Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

DE GROTE BOODSCHAP

Vier van de tien mensen op aarde moeten hun behoefte buiten doen. Ze hebben geen wc, geen putje, zelfs niet twee bakstenen om op te hurken. De meeste ziektes waaraan mensen lijden, zijn feces-gerelateerd. Daarom moet de wereld openlijk leren spreken over poep en het opruimen daarvan, vindt journalist Rose George, die er een boek over schreef.

De grote boodschap. Beeld Joost Alferink
De grote boodschap. Beeld Joost Alferink Alferink, Joost

Het is zelden of nooit het onderwerp van toekomstdromen: poep en pies. En hoe we daar mee om gaan. Of deftiger gezegd: defecatie en sanitaire oplossingen op mondiale schaal.

Het traditionele beeld van de toekomst in sciencefictionboeken en -films is schoon, glimmend, om niet te zeggen steriel. Soms zijn er slijmerige vieze monsters, maar die vertegenwoordigen meestal het te bestrijden kwaad: buitenaardse viezigheid.

Ook serieuze wetenschappers gericht op de toekomst zien ontlasting wel eens over het hoofd. Bijvoorbeeld tijdens de eerste bemande ruimtevlucht van de Amerikanen in 1961.

Toen Alan Shepard als eerste VS-astronaut op 5 mei in zijn Mercuryraket de ruimte in schoot, was geen rekening gehouden met het feit dat hij weleens nodig zou moeten.

Toegegeven, hij zou maar 15 minuten echt in de ruimte zijn, maar er was allerlei vertraging voor hij de lucht in kon – en hij moest plassen, terwijl hij in ruimtepak in zijn raket zat. Pas nadat men uitgezocht had of dat niets vitaals zou kunnen beschadigen, kreeg Shepard van het vluchtleidingcentrum toestemming om het maar in zijn pak te laten lopen,

Inmiddels is de techniek verder ontwikkeld. Men gaat er nu bij de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA vanuit, dat als mensen naar planeten als Mars gaan reizen, ze hun eigen pies zullen gaan drinken. Want grote ladingen schoon water meenemen of onderweg inslaan, kan niet bij zulke lange ruimtevluchten. Je moet het doen met wat er aan vocht is en dat recyclen, goed gereinigd en gefilterd uiteraard. Voor poep hebben ze andere oplossingen.

Wie dat van dat ruimtewater drinken een vies idee vindt, moet eigenlijk geen water uit de kraan drinken. En evenmin water uit flessen, want daar kan ook kraanwater in zitten. In veel gevallen bevat kraanwater namelijk gereinigd en gefilterd rioolwater, waar ooit menselijke uitwerpselen in zaten.

Ruimteschip aarde

Ook de watervoorraad op het ‘ruimteschip’ aarde is beperkt. Er komt niet meer water bij. Vervuiling van water door menselijk uitwerpselen levert grote problemen op. Nu al. En dat kan in de toekomst nog een groter probleem veroorzaken. Vandaar dat het niet gek is even een sanitaire stop op weg naar die toekomst te maken.

Dat doen we aan de hand van een pas verschenen boek The Big Necessity, The Unmentionable World of Human Waste and Why It Matters. De Nederlandse vertaling, De Grote Boodschap, Gezondheid en hygiëne en waarom de nood zo hoog is, verscheen vorige maand. De meeste feiten in dit stuk zijn aan dit boek ontleend, en aan een gesprek met de auteur, de Britse journaliste Rose George in Londen.

Rose George houdt niet van poep- en piesgrappen, of toilethumor, zegt ze. Maar we hebben afgesproken in een lunchrestaurant dat Browns heet, in de chique Londense wijk Islington. En we eten onder meer een grote smeuïge bruine chocoladecake overgoten met een gelige vla – een Brits traditioneel toetje, zegt ze –, dus een beetje in stijl blijven we wel.

Ze wil weten of de Nederlandse vertaalster wel taboewoorden als ‘poepen’ en ‘schijten’ durfde te gebruiken. Haar boek zit vol elegante synoniemen voor de menselijke uitwerpselen, maar soms is ze die eufemismen moe en vindt ze dat gewoon het woord ‘schijten’ gebruikt moet worden.

In haar inleiding gaat George ook in op het taboe op uitwerpselen in taal. Ze zou willen dat er neutrale woorden voor ‘poepen’ en ‘piesen’ bestonden, zoals dat er voor seks in het Engels (en Nederlands) wel is. Ze haalt een Nepalese sanitatieactivist aan, Umesh Panday, die zegt: ‘Net zoals hiv/aids niet besproken kan worden zonder het openlijk over seks te hebben, kan het probleem van de sanitatie niet besproken worden zonder openlijk over schijten te praten’.

‘Sanitatie’ is de vernederlandsing van het Engelse woord sanitation, het hygiënisch verwerken van menselijke uitwerpselen. Sanitatie staat nog niet in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, maar in kringen van Nederlandse ontwikkelingswerkers en sanitatieactivisten – zoals kroonprins Willem-Alexander – wordt het al veel gebruikt.

Rose George komt net terug uit het gokparadijsje Macau, nu onderdeel van China, waar een conferentie werd belegd door de World Toilet Organisation (inmiddels erkend door de Verenigde Naties), waar ook prins Willem-Alexander sprak. ‘Dat jullie een prins hebben die het over sanitatie en de gevolgen van poep durft te hebben, is heel goed’, zegt ze. George heeft Willem-Alexander haar boek gegeven en gevraagd of de Nederlandse titel wel correct was. Want een kennis in Londen van Nederlandse komaf, had gezegd dat ‘boodschap’ iets met winkelen te maken had. De prins kon haar geruststellen.

Cacas

Waarom schrijft iemand een boek van meer dan 350 pagina’s over poep en pies en de problemen daarmee?

Rose George vertelt dat haar fascinatie voor dat onderwerp jaren geleden ontstond, toen ze als beginnend journaliste nog werkte voor het blad van het hippe Italiaanse kledingmerk Benetton. Dat gaf een toentertijd zeer eigenzinnig tijdschrift Colors uit, opgezet door fotograaf Oliviero Toscani. Een van de themanummers was gewijd aan openbare toiletten en uitwerpselen en mondde later uit in het fotoboek Caca, The Encyclopedia of Poo.

Daarvoor ging ze op reportage in India, en kwam terecht bij de socioloog dr. Bindeswashwar Pathak, inmiddels 64. Hij is van goede komaf, en verdiepte zich tijdens zijn studie in de vraag waarom de kaste van onaanraakbaren in India ‘onaanraakbaar’ is. Leden van die laagste sociale klasse zijn traditioneel de reinigers van toiletten en latrines – de poep- of beerruimers, zoals ze in de Nederlandse vertaling genoemd worden. Omdat die mensen onrein werk deden en doen – ze ruimen de poep met de hand –, werden ze zelf als onrein beschouwd.

Pathak verzette zich daartegen, in de geest van Gandhi. Gandhi, de geestelijke vader van de onafhankelijke staat India, vond dat mensen hun eigen uitwerpselen op moesten ruimen. Maar van dat deel van zijn droom is niet veel verwezenlijkt. Per dag, noteert George, wordt in India 200.000 ton menselijke feces geproduceerd. Daarmee bedoelt ze: die mensen poepen buiten, op straat, in de bosjes, langs de rails, in de stad. Hele straten zijn open riolen.

Natuurlijk zijn er toiletten, latrines (putten om je behoefte in te doen) of twee bakstenen om op te hurken. Maar een groot deel van de inwoners van India, en ook in andere landen, poept buiten zonder een wc. Wereldwijd hebben vier van de tien mensen, zo’n 2,6 miljard in totaal, geen toegang tot enige vorm van sanitaire voorziening. Soms poepen ze ook niet in openbare toiletten, zoals in India, omdat die te vies zijn. Dan maar liever ergens langs de weg.

Om daar wat aan te doen in zijn eigen land, richtte Pathak een organisatie op die verbeterde latrines en openbare toiletten in India neerzet: Sulabh International.

George: ‘Eerst vond ik het een vreemd, gek onderwerp. Maar toen ik met Pathak praatte en ook zijn toiletmuseum zag, werd ik door het onderwerp gegrepen. Pathak wil het naar de wc gaan en sanitatie bespreekbaar maken en oplossingen bieden.’

De socioloog is daar nog steeds mee bezig. Tegenwoordig zijn Pathaks openbare toiletblokken, waarvan de eerste in 1973 in Patna, hoofdstad van de deelstad Bihar, geopend werd, zo bekend, schrijft George in haar boek, dat Indiërs zeggen: ‘Ik ga naar de Sulabh’ in plaats van naar het ‘toilet’.

Bij sommige van die openbare toiletten van Sulabh zijn ook schooltjes ingericht, waar kinderen van de onaanraakbaren onderwijs krijgen. Dat was vroeger ondenkbaar. En een nog groter taboe is doorbroken door Pathaks aanpak, schrijft George: sommigen van de onaanraakbaren verkopen snacks. Dat betekent dat Indiërs nu voedsel kopen van mensen die tot voor kort als te vies werden beschouwd om aan te pakken.

Robo-toilet

Rose George heeft echt de hele wereld rondgereisd om de poepkwestie van alle kanten te belichten. Ze loopt in riolen in New York en Londen, behandelt de geschiedenis van het spoeltoilet, dat in een antieke vorm al op Knossos te vinden was, en staat stil bij het moderne spoeltoilet.

Dat is een merkwaardige zaak, zegt ze. Want het spoeltoilet zoals wij dat kennen, en dat vrijwel de gehele geciviliseerde Westerse wereld gebruikt wordt, is in essentie niet veranderd sinds het eind achttiende eeuw, begin negentiende eeuw werd uitgevonden en in de Victoriaanse tijd werd geperfectioneerd. De bedenkers van het apparaat toen, zouden het nog steeds herkennen en kunnen bedienen. Vergelijk dat eens met de ontwikkeling van de telefoon. ‘Je kunt je lastig voorstellen dat Alexander Graham Bell raad zou weten met een iPhone’, schrijft George.

Voor echte toiletinnovatie, de ontwikkeling van het zogenoemde robo-toilet moet je in Japan zijn. Daar zijn de afgelopen decennia revolutionaire ontdekkingen op toiletgebied gedaan. Er zijn hightech wc’s ontwikkeld die niet alleen brilverwarming hebben, maar ook allerlei knopjes die het gebied rond de anus schoon kunnen spoelen. Maar pogingen deze ‘toiletten-van-detoekomst’ bijvoorbeeld in Amerika aan de man te brengen, zijn niet echt gelukt.

En of het Westen in de toekomst überhaupt aan zulke robo-toiletten toekomt, is de vraag, zegt George. ‘Het aspect dat in die toiletten zit van zuiniger met water omgaan, wordt ook bij ons populairder’, zegt ze. Maar of de hightechsproeitechnieken hier zullen aanslaan, betwijfelt ze.

Sproeien is de grote revolutie die zich na de oorlog in Japan heeft voltrokken. Van billenvegers met papier en ander zaken zijn Japanners billenwassers geworden. Zelf vindt Rose George wassen na het ontlasten veel hygiënischer. Maar ze beseft dat ze in het Westen tot een minderheid behoort.

Daar zit ook een vreemde paradox: in veel landen waar het met de hygiëne matig tot slecht gesteld is, vinden de bewoners het vies om hun billen af te vegen met papier of zoiets. Ze wassen zich na de grote of kleine boodschap. In India en Pakistan kan je eigenlijk niet je behoefte doen zonder een kommetje of kannetje water, een lota. Mensen gaan dus met een lota de straat op om hun behoefte te doen.

Nu we het over hygiëne hebben: je eigen poep is niet eens het grote probleem. Maarten Luther, de aartsvader van het protestantisme, at elke dag een lepel van zijn eigen poep, omdat dat heilzaam zou zijn. Het is de poep van anderen die het probleem is. Of liever gezegd: alle ziektekiemen die in de ontlasting van anderen kunnen zitten, kunnen jou ziek maken.

Rose George: ‘We praten heel veel over honger en de doden die dat oplevert of de zieken, of oorlog, of aids. Maar poep maakt enorm veel slachtoffers. Als je wil dat mensen wereldwijd langer leven en minder ziek worden, moeten we wat aan een hygiënischer oplossing doen.’

Verspreid via drinkwater, voedsel, via vliegen, een hand of een voet kan een klein beetje poep voor grote problemen zorgen. En aangezien in ontwikkelingslanden veel mensen leven in een omgeving waar ze overal met poep in aanraking kunnen komen, zijn de risico’s groot.

‘Tachtig procent van de ziekten in de wereld wordt veroorzaakt door ontlasting’, schrijft George in haar boek. ‘Een gram feces kan 10 miljoen virussen, 1 miljoen bacteriën, 1.000 parasitaire cysten en 100 wormeieren bevatten.’

Diarree

Het aantal levensbedreigende poepgerelateerde ziekten (shit-related diseases, zegt George steeds) is groot. In haar boek somt ze er een paar op. Diarree bijvoorbeeld. ‘Diarree, die meestal wordt veroorzaakt door met ontlasting besmet voedsel of water, is er de oorzaak van dat er elke vijftien seconden een kind sterft’, schrijft ze. En ze vervolgt: ‘In de afgelopen tien jaar zijn er meer kinderen gestorven ten gevolge van diarree dan er sinds de Tweede Wereldoorlog mensen door oorlogshandelingen om het leven zijn gekomen. Diarree is volgens UNICEF, de organisatie van de Verenigde Naties die zich met kinderen bezighoudt, het grootste obstakel dat een klein kind in een ontwikkelingsland op zijn weg vindt. Groter dan aids, tbc of malaria. 2,2 miljoen mensen, voornamelijk kinderen, sterven jaarlijks aan een aandoening die de meeste westerlingen krijgen van een bedorven afhaalmaaltijd. Deskundigen op het gebied van de algemene gezondheidszorg spreken van aan water gerelateerde ziekten, maar dat is een eufemisme voor de waarheid. Het gaat hier om aan poep gerelateerde ziekten.’

George vindt het voor de toekomst van vitaal belang dat de wereld wordt bevrijd van de poepgerelateerde ziekten, zegt ze in het Londense café Browns. ‘Daarom wil ik de discussie over ontlasting en sanitatie zo graag uit de taboesfeer halen. We hebben in het Westen tegenwoordig vooral een cultuur die poep vies en onnatuurlijk vindt – een fecalofobische cultuur. Dat is lang niet altijd zo geweest. Er zijn tijden geweest, ook in onze cultuur, waarin je behoefte doen als iets natuurlijks gezien werd, waarin het openlijk gebeurde, waarin het niet weggestopt werd.’

Maar sinds de westerse wereld van een meer en meer protestantse cultuur doordrongen raakte, zegt George, zijn we van fecalofiel fecalofobisch geworden: bang voor poep. ‘Dat komt omdat in het protestantisme de mens en alles wat met het lichaam te maken heeft vies vinden, weg willen stoppen. Alleen God is zuiver. Voeg dat bij de moderne techniek en het moderne spoeltoilet, waarbij we onze ontlasting meteen kunnen laten verdwijnen en niet meer zien. Die twee ontwikkelingen samen leiden tot een houding waarbij we zaken die met ontlasting te maken hebben, eigenlijk niet onder ogen willen zien. En dat is funest. Daarom vind ik jullie prins ook goed: het was tien, twintig jaar geleden ondenkbaar dat iemand van een koninklijk huis, een filmster of een vooraanstaand politicus openlijk over zulke zaken sprak.’

Er zijn nog steeds wel fecalofiele culturen: China bijvoorbeeld. Daar worden volgens George, vooral op het platteland, veel experimenten uitgevoerd om menselijke uitwerpselen op een schone en verstandige manier te hergebruiken: als mest of als basis voor brandstof en gas.

Maar het ontkennen van de problemen rond het op een schone manier wegwerken van menselijke uitwerpselen heeft niet alleen gevolgen voor de volksgezondheid, zoals George laat zien aan de hand van een voorbeeld in Afrika.

Ze bezocht scholen in Zuid-Afrika, waar een sanitatiepionier, bekend als dr. Shit, ontdekte dat de scholen in zwarte wijken zulke vieze toiletten hadden, dat jongens en meisjes liever wegbleven van school. ‘Zo’n fecalofobische houding tast het onderwijs aan. Ga maar eens na, hoe dat bij jezelf was’, zegt ze, ‘als je nodig naar de wc moest en je kon niet, dan kon je niet meer goed opletten in de klas.’

Uit projecten waarbij de schooltoiletten goed schoon werden gehouden, bleek dat leerlingen weer naar school kwamen.

‘En zo zijn er zoveel poepgerelateerde problemen die we onder ogen moeten zien. Er moet meer bewustzijn komen, die ook politiek vertaald wordt. Nu vallen sanitatie en poepgerelateerde problemen in bijvoorbeeld sloppenwijken deels onder ministeries van Volksgezondheid, Onderwijs, Weg-en waterbouw. De politieke aandacht is er niet of versnipperd. Schoon water, daar willen politici zich nog wel mee associëren. Dat is een schone zaak. Maar ook shit en sanitatie moeten hoog op de politieke agenda. Politici wereldwijd moeten zich met poep en pies gaan bezighouden.’

Rose George: De Grote Boodschap, Gezondheid en hygiëne en waarom de nood zo hoog is, Vertaling Iris van der Blom, Uitgeverij Artemis, 358 blz, 19,95 euro