Voorop met Windows 3.0

Frank Veraart – Vormgevers van persoonlijk computergebruik. De ontwikkeling van computers voor kleingebruikers in Nederland, 1970 – 1990. Eindhoven, Stichting Historie der Techniek, 336 blz. Technische Universiteit Eindhoven, 27 mei 2008. Promotor: Prof.dr.ir. H.W. Lintsen

Ik had dit proefschrift gemist, maar de in meerdere opzichten al niet meer zo jonge doctor – geboren in het jaar dat zijn geschiedenis van het computergebruik begint – gaf het me in de week dat het twintig jaar geleden was dat in Nederland voor het eerst en in het Nederlands van internet gebruik werd gemaakt. Het proefschrift eindigt bijna op dat moment, ruim voor de introductie van het mobieltje, de diskette en de USB-stick. Even wordt dan duidelijk hoe kort geleden het eigenlijk nog maar is dat de computer een personal computer werd en de personal computer een communicatiemedium. In 2005 had van de tieners al 99 procent thuis minstens één computer staan en had 98 procent toegang tot het internet. Gemiddeld zaten ze toen ruim acht uur per week achter de computer tegenover ruim negen uur voor de tv en nog geen anderhalf uur met een boek of een krant. De meeste tijd gaat op aan chatten en computerspellen. Ze hebben ook bijna allemaal een mobiele telefoon (er zijn inmiddels al veel meer mobieltjes dan inwoners in Nederland) en in meerderheid ook een pc op de eigen kamer.

De cijfers voor volwassenen

zijn niet veel anders, al chatten zij wel veel minder. Bijna de helft van de werkende bevolking zit op het werk ongeveer de helft van de dag achter de computer. Pas bij de hoogbejaarden is het computergebruik echt substantieel lager, maar ook dat is een kwestie van tijd. Zeker tot de leeftijd van 75 jaar is de pc een bijna vanzelfsprekend onderdeel van het huishouden geworden. Alleen de introductie van de magnetron is nog sneller en nog massaler verlopen, maar een gewone magnetron kost inmiddels ook bijna niets meer. Dat is bij de computer en zeker bij de nieuwste laptops – ‘notebooks’ moet je tegenwoordig zeggen – veel minder het geval. Twintig jaar geleden kostte een Atari, een Commodore of een Philips toch ook al gauw tussen de vijfhonderd en vijftienhonderd euro.

Ik sprak Frank Veraart

in Utrecht op een Studium Generale-avond over de jaren tachtig. Hij had een paar nog werkende computers uit die tijd meegenomen en in de pauze verdrong iedereen zich om de joysticks en toetsenbordjes uit de prehistorie van de pc. Nou, iedereen, het waren bijna alleen maar jongens en mannen en in dat opzicht was het ook weer even heel erg jaren tachtig. De computer was een jongensding en bijvoorbeeld de Hobby Computer Club telde onder zijn duizenden leden maar enkele tientallen vrouwen. Dat was ook niet zo vreemd, omdat de belangstelling voor de ‘kleine’ computer ontstond onder de mannen en jongens die zelf radio’s bouwden en in de jaren zestig en zeventig met microprocessors begonnen te experimenteren. Ze bouwden vaak zelf hun eerste computers, leerden van elkaar de mogelijkheden en wisselden op lokale bijeenkomsten en kleine beurzen gegevens en materialen uit. Het leek allemaal nog erg op de toen ook nog heel levendige wereld van de postzegelverzamelaars, ook al zo’n mannenbolwerk met eigen verenigingen, tijdschriften en winkeltjes. Van nut of bruikbaarheid was nog geen sprake en de eerste computers voor particulier gebruik waren vooral spelcomputers.

De computerhobbyisten zijn volgens Frank Veraart toch heel belangrijk geweest voor de doorbraak en de verspreiding van wat aanvankelijk de ‘homecomputer’ was – vooral voor spelletjes – en in de eerste helft van de jaren tachtig de personal computer – vooral voor tekstverwerken en rekenen – werd. Het zou nog tien jaar duren voor de e-mail- en internetmogelijkheden de belangrijkste functies van de computer zouden worden. Terugkijkend lijkt het een logische en bijna geplande ontwikkeling geweest te zijn, maar dat is absoluut niet het geval geweest. De verwachting van de industrie en de overheid was dat de mainframe-computer de toekomst zou hebben. Burgers zouden daar thuis een aansluiting op hebben en in feite dus vooral ontvanger van centraal geleverde informatie zijn. Spelcomputers en tekstverwerkingsapparatuur ontwikkelden zich aanvankelijk lang gescheiden lijnen en ook de nu zo vertrouwde combinatie van beeldscherm, toetsenbord en printer met steeds kleiner wordende technische onderbouw is geleidelijk ontstaan.

Hoewel je aanvankelijk

dus als particulier niet echt veel met een computer kon doen, bestond er al in de jaren zeventig weinig twijfel over het belang van de computer voor de toekomst. Een belangrijk moment was de aanbieding van het rapport van de Adviesgroep Micro-electronica (de commissie-Rathenau, genoemd naar de voorzitter, voormalig directeur van het NatLab van Philips) aan de minister voor wetenschapsbeleid. In het onderwijs zou veel meer aandacht moeten komen voor micro-electronica om Nederland economisch voor te bereiden op een tijd die geheel in het teken van de automatisering en de informatiemaatschappij zou komen te staan. De commissie-Rathenau dacht dus nog niet aan de toen al zeer nabije komst van de personal computer.

Nederland was er ook in vergelijking met andere landen vroeg bij. In het onderwijs deed de computer al midden jaren zeventig op de scholen zij intrede, mede dankzij Philips. De PTT kwam met Viditel en de NOS met Teletekst. De grafische industrie kreeg door de komst van de computer een heel ander karakter en de heel succesvolle PC-Privé-programma’s lieten Nederlanders massaal en goedkoop thuis kennis maken met de personal computer. Van de angst voor computers die de commissie-Rathenau nog bij de Nederlandse bevolking vermoedde, was weinig te merken.

Het meest opvallend

in het proefschrift van Frank Veraart is toch wel de bijna ongemerkte overwinning van de decentralisatie van de informatie en de individualisering van de communicatie die hij beschrijft. Veel partijen hebben daar een bijdrage aan geleverd. In Nederland vooral de computerhobbyisten, in de Verenigde Staten al eerder de protestgeneratie van de jaren zestig, die geen consument van centraal verzamelde en gecontroleerde informatie wilde worden. Bij hen ligt ook het begin van het succes van Silicon Valley. Bijna aandoenlijk is de foto uit 1990 van de met een waanzinnig grote bril getooide Bill Gates samen met de van een iets kleiner montuur voorziene staatssecretaris Wallage bij de introductie van Windows 3.0 als besturingssysteem voor de computers in het basisonderwijs. Nederland was het eerste land dat die keuze maakte en dat is nog geen twintig jaar geleden.