Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Van mens tot nummer

Alles moet men anders leren ervaren. Dat betoogde Ernst Jünger. Na afbraak van de burgerlijke wereld zou de ‘Gestalt van de arbeider’ groots oprukken.

‘Unique forms of continuity in space’, een bronzen sculptuur uit 1913 van Umberto Boccioni Museum of Modern Art, New York` futurisme
‘Unique forms of continuity in space’, een bronzen sculptuur uit 1913 van Umberto Boccioni Museum of Modern Art, New York` futurisme

Ernst Jünger: De arbeider. Heerschappij en gestalte. Vertaald en ingeleid door Michel Heijdra en Hans Verboven. Met een nawoord van Vincent Blok. Aspekt. 347 blz. € 39,95.

Eerder dit jaar werd de Duitse schrijver Ernst Jünger (1895- 1998) met twee delen oorlogsdagboeken opgenomen in de Bibliothèque de la Pléiade, het Franse literaire walhalla. Uiteraard klonken er protesten, zoals steeds wanneer Jünger publiekelijk eer wordt bewezen. Ditmaal roerde de Frans-Duitse schrijver Georges- Arthur Goldschmidt zich. Volgens hem getuigde Jüngers uitverkiezing van een ‘remilitarisering van de geest’ en van een ‘regelrechte rehabilitatie van de Duitse bezetting van Frankrijk’ – Jünger zat tijdens WO II immers als Wehrmacht-officier in Parijs en schrijft daarover uitvoerig in zijn dagboeken. Waarom had men niet een schrijver gekozen die destijds voor het nazi-regime was geëmigreerd, zoals Thomas Mann, Alfred Döblin of Joseph Roth?

Ja, waarom niet? Een krachtig argument tegen de keuze voor Jünger kan het alleen niet genoemd worden, tenzij een schrijver alleen waardering zou verdienen als hij er dezelfde morele en politieke opvattingen op na houdt als zijn critici. Bij Jünger is dat evident niet het geval.

In de jaren twintig en dertig streed hij als extreem-rechtse nationalist tegen de Republiek van Weimar, waarbij hij er zelfs in slaagde de in zijn ogen ‘verburgerlijkte’ nationaal-socialisten in radicaliteit te overtreffen. Mede om die reden (en omdat hij niets zag in het biologische racisme van de nazi’s) distantieerde Jünger zich in 1933 van het Derde Rijk, maar een democraat, laat staan een liberaal, is hij nooit geworden. Zijn allegorische roman Auf den Marmorklippen (1939) werd weliswaar gelezen als een aanval op het Hitler-bewind, maar het tekent Jünger en zijn eigenzinnigheid dat hij het verzetskarakter van zijn boek ook na de oorlog altijd heeft ontkend.

Een meeloper was deze man nooit. Wat niet wil zeggen dat hij niet in een bepaalde traditie past, namelijk die van de ‘Conservatieve Revolutie’: de aanduiding (bedacht door Jüngers voormalige privé-secretaris Armin Mohler) voor een groep extreem-rechtse intellectuelen in het Duitse interbellum, waartoe verder onder anderen Oswald Spengler, Hans Freyer, Carl Schmitt en de ‘nationaal- bolsjewist’ Ernst Niekisch behoorden. Bij hen vinden we een felle anti-democratische, anti-westerse politieke gezindheid, veelal gecombineerd met een zeer Duits en zeer metafysisch denkraam.

Wie zich nu in hun geschriften verdiept, waant zich in een volstrekt vreemd geworden mentaal universum. Dat zou een reden kunnen zijn om hen verder met een gerust hart over te laten aan de historici, ware het niet dat zij, Ernst Jünger voorop, zich uitdrukkelijk hebben uitgesproken over de moderne wereld waarin we ons nog altijd bevinden.

Het valt niet mee om van die wereld, waarvan we zelf deel uitmaken, een scherp, niet door vooroordelen of zelfgenoegzaamheid vertekend beeld te krijgen. Welnu, hier biedt een schrijver als Jünger uitkomst, juist omdat hij zo afwijkt van wat sinds 1945 gangbaar is. Via zijn vreemde blik wordt het alsnog mogelijk om onze eigen werkelijkheid op een totaal andere manier te bezien. De onmiskenbare fascinatie die nog altijd van Jünger uitgaat, vindt haar bron onder meer in deze mogelijkheid.

Jüngers boek dat zich het beste leent voor een dergelijke exercitie is zijn grote essay Der Arbeiter. Herrschaft und Gestalt uit 1932. In de Pléiade-editie ontbreekt het, maar dezer dagen is er wel een Nederlandse vertaling van verschenen, aangevuld met enkele latere teksten over hetzelfde onderwerp.

In Der Arbeiter beschrijft Jünger de overgang van de burgerlijke wereld van de 19de eeuw naar de ‘arbeidswereld’ van de toekomst, een overgang waar men in 1932 nog middenin zat. In die arbeidswereld zou alles ‘arbeid’ zijn en iedereen ‘arbeider’. Dat geeft al aan dat het hier niet om sociale of economische categorieën gaat. Arbeid is tegenwoordig nog steeds meer dan werk en bijna een raison d’être, maar Jünger associeert de arbeid ook met ‘het tempo van de vuist, van de gedachten, van de hartslag; arbeid is het leven bij dag en bij nacht, de wetenschap, de liefde, de kunst, het geloof, de cultus, de oorlog; arbeid is de trilling van het atoom en de kracht die sterren en zonnesystemen voortbeweegt’.

Niets ontsnapt aan het totale karakter van de arbeid, alles verschijnt als arbeid, zodra we er oog voor krijgen. Precies daar is Jünger op uit: hij wil zijn lezers de ogen openen voor een nieuwe werkelijkheid, die in het teken staat van wat hij de ‘Gestalt van de arbeider’ noemt, een metafysische grootheid onder invloed waarvan wereld en geschiedenis van aanschijn veranderen. Zijn doel is een gestalt-switch in de perceptie, waardoor alles opeens anders wordt ervaren.

Het resultaat mag bepaald onbehaaglijk heten. Overal blijkt het ‘elementaire’ weer op te duiken: de wilde, gewelddadige (Nietzsche zou zeggen: Dionysische) onderstroom van het leven, die de bur-

Vervolg op pagina 2

Ernst Jüngers aanval op de burgersamenleving

ger in zijn hang naar veiligheid en comfort had opgeborgen in de irrationele sfeer van het ‘romantische’. Alles wordt er door aangetast en komt in gevaar, behalve de techniek – voor Jünger het teken dat de techniek al tot de arbeidswereld behoort. De techniek is de ‘manier waarop de gestalte van de arbeider de wereld mobiliseert’.

Vandaar de versnelling van het levensritme, de reductie van het burgerlijke individu tot inwisselbaar ‘nummer’ en zijn verwevenheid, vaak ongemerkt, met allerlei dwingende technische verbanden. ‘Onderzoek welke van de relaties waarin men betrokken is opzegbaar zijn en welke niet’, zegt Jünger, en dan kan duidelijk worden hoever de transformatie tot arbeider, via een sluipende ‘revolutie sans phrase’, al is gevorderd. Een partijlidmaatschap kan worden opgezegd, maar geldt dat ook voor de aansluiting op gas en licht, de belastingplicht en de sociale voorzieningen? Wie kan nog buiten film en radio, nu televisie en internet? En weet iemand zich te onttrekken aan de kwetsbaarheid voor militaire (of terroristische) aanvallen?

Voor het eerst had Jünger met deze nieuwe werkelijkheid kennisgemaakt tijdens de ‘materiaalslagen’ van de WO I. Zijn arbeider, als prototype van de nieuwe mens, werd de opvolger van de frontsoldaat die zich, net als Jünger zelf destijds, niet had laten demoraliseren door het mechanische geweld. Het betreft een nieuw en onverschrokken mensenslag, een ‘type’ en geen individu, dat ‘zichzelf met plezier de lucht in blaast en dat in deze daad nog een bevestiging van de orde ziet’.

Zo militant en offervaardig gaat het tegenwoordig niet meer toe. Hier spreekt nog de Duitse fascist in Jünger, die pas na de machtsovername van 1933 zou verdwijnen. Maar de herkenning wordt al groter wanneer Jünger het vervolgens heeft over de toename van ‘getrainde lichamen’, over de associatie van de kwaliteit van producten met een ‘merk’ (en dus met massaproductie), over de onverbrekelijke samenhang van arbeid en vrije tijd (‘de arbeidsdag omvat vierentwintig uur’), over sport als arbeid, over de hang naar records en het vertrouwen in statistieken.

In hetzelfde kader past het vervagen van het verschil tussen de seksen, al komt Jünger nog niet op het idee om alle vrouwen onder het mom van emancipatie tot betaalde arbeid te dwingen. Ondertussen zou de burgerlijke cultuur verdwijnen, zou de kunst veranderen in een louter ‘museale’ aangelegenheid en wordt de liberale vrijheden de wacht aangezegd, waaronder de persvrijheid. In Jüngers ogen geen verlies, want: ‘De geste waarmee de enkeling zijn krant opslaat en eroverheen vliegt zegt meer dan alle hoofdartikelen…’.

Ziedaar het grote verschil met de gebruikelijke cultuurkritiek: Jünger betreurt de verliezen die hij constateert niet, hij juicht ze toe. Achteraf heeft hij zich wel voorgedaan als een neutrale waarnemer, maar dat wordt niet ondersteund door de tekst van Der Arbeiter, waarin het een van de ‘grote en wrede genoegens van onze tijd’ wordt genoemd om deel te nemen aan het ‘explosieve werk’ tegen de burgerlijke geest. Juist de positieve instelling maakt het lezen van zijn boek tot zo’n indringende ervaring. Aan geklaag en gezeur zijn we gewend, niet aan deze geestdriftige omarming van afbraak en destructie.

Minder overtuigend is het motief van Jüngers geestdrift: het geloof in een nieuwe ‘heerschappij’ (over de techniek, over de nu nog bandloze beweging) door een steeds verder gaande ‘representatie’ van de gestalte van de arbeider. Door te veranderen in arbeiders zou ook een nieuwe ‘vrijheid’ kunnen worden gevonden, bestaande uit een volledige identificatie met de noodzakelijkheid van alle veranderingen, een variant van Nietzsches amor fati. Jünger schetst het perspectief van een ‘organische constructie’, waarin de arbeider zou versmelten met zijn technische middelen. Iets soortgelijks was de droom van de Italiaanse futuristen, aan wie Jüngers arbeider herinnert. Maar denk je aan de postmoderne ‘cyborg’ of , minder spectaculair, aan de vanzelfsprekendheid waarmee we ons nu vereenzelvigen met onze auto (‘ik sta om de hoek geparkeerd’) en met onze computer, dan klinkt het allemaal weer veel minder vergezocht.

Problematisch blijft alleen het geloof in die nieuwe heerschappij, die ten slotte zelfs alle nationalistische en andere ideologische verschillen zou uitwissen, want in het verschiet lag een ‘imperiale’ staatsmacht, die Jünger na de oorlog zou aanduiden als de ‘Wereldstaat’. Het te volgen parcours lag al bij voorbaat vast: op de ‘anarchie’ van het huidige ‘Werkstättenlandschaft’ zou de orde van het ‘Planlandschaft’ volgen. Maar de grote vraag is natuurlijk, zelfs nu falende bankiers alom in wanhoop bij de staat aankloppen, of met planmatigheid en staatsmacht orde, vrijheid en heerschappij daadwerkelijk zijn gegarandeerd. Duidelijk is wel dat Jünger er behoefte aan had om dit te geloven, omdat het zin en betekenis gaf aan alle destructie, niet in de laatste plaats aan alle slachtoffers van WO I die daardoor niet voor niets zouden zijn gestorven.

Tot de slachtoffers behoorde, op een onschuldiger niveau, ook de burgerlijke roman, met zijn aandacht voor achterhaalde individuele lotgevallen en een onbenullig geworden ‘eenmalige beleving’. Wat niet betekent dat de arbeidswereld zich niet zou lenen voor ‘literaire verwoording’, aldus Jünger. Alleen hoe, dat moest nog worden uitgevonden. Misschien lezen we daarom nog altijd romans – totdat je je realiseert dat Jüngers eigen boek, met zijn vreemde, onpersoonlijke, maar tegelijk fascinerende stijl en toon, bij uitstek die gezochte literaire verwoording moet zijn.

Jüngers proza klinkt als de taal van de arbeid, het literaire equivalent van ‘het klapperen van de weefstoelen van Manchester’ en ‘het ratelen van de machinegeweren bij Langemark’, zij het vooral als Der Arbeiter in het Duits wordt gelezen. Dat het Nederlands daarbij achterblijft, is de vertalers Michel Heijdra en Hans Verboven niet aan te rekenen; wel dat ze nogal wat fouten hebben gemaakt, bijvoorbeeld door Proletarierkasernen (woonkazernes) te vertalen als ‘beluiken’(?), Kursbuch (spoorboekje) als ‘cursusboek’ , Recht als ‘rede’ of Geniessertum (genotsgilde) als ‘geniedom’. Hun moed om dit ongemakkelijke boek te vertalen verdient alle sympathie, maar van twee echte arbeiders had ik toch wel iets meer precisie verwacht.