Onderwijsdebat is op betere weg, maar gepast crisisbesef ontbreekt

Tussen de motorblokken en opengewerkte vrachtwagencabines spraken zij urenlang over de tafel van zes. Een paar honderd leerkrachten, velen uit het basisonderwijs, hadden laatst besloten hun vrije zaterdag te besteden aan het rekenonderwijs. In het Instituut voor Autobranche en Management in Driebergen maakten zij de rekening op van een bewogen jaar.

De aanleiding was zorgelijk en toch was er hoop. Wat begon als gebundelde verwondering van een handjevol docenten in basis- en voortgezet onderwijs, gesteund door enkele academische wiskundigen, is dit jaar uitgegroeid tot meer dan een beweging. Behalve een aantal verstokte aanhangers van het Utrechtse Freudenthal Instituut is er vrijwel niemand die nog beweert dat het met het rekenen op Nederlandse scholen goed gaat.

De overal ingevoerde rekenmethode, die zogenaamd aansluit bij de belevingswereld van het kind, de ‘realistisch’ genaamde methode met veel plaatjes en schattende aanpak van rekenopgaven, heeft volgens onderzoek na onderzoek ertoe bijgedragen dat kinderen geen routine hebben in het systematisch en moeiteloos oplossen van rekenvraagstukken. De lerarenopleiding, de verpleging en allerlei andere beroepen waarbij het moeiteloos omgaan met getallen cruciaal is,  zijn intussen volgestroomd met een generatie die worstelt met dezelfde handicap: kan niet rekenen. Een rekenmachine vult geen injectiespuit.

Op de rekenconferentie in Driebergen, georganiseerd door Beter Onderwijs Nederland, lieten drie enthousiaste onderwijzeressen van de Zalmplaatschool uit Hoogvliet zien hoe zij Talrijk, de realistische rekenmethode waar hun school mee werkt, bruikbaar hebben gemaakt door er een hele aanvullende rekenmethode naast te ontwerpen. Voor iedere fase hebben zij eigen materiaal verzameld. Opdat de kinderen genoeg inzicht en oefening krijgen.

Ook deze week kwam weer zo’n studie uit, het internationale TIMMS-onderzoek 2007, die de gestage achteruitgang van het Nederlandse rekenen bevestigde. Onze kinderen eindigden bij de laagste 30 procent (ver onder leeftijdgenootjes uit onder meer Kazachstan, Letland, Armenië en Georgië) bij het uitvoeren van de som 942-415. Het nu geldende kolomsgewijs aftrekken geeft onvoldoende houvast.

De Freudenthalers zullen binnenkort ongetwijfeld uitleggen dat het aan een verkeerd soort bladeren op de rails lag, maar iedere ouder met enige belangstelling voor zijn kind ziet dat er geen beproefde methode voor de staartdeling in de plaats is gekomen. Docenten in het voortgezet onderwijs, die aan de slag willen met natuurkundige begrippen, stellen vast dat ook kinderen met een mooie Cito-score niet goed met breuken kunnen werken.

Nu eenzelfde ontwikkeling is vastgesteld voor de taalbeheersing van veel kinderen, lijkt duidelijk dat er sprake is van een probleem dat fundamenteler is dan een boek dat bij nader inzien tegenvalt. De commissie-Dijsselbloem heeft begin dit jaar vastgesteld dat de afgelopen decennia te veel is geknutseld aan het onderwijs: zowel de organisatie van onderwijs als de inhoud zijn in opeenvolgende vernieuwingsgolven steeds weer op de schop gegaan.

Geen wonder dat de Tweede Kamer, die deze week de begroting van onderwijs besprak, opgelucht adem haalde toen minister Plasterk verzekerde dat hij geen nieuwe stelselwijziging op het oog had. Die vrees had hij opgeroepen met zijn pleidooi iets te doen tegen het te vroeg (te laag) kiezen dat talenten onbenut laat. ‘Kansen voor iedereen’ levert geen ruzie op, het woord ‘middenschool’ wel.

Ook overigens was het een vriendelijk, wellevend en verstandig Kamerdebat. De minister en zijn twee staatssecretarissen willen alles doen om oude fouten te vermijden. Geen nieuwe megascholen. Plasterk werkt aan een wet die de eindeloze fusie-tendens in het onderwijs aan banden wil leggen. PvdA-Kamerlid Depla pleitte zelfs voor de-fuseren van onderwijsmolochen. Dat ging de minister voorlopig te ver.

In een ‘mid term review’-brief halverwege zijn ambtstermijn vatte Plasterk knap samen wat ‘de politiek’ heeft geleerd van de ambitieuze onderwijs-decennia die achter ons liggen. Landelijk wordt vastgesteld wat ieder diploma inhoudt. Daarna zijn het leraren, niet Den Haag, die bepalen hoe dat wordt bereikt. De omvang van scholen moet rekening houden met de menselijke maat. Leuk is uit. Het wordt weer strenger en duidelijker in het onderwijs. Nederland moet het beter gaan doen.

Tot zo ver beviel de nieuwe soberheid wel. Tot je het deze week uitgekomen boek van Chris Lorenz e.a. over de universitaire management-cultuur leest (If you are so smart, why aren’t you rich? uitgeverij Boom). Philipse, Icke, Verbrugge, Lock, Fresco en anderen die weten waar zij het over hebben, schetsen een groepsportret van een academie die is opgejaagd en van zijn hoofdtaak afgeleid.

De idylle van markt en management bij hoger onderwijs en onderzoek komt voort uit de begrijpelijke gedachte dat de maatschappij die al dat gestudeer betaalt, waar voor zijn geld mag verlangen. Maar het heeft naast harder aanpoten ook veel neptransparantie en bureaucratie opgeleverd. Zoals de verschillende, inmiddels impopulaire ontwikkelingen bij basis- en voortgezet onderwijs onnodige bestuurslagen, formulieren en vervreemding hebben gebaard.

Het is mooi dat de Kamer en de minister dit intussen erkennen, en het is fijn dat zij proberen hun idealen niet per dagelijkse circulaire aan de scholen van hoog tot laag mee te delen, maar er was één ding dat het vreedzame debat van deze week bij uitstek miste: een gevoel van urgentie, een blijk van crisisbewustzijn. Ieder jaar dat het zo doorgaat, is er één te veel.

Onderwijs is jaren een terrein geweest van bonden, ambtenaren en instituten. En een handjevol Kamerleden. Leerkrachten hadden meestal geen tijd voor die discussies in sociologenjargon. Ouders en andere burgers lieten het al helemaal lopen. Maar ook die tijd is voorbij. We hebben met z’n allen een hoop gekte toegelaten. Een maatschappij die niet kan rekenen en zijn eigen taal niet beheerst, scholen die slechte boeken en een onzinnig aanbestedingscircus krijgen opgelegd, een universiteit die velen afmat in plaats van stimuleert tot het verkennen van nieuwe grenzen van het menselijk weten -  dat is ieders verantwoordelijkheid.