We kunnen weer 60 jaar vooruit

Na zestig jaar is er weer een samenhangende studie over de Nederlandse strijd tegen de Spanjaarden verschenen. Maar de dagen van de jongensboekachtige verhalen zijn voorbij.

S. Groenveld, H.L.Ph Leeuwenberg, M.E.H.N. Mout, W.M. Zappey: De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca 1560-1650). Walburg Pers, 432 blz, € 59,50
S. Groenveld, H.L.Ph Leeuwenberg, M.E.H.N. Mout, W.M. Zappey: De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca 1560-1650). Walburg Pers, 432 blz, € 59,50 Uit boek

S. Groenveld, H.L.Ph Leeuwenberg, M.E.H.N. Mout, W.M. Zappey: De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca 1560-1650). Walburg Pers, 432 blz, € 59,50

H. de Kruif: Dagboek van broeder Wouter Jacobsz, 1572-1579. Verslag van een ooggetuige. Aspekt, 401 blz. € 19,95

Laten we beginnen met een voetnoot. Eind juni 1572 verliet de augustijner broeder Wouter Jacobsz, een vijftiger, het klooster Emmaus in de buurt van Gouda. Een paar dagen tevoren had de stad waar hij geboren was ‘voor de prins’ gekozen en Jacobsz wist wat dat betekende. Hij had van Lumey in Brielle en Gorkum gehoord, van Sonoy in Enkhuizen, van allerlei driftige geuzenvendels die elders in Holland en Zeeland de wet hielpen verzetten, dat wil zeggen alle papen de stad uit joegen, en voorzover ze priester, monnik of minderbroeder waren op z’n minst het leven zuur maakten, en op z’n ergst ophingen.

Sauve-qui-peut. Jacobsz vluchtte via Utrecht naar Amsterdam dat trouw had gezworen aan de Spaanse koning, zocht onderdak in het Agnietenconvent langs wat toen nog niet eens de Oudezijds Voorburgwal heette, en begon aan een dagboek dat hij bijhield tot in 1579, het jaar nadat Amsterdam eieren voor z’n geld had gekozen en alsnog Oranjegezind was geworden. Niet uit politieke, niet uit religieuze, maar uit economische motieven: de stad dreigde weg te kwijnen onder handelsboycotten en geuzenaanvallen. Dan maar het calvinisme omhelzen. De ‘Alteratie’ voltrok zich binnen een paar weken.

Op 19 juli 1579 houdt het Amsterdamse dagboek van broeder Wouter na drie woorden abrupt op. Een paar dagen tevoren heeft hij genoteerd dat de nieuwe machthebbers in de stad ‘oproerig’ waren ‘en de religieuzen veel kwaad berokkenden’. Vrienden van het Agnietenconvent hebben een onderkomen voor hem gezocht in de katholieke enclave Montfoort. Blijkbaar hals over kop pakt hij andermaal z’n biezen en verdwijnt in de geschiedenis.

Des te levendiger en eigentijdser zijn de getuigenissen die hij naliet uit die zeven Amsterdamse ballingschapsjaren. Dat blijkt uit een selectie van zijn aantekeningen die nu in modern Nederlands is uitgegeven. Broeder Wouter was een nieuwsgierig man, verzamelde alle nieuwtjes en geruchten die hem per brief of bodes konden bereiken, hield zich op de hoogte van hoe de ‘vijand’ (als hij over ‘ons leger’ sprak, bedoelde hij de vrome scharen van de hertog van Alva) over de Diemerdijk weer probeerde de stad binnen te dringen, en ging als het even kon ook op reis. ‘Op 28 juli zag ik in Haarlem wel zes mannen aan de galg hangen’, noteerde hij in 1573, toen hij de net door de Spanjaarden veroverde stad bezocht. ‘Op mijn reis zag ik de verschrikkelijke, ontredderde toestand waarin het land door de troebelen dit jaar vervallen is. Ik trof erg weinig huizen tussen Amsterdam en Haarlem die niet verbrand waren. Op veel plaatsen lag het land er woest bij, zonder ook maar één dier.’

Deed hij Goya-achtig verslag van de desastres de la guerra? Dat klinkt overdreven. Maar hij vertelde wel degelijk over honger, schaarste, vernielingen, stromen vluchtelingen en ontwrichting als gevolg van oorlogsvoering op een grondgebied dat niet veel meer dan de helft van het gewest Holland bestreek. Hij schreef als een ontheemde in eigen land, want het was tenslotte een burgeroorlog.

Broeder Wouters voetnoot heeft het niet gehaald tot in De Tachtigjarige Oorlog, Opstand en consolidatie in de Nederlanden, een boek van vier (hoog)geleerde auteurs, meer dan 400 tweekolomsbladzijden dik, vervuld van illustraties en prettig veel cartografische informatie, en van salontafelachtige afmetingen. De inhoud komt niet helemaal uit de lucht vallen. De belangrijkste schrijvers – de historici Groenveld en Leeuwenberg – moesten nog promoveren toen ze al in 1979 (vierhonderd jaar Unie van Utrecht!) De kogel door de kerk? publiceerden: het eerste deel van een tweeluik over opstand en staatsvorming, dat zes jaar later gevolgd werd door De bruid in de schuit, waarin de consolidatie van de rebellie werd behandeld. En die twee luiken zijn nu aan elkaar gescharnierd tot het historische altaarstuk van de eeuw waarin de noordelijke Nederlanden met Rome én met Spanje braken, en een staatkundig ‘gewrocht’ (zei Fruin) tot leven lieten komen, dat ze de Republiek der Zeven Provinciën noemden.

Niet helemaal nieuw, maar wel op details en tot in een ruimhartige bibliografie geactualiseerd – en binnen één band bovendien de eerste samenhangende Nederlandse studie over het onderwerp sinds De Tachtigjarige Oorlog van Jacques Presser, dat in 1941 verscheen. Belangrijk. Op een thema als onze ontstaansgeschiedenis mag eens in de zestig,zeventig jaar wel weer eens nieuw licht worden geworpen.

Het verschil tussen Presser en het gezelschap onder leiding van Groenveld en Leeuwenberg is ook ingrijpend. Presser stond met al z’n ironie, z’n afkeer van grootspraak en z’n talent voor petite histoire, nog met één been in de 19de eeuwse romantische verhaaltraditie die werd geïntroduceerd door de Amerikaan John Lothrop Motley met z’n blinde verering voor het gereformeerde geuzenvolk, en die in Nederland haar liberale variant vond bij Robert Fruin. Vragen over de oorzaak van de opstand – omwille van het geloof of omwille van de vrijheid? – of over de mate waarin van een volksoorlog sprake zou zijn geweest, werden in dat nationalistische klimaat nauwelijks gesteld en zelden beantwoord. Presser hield het in dat soort zaken bij de lichte spotzucht die hem eigen was.

De invloed van de sociale wetenschappen heeft het ‘heldere’ beeld van een oorlog tussen rechtschapen vrijheidsstrijders en tirannieke overheersers in de tweede helft van de 20ste eeuw ten slotte nog veel erger vergruisd dan Jan Romein het in z’n intreerede uit 1939 al zag aankomen. De 19de-eeuwers hadden, naar hij toen zei, het zicht op de 16de-eeuwse ontwikkelingen al aardig gecompliceerd – oorzaak: hun vermeerderde (bronnen)kennis. En over één der ijverigste bronnenvorsers uit die dagen schreef hij: ‘Hier ziet men als het ware het licht van Bakhuizens oordeel ondergaan achter de bergen materiaal die hij zelf heeft opgetast’.

We weten dat de vitale veertiger Romein zijn inauguratie aangreep om op ‘een hogere trap’ naar hij verzekerde, een nieuw vak te introduceren, dat hij de theoretische geschiedenis noemde. We weten ook dat hij dat eigenlijk nooit helemaal van de grond heeft gekregen, zomin als zijn stelling dat ‘de verwetenschappelijking van de geschiedschrijving tot desintegratie van het geschiedbeeld geleid heeft’, volgende generaties historici ernstig van hun werk heeft gehouden. En we weten ten slotte dat er een onmiskenbaar gelijk school in zijn klacht over de vervaging en verbrokkeling van het ‘beeld’, waarvan we alleen de gruzelementen overhouden. Maar stak achter die klacht niet vooral ook een romantisch verlangen naar de bedrieglijke klaarte van voorheen?

De dagen van de grote, sterke, haast jongensboekachtige verhalen over het Leven van onze Voorouders zijn voorbij. Bij Groenveld en Leeuwenberg is aan de glorieuze inname van Den Briel een paragraafje van 25 regels gewijd. De roemrijke belegeringen van Maurits, waar Fruin nog een heel boek (Tien jaren) aan besteedde, komen er relatief even bekaaid van af, net als de Slag bij Nieuwpoort, waarvan alle Nederlanders het jaartal schijnen te hebben onthouden.

Des te gedetailleerder zijn de beelden – nooit meer één; de eenduidigheid heeft afgedaan – die in de nieuwe geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog worden opgeroepen over de ontwikkeling van telkens veranderende bestuurlijke, economische, maatschappelijke, godsdienstige en staatkundige realiteiten. Veel méér dan de krijgshandelingen die zich na het Twaalfjarig Bestand trouwens voornamelijk buiten het epicentrum van de prille Republiek voltrokken, hebben de sociaal-economische omstandigheden de bekroning van onze zelfstandigheid, en onze rol in het Europa van na de Westfaalse vrede bepaald. Voorzover er onder Frederik Hendrik nog steden (in Brabant en Limburg) zijn belegerd en veroverd, werd daarmee de zekere uitkomst van de oorlog eerder bevestigd dan bevochten.

Samen met Nicolette Mout, die veel politicologisch werk voor haar rekening nam, en wijlen W.M. Zappey die economische bijdragen leverde, hebben Groenveld en Leeuwenberg een gedegen en secure mijlpaal geslagen waarmee we, als het om de Tachtigjarige Oorlog gaat, weer een jaar of zestig vooruit kunnen.

Zuinig zijn ze jammer genoeg gebleven over de aanstormende ‘gouden’ cultuur. Vondel, Hooft en Bredero (aan welke laatste de deeltitel ‘Bruid in de schuit’ is ontleend) en ook Hugo de Groot komen zo nu en dan langs, vaak alleen in bijschriften – zoals de grote schilders voornamelijk in de illustraties zijn weggewerkt, waarbij de kanttekening past dat in een prestigieuze en deels gesponsorde uitgave toch wel meer werk had mogen worden gemaakt van zo briljant mogelijke reproducties. Aan de rij hoofdstukken over economische, sociale en politieke ontwikkelingen, ontbreekt die over de de cultuur.

Bij Groenveld en Leeuwenberg is het burgeroorlogaspect niet al te scherp aangezet. Er valt nog altijd een heel subboek te schrijven over het lot van geïntimideerde katholieken (Rogier sr heeft ze ooit geïnventariseerd in z’n Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16de en 17de eeuw), honderden door de van hot naar her sjokkende voorjaarslegers gedupeerde boeren, en de roomse geestelijken die zich, zoals broeder Wouter Jacobsz, van onderduikadres naar onderduikadres moesten slepen. Een boek vol voetnoten, vol schilfers van een vergruisd beeld.