeuwse liberalen zoals Alexis de Tocqueville, James en J. S. Mill, en Fitzjames Stephen. Hierdoor kreeg ‘ras’ zelf op zijn beurt een nieuwe, veralgemeende betekenis als een metacommentaar op vooruitgang. Een concreet voorbeeld: op Mauritius gaf de gouverneur in 1791 onmiddellijk toe aan de eis een Koloniale Raad op te richten. Even snel gingen leden van de blanke bevolking ertoe over kleurlingen uit te sluiten, en verdenkingen dat mensen métis waren of creolen werden zeer algemeen.

Toch kon dit ideologische blokkadesysteem nooit volledig slagen. Je had het geval van de bevrijde zwarten, de creolen van gemengd ras en ondergeschikte bevolkingsgroepen als de Kanarezen en de Maleiers op Mauritius, die in de ogen van de Franse kolonisten al lang kenmerken van ‘beschaving’ hadden getoond. Hun kon je eigenlijk geen rechten ontzeggen, het recht op vertegenwoordiging inbegrepen, zonder de ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap zelf in opspraak te brengen. Nu ‘vooruitgang’ een ideologisch drijfwiel werd, drong de gedachte van vrijheid als een positieve kracht overal door. Als de ‘inheemse geest’ in het geval van, zeg, Indiërs en Chinezen eenmaal levendige culturen tot stand had gebracht en tot een sterke godsvrucht in staat was, zoals de missionarissen moesten erkennen, dan konden deze rassen op z’n allerminst ‘op de langere termijn’ vrijheid nastreven.

Op een breder niveau werd de gedachte aan individuele emancipatie uitgebreid tot de gedachte aan algemene bevrijding. Noirs libres, vrijgelaten zwarten, werden gens de couleur, gekleurde burgers. Als de revolutionaire autoriteiten slaven en Afrikanen vrij konden verklaren als onderdeel van de mensheid zonder te verwijzen naar enige lokale gezagsstructuur, bestonden universele mensenrechten blijkbaar al. De ondergeschikte bevolkingsgroepen beseften dit terdege. Het bewijsmateriaal van de ballades en liedjes die in de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw werden verzameld, maken duidelijk dat het voorbeeld van de Haïtiaanse ‘zwarte republiek’ voor een wijdverbreide opwinding onder slaven zorgde, zelfs in Azië. Want hier had je niet slechts een voorbeeld van bevrijding van bovenaf, maar van zelfbevrijding.

Naast het effect van de revoluties en de Europese evangelische bewegingen op slaven én hun meesters moedigde ook het wereldwijde tumult nieuwe vormen van patriottisme verder aan onder formeel vrije koloniale onderdanen. De revoluties genoten ook veel steun in India en Nederlands Oost-Indië onder vrije handelaren, die verontwaardigd waren over de monopolies van de Compagnieën, en onder Euraziaten in de havensteden die in hun beroepsleven onder discriminatie leden. Het waren vermoedelijk dit soort mensen die de meer dan duizend exemplaren kochten van Tom Paines Rights of Man, dat voor 1795 in Calcutta was gedrukt, het lazen en er onder elkaar over spraken.

De revolutionaire golf was geen Europees, niet eens een Atlantisch verschijnsel; het ging werkelijk om iets wat zich wereldwijd voordeed. Deze Aziatische oproeren waren ook niet zomaar een kwestie van verspreiding of navolging van ideeën. De revolutionaire taal schoot wortel omdat die hout sneed bij diepe conflicten die ontstonden door de expansie van het Europese wereldsysteem én door de pogingen van inheemse instituties en ideologieën op deze enorme veranderingen te reageren.

Maar er bestond in het tijdperk van revoluties her en der in de Aziatische wereld een andere groep ideologische en politieke twisten waarop de invloed van de Europese revoluties en de expansie van het Europese wereldsysteem minder direct was. Een opmerkelijk voorbeeld, bijna dertig jaar geleden geanalyseerd door Peter Carey, was de opstand van prins Diponegoro op het door de Nederlanders geregeerde eiland Java. Pogingen van de gouverneur-generaal maarschalk Daendels om het eiland meer te laten produceren voor de oorlog tegen de Britten werden gevolgd door vijf jaar Brits bewind (1810-15). Oorlog en belastingheffing zorgden voor grote maatschappelijke onvrede. Maar om zijn verzet te legitimeren beriep prins Diponegoro zich op de ideologie van ‘rechtvaardig regeren’ in Javaanse stijl, in plaats van op de ideologieën van de Europese revoluties. .

En er waren gevallen waarbij de invloed van Europees bewind en het Europese wereldsysteem nog minder zichtbaar was, bijvoorbeeld bij het verzet van de wahabieten, moslimpuristen in Saoedi-Arabië. Het lijkt mij dat de revolte van de wahabieten, gericht tegen het zich opdringende Ottomaanse bewind en het morele verval in de steden in Saoedi-Arabië, gezien moet worden als een vorm van wereldrevolutie. Ibn Sauds revolte begon in de jaren veertig van de achttiende eeuw, vóór de Amerikaanse en Europese revoluties, maar was een overeenkomstige reactie op de druk door belastingheffing en staatsinmenging in voorheen onafhankelijke gemeenschappen. De opstand verdiepte zich door de pressie op het Ottomaanse Rijk wegens de revolutionaire en napoleontische oorlogen. De aanvankelijke revolte werd voor de middellange termijn beëindigd toen een typische militaire restauratiemonarch, de Albanees Mohammed Ali, onderkoning van Egypte, in 1815 de Hejaz binnenviel. Maar het wahabitisme welde gedurende de late negentiende eeuw op, tot de dag van vandaag. Het heeft zich nu getransformeerd tot de toonaangevende vorm van wereldwijd islamitisch verzet, het heeft de ideologie van de conservatieve Saoedische koninklijke familie én de ideologie van Osama bin Laden beïnvloed.

Hier dient zich een fundamenteler vraag aan. In hoeverre mogen revoltes met een niet-westerse ideologische achtergrond zoals het wahabitisme (of de sikh-beweging in het late prekoloniale India, of de boeddhistische chiliastische opstanden tegen de Qing-dynastie in China) als revoluties in de enge zin van het woord worden beschouwd? Met andere woorden: hoe ver mogen we de lens verbreden waardoor we naar de zogenaamd Euro-Amerikaanse revoluties na 1776 kijken?

Misschien alleen in de meest abstracte gebieden van de politieke theorie komt de vergelijking tussen de met elkaar vervlochten Euro-Amerikaanse en de islamitische of Aziatische revoluties minder overtuigend over, maar dit is zeker van betekenis. Hierbij heeft de recente uiteenzetting van de Britse filosoof Alan Ryan: ‘[Bestond] er liberalisme in de Oudheid?’ mijn vraag opgeroepen: ‘Kunnen er revoluties zijn binnen een islamitische traditie, of eventueel binnen de traditie van sikhs of van Chinese boeddhisten?’ Uiteindelijk beantwoordt Ryan de vraag negatief. Liberale tolerantie houdt bijvoorbeeld in: ‘Jullie manier van religie bedrijven bevalt ons niet echt, maar in het belang van de sociale vrede geven we jullie als individuen het recht die te praktiseren.’

Voor veel betrokkenen waren deze niet-Europese ‘revoluties’ iets voor de toekomst: ze maakten het individu mondiger tegen corruptie en machtswillekeur. Hoe wij nu denken of hoe in de negentiende eeuw het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken dacht over Ibn Saud of de Mahdi, hoe wij of het tegenwoordige Witte Huis ook denken over Khomeini of Osama Bin Laden – aan miljoenen boden en bieden ze nog steeds hoop op bevrijding. Dit was precies de verminkte en verwrongen boodschap van revolutionairen en radicale liberalen van tweehonderd jaar geleden.

Mijn standpunt is dat het revolutionaire tijdperk het begin aangeeft van echte wereldwijde moderniteit. Tot de categorie van revoluties reken ik niet alleen de revoluties die geïnspireerd waren op of waartoe werd aangezet door de Amerikaanse en Europese revoluties, maar ook de ideologische bewegingen tegen imperiale staten in Azië, het Midden-Oosten en Afrika die er een wisselwerking mee hadden, opstanden die met het wahabitisme zijn te vergelijken. Met ‘moderniteit’ bedoel ik een samenloop van verschillende veranderingen in ideologie, economie en samenleving die het tempo van historische verandering enorm versnelde en die een wereldwijd perspectief had. Ik ontken niet dat veel aspecten van de staat, de economie en de samenleving die wij nu als modern beschouwen op bepaalde plaatsen op aarde vroeger ontstonden. Maar wat zo sterk opvalt na 1776 en nog meer na 1793 is de wereldwijde verspreiding en wisselwerking van deze facetten van moderniteit.

Een kant hiervan was de enorme uitbreiding van een transnationale burgerlijke maatschappij waarin over de hele wereld het politieke debat gewoon begon te worden. De pers en de gedrukte media bloeiden snel op, met kranten in niet-Europese talen die plotseling opkwamen in de belangrijkste handelscentra, van Istanbul tot Batavia. We zien een algemene politieke taal ontstaan die aangepast is aan lokale omstandigheden. Over de hele wereld twistten liberalen van divers slag met conservatieven.

.

Wat waren nu de ideologische resultaten die zich, samen met deze politieke veranderingen, wereldwijd voordeden en die tijdelijk de oorlogen van het revolutionaire tijdperk afremden? Op het meest fundamentele niveau werden door de onafhankelijkheidsverklaringen en het bevestigen van mensenrechten intellectuelen en radicale revolutionairen over de hele wereld geraakt. De ‘discussie over rechten’ werd transnationaal, tegelijk met wat David Armitage ‘de besmettelijkheid van soevereiniteit’ noemde. Al heel vroeg, in de jaren twintig van de negentiende eeuw, hebben we niet alleen in Ierland en Canada, maar ook in Zuid-Azië mensen die spreken over de ‘onafhankelijkheid’ of ‘afscheiding’ van hun gebied van Groot-Brittannië of bijvoorbeeld een bewind van Filippino’s. Wat de regeringsvorm betrof, was de ‘gemengde constitutie’, die door Franse en Schotse theoretici uit het eind van de achttiende eeuw werd bepleit, het ideologische instrument om een mate van stabiliteit te herstellen en een compromis te smeden tussen de staatsmacht en de rechten van de aandeelhouders, tussen monarchie en verkozen oligarchie. Dit ideologische compromis kreeg in de Iberische wereld na 1812 en in Frankrijk na 1830 de vorm van constitutionele monarchieën.

Maar over de hele wereld werden de concepten van de regionaal gewortelde staat en de ‘gemengde constitutie’ op grond van allerlei inheemse, en ook Europese, politieke en sociale theorieën geïnterpreteerd. Hierdoor konden uiteindelijk allerlei verschillende regionale liberale tradities opkomen.

In het geval van India bijvoorbeeld zochten vroege liberalen een balans tussen gewoonten en rechten; regering en vertegenwoordiging van de inheemse bevolking; een sterk centrum en provinciale autonomie. Britse en Indiase liberalen slaagden erin de dominantie van het monopolie van de Company te beperken. Ze kregen een mate van persvrijheid, zorgden ervoor dat méér Euraziaten en Indiërs in regeringsdienst konden werken, en bereikten, in elk geval in beginsel, dat in rechtbankjury’s Indiërs waren vertegenwoordigd. Er werd een evenwicht bereikt tussen het Britse parlement, de leiding van de East India Company en de macht van respectabele leden van de lokale bevolking.

Het liberalisme heeft het er niet goed afgebracht in recente interpretaties van de negentiende- of twintigste-eeuwse geschiedenis. De Europese liberale ideologie is medeplichtigheid toegedicht aan agressief imperialisme, terwijl Aziatische liberalen werden gezien als opportunisten die op baantjes uit waren of als mensen die zich van de inheemse tradities hadden vervreemd. Maar zoals Colin Bird heeft beweerd, berust de hele zaak tegen het historische liberalisme „op zeer speculatieve ideeën over de aangetaste oorsprong en beschermende functie van conventionele ethische overtuigingen”. Hoe je ook mag denken over hun vooroordelen omtrent ras en geslacht, hun falen om naar hun eigen maatstaven te leven en hun neiging het algemeen belang met hun eigen voordeel te verwarren, negentiende-eeuwse liberalen hielpen wel degelijk bij het tot stand brengen van enkele veranderingen die vermoedelijk de instemming hebben van de meeste commentatoren van vandaag, zoals het afschaffen van de slavernij en van martelen, het uitbreiden van burgerrechten, stedelijke verbeteringen en, in het geval van Zuid- en Zuidoost-Azië, het opwerpen van een paar belemmeringen tegen machtsmisbruik door de koloniale regering. In de twintigste eeuw hebben liberale principes vaak een defensieve functie gehad, vooral tegen revolutionair of reactionair geweld. Maar zelfs in de armste en meest verdeelde landen zijn er altijd individuen en groepen bereid geweest het op te nemen voor een vrije pers en rechtspraak, vrije verkiezingen en vrijheid van meningsuiting.

Dit is een bekorte versie van de Huizingalezing die Bayly gisteravond in de Pieterskerk in Leiden uitsprak. De Huizingalezing wordt jaarlijks georganiseerd door de Faculteit der Letteren van de Universiteit Leiden, NRC Handelsblad en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De naam van de lezing is een eerbetoon aan de historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945).