Benut ook de capaciteiten van laatbloeiers. Maak diplomastapelen weer mogelijk

Het is praktisch onmogelijk op te klimmen van vmbo naar de top. Ergo: talent wordt verspild.

Journalist. Van zijn hand verscheen vorige week ‘De Nederlandse droom, Van mavo tot professoraat: hoe stapelaars de top beklommen’ (Arbeiderspers).

Het vwo telt te weinig doorstromers, waardoor veel leerlingen al jaren de kans ontnomen is een goede basis te leggen voor een maatschappelijke carrière. Een paar treden lager op de onderwijsladder is het nog beroerder gesteld. Wie op het vmbo begint kan in theorie omhoog klimmen, maar in de praktijk is het nagenoeg onmogelijk gemaakt de top te bereiken. Het betekent dat talent wordt verspild of zelfs achteloos terzijde geworpen.

In mijn boek De Nederlandse droom, met als ondertitel ‘Van mavo tot professoraat: hoe stapelaars de top beklommen’, richt ik me specifiek op het stapelen, een tot voor kort bijna vergeten onderdeel van het onderwijssysteem. Aad Veenman, die binnenkort afscheid neemt als president-directeur van de NS, stelt in De Nederlandse droom onomwonden: ‘Ik had geen kans gekregen in deze tijd.’ Opgegroeid in een arbeidersmilieu in Bleiswijk onder de rook van Rotterdam, als zoon van een tuinder en een huisvrouw, stoomde hij op van de lts naar de TU Delft, waar hij later zou promoveren en deeltijdhoogleraar werd. Dankzij het veerkrachtige stapelsysteem in de jaren zestig doorliep hij zijn schoolloopbaan zonder veel tijd te verliezen.

In de familie van hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit van Leiden, Paul Cliteur, was ‘de universiteit onbetreden terrein.’ Zijn vader was drukker met een eigen drukkerij, zijn moeder huisvrouw. Zijn zeven jaar oudere broer zette de drukkerij voort. Cliteur bleef zitten in de vierde klas van de lagere school en kreeg aan het eind van de rit het advies zijn schoolloopbaan voort te zetten op de ivo-mavo. Een vanzelfsprekend advies, dat zowel door school als door Cliteur en zijn ouders voor kennisgeving werd aangenomen. Hij was in die tijd ‘een nerveuzig jongetje’, dat last had van de wereld die ‘flink op hem inbeukte.’ Dat hij tot veel meer in staat was bleek later en dankzij de mogelijkheid tot stapelen klauterde hij omhoog. Van mavo naar havo naar heao, tot aan de universiteit. Hij studeerde af in twee richtingen: rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Cliteur promoveerde in Leiden en werd hoogleraar.

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Ab Klink doorliep de bewezen succesroute mavo-havo-vwo, voor hij aan een studie sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam begon. Later promoveerde hij nog in Leiden. Zijn vader was bakker, cafetariahouder en assurantie-adviseur, zijn moeder huisvrouw. Ook tweelingbroer Huib was een stapelaar. Klink zwoegde zich door de mavo heen, was niet goed in domweg rijtjes en feiten uit-het-hoofd leren. Op de mavo ging zijn interesse voornamelijk uit naar voetbal. Op latere leeftijd ontlook zijn werkelijke talent. Op de havo en het vwo haalde hij hoge cijfers omdat de combinatie van nadenken en verbindingen leggen hem beter af ging. Als hij dertig jaar later was geboren en zijn schoolcarrière op het vmbo was begonnen, was het maar de vraag geweest of zijn werkelijke talent tot ontplooiing zou zijn gekomen.

Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER), hekelde de invoering in 1993 van de tempobeurs door minister van onderwijs Jo Ritzen (PvdA). Gedachte destijds achter die beurs: omwegen duren langer, kosten meer geld, en moeten daarom zo min mogelijk worden gevolgd. Een denkfout, zegt Rinnooy Kan, want wat je op korte termijn meent binnen te halen, verlies je op de lange duur als gevolg van het vernietigen van kenniskapitaal. Stapelen houdt immers niet op in het voortgezet onderwijs, ook de overstap van hbo naar universiteit maakt er deel van uit. Waar in het verleden vooral arbeiderskinderen relatief vaak voor onderwijs onder hun niveau kozen, blijkt dat in deze tijd voor allochtonen te gelden. Onderzoekscijfers van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) wijzen dat uit. Rinnooy Kan schrok van die uitkomst: Nederland discrimineert naar sociale herkomst.

De voorzitter van de SER bracht zijn bevindingen naar buiten, schreef in deze krant dat stapelen een krachtige remedie zou zijn, maar in politiek Den Haag bleef het oorverdovend stil. Hij vermoedde dat het te maken had met de angst van politici in een discussie over de middenschool te worden gezogen, want daar kom je haast onvermijdelijk op uit als je de voordelen van studiekeuzes maken op latere leeftijd en kansen bieden aan laatbloeiers bezingt. In maart van dit jaar probeerde Rinnooy Kan het nog een keer, toen hij de Hofstadlezing uitsprak. Hij zei dat landen als Finland en de Verenigde Staten het aanzienlijk beter deden dan Nederland, daar konden dubbeltjes door het onderwijs kwartjes worden. ‘Wij kunnen ons niet permitteren om zoveel talent ongebruikt te laten. Het is niet alleen onrechtvaardig tegenover de getroffenen, het is fataal voor onze ambities als kenniseconomie. Zoals de Fransen het zo treffend formuleren: het is meer dan misdadig – het is dom.’

Weer bleef het stil, maar niet voor lang dit keer. Premier Jan Peter Balkenende (CDA) betoogde op het jaarlijkse hbo-congres „het stapelen van studies te willen bevorderen in plaats van tegen te gaan.” Vooral de doorstroom vmbo-mbo-hbo achtte de minister-president van grote betekenis voor de kenniseconomie én voor de emancipatie van de allochtone jongeren. Om zijn betoog kracht bij te zetten verweerde hij zich tegen de critici die het stapelen van studies als ‘oneigenlijke’ en ‘inefficiënte’ leerwegen betitelden.

Afgelopen week mengde eindelijk ook onderwijsminister Ronald Plasterk (PvdA) zich in de discussie. Hij schreef een ‘midterm review’, een tussenbalans, met als kop: ‘Het beste onderwijs.’ Daarin pleit hij voor een onderzoek naar de vraag of ons stelsel niet op te vroege selectie is gebaseerd: „van jongeren met een achterstand is op elfjarige leeftijd lang niet altijd het potentieel zichtbaar.” Met andere woorden: is het niet bespottelijk om een elfjarige voor de keus te stellen loodgieter of jurist te willen worden? In zijn stuk vermijdt de minister de beladen term ‘middenschool’, hij zal daar gek zijn als PvdA’er. Toch had hij het woord middenschool beter wel meteen kunnen gebruiken in de negatieve zin die hij er pas aan gaf in een toelichting na een reactie van verontwaardigde Kamerleden van het CDA, de SP en vooral de VVD. Pas in dat interview verwierp Plasterk de middenschoolgedachte als anti-intellectualistisch. Een school waar een muurtje metselen en een ei bakken op één lijn werden gesteld met rekenen en taal.

Maar nu probeerden een paar wild om zich heen slaande volksvertegenwoordigers deze week bij de behandeling van de Onderwijsbegroting de discussie in de kiem te smoren. Weg met die stoffige sociaal-democraat die naar oude tijden verlangde. Een terminologie die het debat vertroebelt voor het begonnen is. Gesteund door gezaghebbend (inter)nationaal onderzoek (OESO, de Onderwijsraad) zoekt Plasterk naar een manier om zijn lange-termijndoelstelling te realiseren, namelijk dat de helft van de beroepsbevolking hoger onderwijs moet hebben genoten, zoals de Lissabon-agenda voorschrijft. De onderwijsonderzoekers van de OESO geven al jaren aan dat Nederland op dit gebied bij andere landen achterblijft.

Om de Lissabondoelstelling te bereiken moet hij met kracht afstand nemen van de middenschoolgedachte uit de jaren zeventig en onverbiddelijk duidelijk maken dat herzieningen van het onderwijsstelsel niet aan de orde zijn.

Dat effent het pad voor een discussie die wél van belang is. Een discussie over hoe een moderne variant van het oude stapelsysteem zo snel mogelijk is in te voeren. De lastige overstap van mbo naar hbo verdient daarbij aandacht, zoals de minister zelf schrijft, maar meer nog moet gewerkt worden aan doorstroming van het vmbo naar de havo. De route mavo-havo-vwo was in het verleden een succes. Soepel stapelen zal een probaat middel blijken in de strijd tegen verspilling van talent.