Toen de maan nog gaf licht

Niets op aarde heeft de kleur van de maan, maar het lukte schilders toch die weer te geven – een kleur die niet kiezen kan tussen zilver en goud. Over maantjes en maneschijntjes, ooit een populair genre in de schilderkunst.

Adam Elsheimer: ‘Vlucht naar Egypte’, 1609
Adam Elsheimer: ‘Vlucht naar Egypte’, 1609

In Amsterdam vielen tijdens de Tweede Wereldoorlog veel mensen in het water. De latere premier Willem Drees liep in 1944 de Kostverlorenkade in. Ook veel Duitsers raakten te water, soms met voertuig en al, vooral als ze gedronken hadden.

Door de verduistering was het in de jaren veertig in Amsterdam zo donker als het er in eeuwen niet geweest was. In 1595 werd een op de twaalf huizen verplicht een lantaarn op te steken na het invallen van de duisternis. In 1500 was het burgers die ’s avonds uitgingen al geboden een lichtje met zich mee te dragen. In 1699 werd Amsterdam de best verlichte stad ter wereld; toen plaatste de gemeente meer dan 2500 lantaarns langs de grachten die ontworpen waren door de schilder Jan van der Heyden. Nu zijn het slome jaartallen, toen was het van levensbelang, zeker in een stad met grachten. Misschien zijn er hier daarvoor ook ‘maanmannen’ geweest, zoals in Engeland de jongens met een lantaarn heetten die je op straat kon inhuren om je bij te lichten. In sommige Engelse steden hadden zulke jongens de bijnaam ‘maanvervloekers’, wegens de concurrentie die het hemellichaam hun handel aandeed.

De maan. Wat moet zijn verschijning vroeger een zegen zijn geweest. In het donker gaf hij licht, dat soms genoeg was om bij te lezen, en in ieder geval sterk genoeg scheen om de weg naar huis te kunnen vinden. Soms was het licht van de maan zelfs zo sterk dat mensen dachten dat de zon opkwam, zich aankleedden en aan het werk gingen. Roger Ekirch noemt daar in zijn studie At Days Close, Night in Times Past in ieder geval twee voorbeelden van uit dagboeken, één uit Pennsylvania uit 1762 en een uit Yorkshire in 1764. Zou dat betekenen dat het vaker voorkwam?

Nu is de maan niet meer dan een aardig motief aan de hemel, wiens schijnsel al lang weggeconcurreerd is. Het peertje aan de hemel heeft geen taak meer; alleen in poëzie is het nog van belang, hoewel de maan ook daar al bijna de weg is gegaan van het kaarslicht. Sfeerverlichting. Meer iets voor armzalige amateurs dan voor progressieve poëten; steno voor romantiek die met het steno zelf aan het verdwijnen is. De Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers behielp zich met het maantje in haar duimnagel.

Het is nu niet meer voor te stellen

dat mensen vroeger almanakken als de Enkhuizer kochten om te weten wanneer het volle maan was om op basis van die informatie hun reizen te plannen. De maan moet vroeger een goede vriend zijn geweest, als er geen wolken voor hingen. Je kon er niet altijd op vertrouwen dat hij scheen. Maar als hij scheen konden dokters ook ’s nachts hun patiënten bezoeken, hoefden vroedvrouwen hun schoenen niet uit te doen om beter te kunnen voelen waar de weg was, waren reizigers minder bang voor rovers en kinderen voor spoken. De maan was de beste vriend van allen die het donker vrezen.

Toch had de maan ook vroeger niet alleen een goede reputatie. Van maneschijn kon je ziek worden, weerwolven ontstaan bij volle maan, heksen hielden hun sabbat bij volle maan. Nescio’s Bavink werd in Titaantjes gek van de zon, maar de meeste mensen werden het vroeger van de maan. Gekte heet in het Engels nog steeds lunacy.

Bavink schilderde de zon. Voor een schilderij met zonneschijn bestaat geen aparte naam. Waarschijnlijk is het daar te gewoon voor; alles wat we zien, zien we dankzij de zon. Schilderijen met maanlicht kregen in de zeventiende eeuw wel een eigen naam: het maantje of maneschijntje. Daarop zijn landschappen te zien die baden in een koele gloed, schittert maanlicht op water, schijnt het door bomen, maakt hele taferelen sereen en geheimzinnig. Niets op aarde heeft de kleur van de maan, maar het lukte schilders toch die weer te geven, op een kleine cirkel, een kleur die niet kiezen kan tussen zilver en goud.

De eerste nachtschilder was in 1609 de Vlaming Adam Elsheimer, die meteen maar twee manen schilderde in zijn versie van De vlucht naar Egypte, één laag aan de hemel vlak boven een boom, één vlak daaronder weerspiegeld in een watertje. Elsheimer inspireerde Rembrandt en Rubens tot een vlucht bij maanlicht. Daarna werd het bijbels onderwerp losgelaten en werd het landschap zelf het onderwerp van het schilderij. Bijna alle schilders waagden zich wel eens aan een nachtlandschap, van Albert Cuyp tot Hendrick Avercamp, van Jan van Goyen tot Jacob van Ruisdael. Verschillende effecten van licht in het donker, niet alleen van de maan, maar ook van sterren, vuurtjes en brand konden erop uit de doeken worden gedaan.

Het maneschijntje was

toen in Nederland een populairder genre dan nu. Over maneschijntjes zijn bijvoorbeeld veel minder tentoonstellingen gemaakt dan over stillevens. Het is alsof de schoonheid van de maan hem hier in de weg zit. Wij zien nu liever de schilderkunst een alledaags voorwerp als een citroen of een beker van glans voorzien dan dat een magisch verschijnsel als maneschijn er door omlaag gehaald wordt. Maneschijn heeft de schilderkunst niet nodig om mooi gevonden te worden. Het hoeft niet verheven te worden. Adriaan Coorte, schilder van aardbeien en asperges, heeft nu meer bewonderaars dan Aert van der Neer.

Van der Neer (1603/1604-1677) is de bekendste schilder uit de zeventiende eeuw die zich in avondstondjes en maneschijntjes gespecialiseerd had. Hij schilderde rivieren waar het maanlicht mooi in weerspiegeld kon worden, wolken waar sterren doorheen schijnen, schaduwen die de benen van paarden in het maanlicht op het pad naast een rivier maken. Van der Neer lijkt op een schilderij te vangen wat een paar eeuwen later de schrijver Nicolaas Beets zo bekoorde toen hij ’s nachts een belvedère bij Nijmegen beklom: „Niets schooner dan een panorama als waar wij hierop nederzagen bij nacht. Het voldoet u veel meer dan bij dag, en zonder die zekere mate van ontevredenheid, die zich zoo dikwijls bij een genieting van dezen aard onwillekeurig in het genot mengen komt.” Beets vraagt zich af hoe dat komt: „1. Dat men alles zo duidelijk ziende, ook zijn ergernissen heeft. Dit moest er niet zijn. Dat zou men willen verplaatsen. Die lijn zou men bochtiger die bocht ruimer willen hebben, enz. 2. De wens komt op, in het midden van het schoon geheel geplaatst te wezen, om het geheel te genieten; men gevoelt behoefte om een deel uit te maken van hetgeen waar men nu boven en buiten staat.”

Beets keek niet naar een schilderij, maar naar het landschap zelf. Zijn eerste reden zal door een schilderij van Van der Neer opgeheven worden; daar was alles immers tot een compositie verfraaid. De tweede reden blijft bij een maneschijntje geldig. Je blijft er buiten staan. Verlangen is een van de grootste, zoetste, pijnlijkste genoegens van kunst.

Maar het is de vraag of dat verlangen nu nog door een maneschijntje van Van der Neer kan worden opgeroepen. In het nieuwste nummer van Kunstschrift, dat geheel aan de maan is gewijd, schrijft kunsthistoricus Ernst van de Wetering het volgende over Van der Neers Riviergezicht bij maanlicht uit het Rijksmuseum: „Dit is een archetypisch beeld. Een beeld dat het op elk kiekje, hoe slecht ook, doet, zolang de hemel maar gaaf is en kristallijn is en de maan maar schijnt. (...) Dat beeld zou al te kitscherig zijn als het niet in werkelijkheid zou kunnen bestaan. Als we er zelf midden in staan – en wie is dat niet al eens overkomen – beleven we schoonheid die ons met ontzag voor de kosmos vervult.” Het schilderij vindt Van de Wetering daarentegen afschuwelijk, een routineus geval, het zoveelste nachtje met lichteffectjes, „waar ze in de zeventiende eeuw vijf gulden voor betaalden”.

Uit de toon blijkt dat

Van de Wetering vijf euro nog te veel vindt. De Belgische schrijver Max Rooses schreef omstreeks 1900 liever over Van der Neer: „Voor hem en na hem was onzer schilders grote zorg en grote roem de schoonheid van het gulden zonnelicht in al zijn glans en macht te doen uitkomen (-). Van der Neer vond dat ook het zilveren maanlicht zijn eigen bekoorlijkheid had, dat zijn spel in wolk en water wel van van wekeren maar niet van minder afwisselenden en boeienden aard is. Hij trad op als verheerlijker van de duisternis, van den nacht, van het geheimzinnige en van het rustige.”

Hoe zouden de mensen die vijf gulden voor een maneschijntje betaalden er tegenaan hebben gekeken. Wie waren zij? Het is bekend dat de kopers van schilderijen uit de zeventiende eeuw soms een band hadden met het onderwerp op het schilderij dat ze kochten; vishandelaren kochten schilderijen van vissen, koks keukenstukken. Wie zouden de maneschijntjes hebben afgenomen? Nachtwakers? Maanvloekers? Dromers? Mensen die zouden willen dat de maan altijd zo vol was als op de schilderijen van Van der Neer, zodat de nacht juist meer leek op de dag, zodat er wat te zien was? Op de schilderijen van Van der Neer is het nooit gevaarlijk. Op een geheel donker schilderij, een schilderij zonder maan, moeten we tot Malevitsj wachten. Toen was het donker getemd.

Maneschijntje heet het genre. Misschien past die naam door dat ‘tje’ er nu beter bij dan toen. Kaarsjes waren vroeger kaarsen, geen sfeerverlichting maar licht. De maan is nu nog slechts een maantje. Maar schijn bedriegt hier even. Want in de zeventiende eeuw waren bijna alle schildergenres voorzien van een verkleinwoord. Ontbijtje, banketje, wintertje, brandje. Ik vraag me af waar die gewoonte vandaan komt. Wat zou dat achtervoegsel over de verhouding van kijkers en kopers tot waar zij naar keken zeggen?

Het ligt voor de hand om op te merken dat schilderijen meestal kleiner zijn dan wat ze afbeelden. Delft past op een vierkante meter. Maar dat geldt niet altijd: de citroenen op een schilderij kunnen groter zijn dan echte exemplaren. Misschien was het verkleinwoord liefkozend bedoeld: het schilderij als meisje. Maar beter nog kan het ‘tje’ van de genres vergelijken worden met dat van kinderspelletjes. Verstoppertje, haasje over, winkeltje, kappertje – zet je of tje achter een woord en het is een spelletje. De gewoonte om hetzelfde bij schildergenres te doen verraadt misschien iets over de verhouding die mensen toen tot schilderijen hadden. Het geeft, op een lieve manier, iets weer van de oude magie van de schilderkunst, het wonder dat je vruchten kon zien buiten hun seizoen, sneeuw als het regende, Dordrecht in Amsterdam, de nacht op klaarlichte dag, volle maan als hij aan het afnemen is. Dat wonder voltrekt zich zelfs op een niet al te best schilderij; misschien juist op een niet al te best schilderij. Dan leidt de kwaliteit niet af. Kinderen hebben voor een spel weinig nodig. Kijkers ook niet. Een beetje wit en lichte oker, een beetje wit en koningsgeel; niets heeft op aarde de kleur van de maan, maar met een beetje verf is hij zo te imiteren.