Uitgelachen door het lot

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog, deze maand negentig jaar geleden, bleef de Russische diplomaat Pavl Konstantinovitsj Poustochkine in Den Haag werken als afgezant van Rusland. Het nieuwe Sovjet-regime wilde niets met hem te maken hebben.

Op 11 november 1918 was de oorlog ‘godzijdank’ voorbij. De afgelopen jaren waren moeilijk geweest voor de tweede secretaris van het Russische gezantschap in Den Haag, ‘vol verdriet en zware teleurstellingen’. In zijn memoires schrijft Pavl Konstantinovitsj Poustochkine (1886-1958) over het terugtreden van tsaar Nicolaas II in maart 1917 en de machtsgreep van Lenin in oktober, dat het ‘een enorme klap’ is. De spanningen in zijn vaderland waren zijn collega Svetsjin te veel geworden. Hij kreeg een zenuwinzinking, leek ‘krankzinnig’ te worden ‘uit angst om dood te gaan van de honger’. Ze hadden hem naar een inrichting in Nijmegen gebracht.

Lenin sloot in maart 1918 vrede met de Duitsers, Rusland hoorde niet langer tot de geallieerden maar tot het vijandige kamp. De Witten, tegenstanders van het nieuwe regime van Lenin, voerden thuis wanhopig strijd tegen de Roden, Poustochkine hield het Russische fort in Den Haag.

De tuinen aan de weg met brede, grote huizen liggen vol herfstbladeren. Kleinzoon en naamgenoot Paul Poustochkine doet open en wijst op het glanzend gepoetste koperen naambordje: „Dat heb ik van het huis van mijn grootvader afgeschroefd.” Bovenaan de trap in de hal hangt een foto van zijn grootvader uit 1949 waarop hij, in uniform behangen met onderscheidingen, driekantige steek en degen, vriendelijk, gelaten in de camera kijkt.

Ik was Pavl Konstantinovitsj Poustochkine op het spoor gekomen in het Russisch-orthodoxe Maria Magdalenakerkje in Den Haag. Zijn naam stond in de trouwregisters uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Diplomaat Poustochkine was voor enkele huwelijken als getuige opgetreden. „Hij moet een bijna dwangmatige drang gehad hebben om alles vast te leggen voor het nageslacht,” zegt Poustochkine (1951) met een gebaar naar de boekenkast waarin meer dan vijftig in leer gebonden boeken van zijn grootvader staan. „Hij heeft alles zelf ingebonden.” Op tafel liggen familiealbums, reisverslagen en dozen vol brieven. Liefst twee albums bevatten tientallen ‘invitations, menus, faire-parts, fêtes, réceptions, diners, naissances, mariages, deuils’. De collectie ‘Cartes de visites 1905-1940’ is voorzien van de aantekening: ‘très incomplète’. Strafrechter Poustochkine slaat een dik boek open met honderden ingebonden brieven. „Elk deel omvat gemiddeld twee jaar van zijn leven en is voorzien van een voorwoord en een index met verwijzingen naar de belangrijkste gebeurtenissen in chronologische volgorde.” Het zijn de brieven van zijn betovergrootmoeder aan zijn overgrootouders en grootvader tussen 1886 en 1913. Ze vertellen de familiegeschiedenis.

Afgrijselijke taal

Zijn opa werd op 27 mei 1886 in Napels geboren in een diplomatengezin dat twee jaar later naar Amsterdam werd overgeplaatst. De familie was er niet gelukkig, schrijft Poustochkine in het voorwoord: „Na de blauwe Napolitaanse hemel, nu het slechtste klimaat van Europa, om ons heen klinkt een onbegrijpelijke en afgrijselijke taal, het is onmogelijk vrienden te maken, de stad is allersaaist, zonder enig groen of mooi achterland.” Pavl Poustochkine was nog een peuter die genoot van Artis en wandelingen met Nonoesjka, zijn grootmoeder, in het Vondelpark waar hij over ‘bankjes en heuveltjes’ klauterde.

Vier jaar later, in 1890, werd zijn vader benoemd tot consul in Lvov, het latere Lemberg en het huidige Lviv; toen in het Habsburgse rijk, daarna in Polen, Duitsland, de Sovjet-Unie en nu in Oekraïne. De Russische zomers brachten ze door in royale houten datsja’s op idyllische locaties. Op twaalfjarige leeftijd ging Pavl naar het Keizerlijk Lyceum in St. Petersburg. Hij leek voorbestemd voor een leven als diplomaat die in dienst van de tsaar over de wereld zou reizen. Zijn eerste post was Kreta en daarna volgde in 1913 overplaatsing naar Den Haag. Hier eindigt de honderdvijftig pagina’s tellende inleiding.

Hij heeft hem nog gekend, vertelt Poustochkine onder de toeziende, donkere blik van zijn grootvader op het schilderij aan de wand. Vergeefs zoek ik een gelijkenis. „Ik was acht toen hij in 1958 stierf. Hij woonde met mijn grootmoeder, zijn moeder, schoonmoeder en schoonzuster in de Sweelinckstraat, in een pakhuis vol boeken, Japanse prenten, en schilderijen. Het rook er naar oud papier, er hing een sfeer van nostalgie. Ik herinner me hem zittend aan de eettafel met een plaid over zijn benen. Hij las me voor uit Baron van Münchhausen en Max & Moritz en ik mocht hem helpen met shagjes draaien. Mijn grootmoeder was een lieve mevrouw van stand die er heel trots op was dat mijn grootvader bevriend was geweest met prins Hendrik.” Hij lacht en pakt de foto waar prins Hendrik en zijn opa samen op staan. Onderling spraken zijn grootouders Russisch en Frans, met hem Nederlands en met zijn Nederlandse moeder Duits. Tante Pasja was een zorgzaam type „die met pantoffeltjes achter je aan liep”. Zijn hoogbejaarde overgrootmoeder ontving op haar kamer, kwam alleen op hoogtijdagen naar beneden en heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. „Ik zag haar eens in één teug een groot glas wodka achteroverslaan.” Soms zat er een gezelschap bejaarde Russen in de huiskamer die elkaar voorlazen uit beduimelde emigrantenkrantjes uit Parijs. „‘Ze praten elkaar de depressie in’, zei mijn vader dan schamper. Hij wilde niet in het verleden leven, hij was dol op Amerikaanse jazz.”

Na de dood van zijn grootouders zijn het merendeel van de zeventienduizend boeken en de collectie Japanse prenten verkocht. Kleinzoon Poustochkine had aanvankelijk maar vijf leren banden en wat dozen met brieven in huis. Tot hij begin jaren tachtig in een recensie in NRC Handelsblad las dat journalist en slavist Nico Scheepmaker de memoires van zijn grootvader in bezit had. „Hij wilde er nog altijd iets mee doen, zei hij aan de telefoon. Midden jaren negentig zocht ik zijn weduwe op, de boeken namen een prominente plaats in de huiskamer in. Ik heb de hele collectie teruggekocht.” Eén deel ontbreekt tot zijn spijt, de periode 1918-1919. „Daar ben ik nog naar op zoek.” Wel heeft hij enkele handgeschreven vellen met aantekeningen uit die tijd gevonden. Op 4 juli 1918 noteert zijn grootvader: „Moord op het gezin van de tsaar. Wij geven de krant De Stem van het Vaderland (Golos Rodiny) uit. In Rotterdam bevinden zich vierduizend Russische oorlogsvluchtelingen en burgers.” Die waren veelal ontsnapt uit Duitse krijgsgevangenkampen en hadden hun heil gezocht in het neutrale Nederland. Eerder schreef hij in een brief aan zijn vader: „Een dezer dagen arriveerden wel drie Russische officieren, gevlucht uit Duits krijgsgevangenschap in Krefeld. Hun avonturen grenzen aan een wonder. In vier nachten kropen ze naar de grens, samen met vierentwintig Russische krijgsgevangenen, allen zulke dappere jongens, daar zijn geen woorden voor.”

Vanuit het gezantschap zorgden verschillende hulpcomités voor kleding, geld voor voedsel en huisvesting. De Stem van het Vaderland gaf in het Russisch het laatste nieuws over de oorlog en de nodige praktische informatie over onder meer taalcursussen en beroepsopleidingen in de hout- en metaalbewerking moesten de militairen voorbereiden op hun terugkeer naar het vaderland. Het ‘menselijk strandgoed’ zoals de NRC-verslaggever op 4 juni 1920 de duizenden ballingen uit Oost-Europa in Nederland zou noemen, mocht destijds aan de slag. De meesten werkten in de haven, Russische vrouwen boden zich aan als hulp in de huishouding.

We buigen ons over het blauwrose gemarmerde boek Archives de Paul Poustochkine. 1er Album La Haye 1913-1925. Tussen de talrijke, keurig ingeplakte uitnodigingen en menukaarten bevindt zich ook het programma van een muziekuitvoering op 20 April 1917 in de Stadsschouwburg te Amsterdam ten bate van de Russische oorlogsgewonden. Het programmaboekje is opgeluisterd met een prent van Piet van der Hem van een gewonde, ongeschoren soldaat die uitgeput tegen het Rode Kruis leunt. De avond was een initiatief van het Russische Gezantschap en het Nederlandsch comité voor het Russische Roode Kruis.

Bajonettocratie

Tweede secretaris Poustochkine werd hierbij geassisteerd door zijn secretaresse Valentina Rosanova. Ze was de dochter van priester Alexei Rosanoff van het voormalige Russisch-orthodoxe diplomatenkerkje wiens naam ik bij ieder huwelijk in het trouwregister had zien staan. Zijn kleindochter Tamara Zoethout (1930) in het Belgische Kalmthout heeft haar tante Valentina nog gekend. Ze had haar opleiding op het Institut Imperatrici Marie voor adellijke dames in St. Petersburg genoten. „‘Valja’ was dol op Poustochkine en hij op haar.” Zelf was ze bij oom – ‘djadja’ – Paul en tante ‘Pous’ kind aan huis, vertelt ze aan tafel in haar huiskamer met antiek Russisch servies in de vitrinekast en een icoon in de hoek. „Hij bracht haar altijd naar huis en kwam dan mee naar binnen, we woonden even verderop in de Sweelinckstraat.” Ze laat een vergeelde foto zien van haar tante Valja, omringd door Russische gewonde militairen in een lazaret in Den Haag. „Ze hielp waar ze kon.”

Het einde van de Eerste Wereldoorlog maakte iedere gevluchte Rus in de ogen van de regering-Ruijs-de Beerenbrouck tot een potentiële bolsjewiek die de ‘wereldrevolutie’ zou propageren. De Nederlandse gezant in St. Petersburg, W.J. Oudendijk, had na zijn kritische uitlatingen over de ‘bajonettocratie’ van Lenin het land op 9 november 1918 moeten verlaten. Vanaf dat moment waren de diplomatieke betrekkingen met Rusland gestopt.

Op 18 december 1918 zit Pavl Poustochkine met frisse blik in rokkostuum te midden van het internationale diplomatieke corps aan aan het ‘Diner des Alliés’ in Hotel des Indes. „Treurig”, noemt zijn kleinzoon de op het eerste gezicht zo feestelijke foto. Gezant Bach vertrok naar Washington, ook de rest van het ambassadepersoneel waaierde uit over de wereld. Poustochkine werd eerste secretaris. Na een volgens de officiële bronnen vurig pleidooi voor het behoud van zijn diplomatieke status, werd hij ‘belast met de afwikkeling der zaken van het voormalige Russische gezantschap’. In deel 41 van zijn memoires schrijft Poustochkine dat de ‘alleraardigste’ Beelaerts van Blokland, hoofd Diplomatieke Zaken, hem had verzekerd dat ‘die afwikkeling eeuwig kon duren’.

Het Russische gezantschap bleef intussen trouw aan de strijd van de Witten onder de opeenvolgende generaals Koltsjak, Denikin en Wrangel. Het vluchtelingenprobleem hield Poustochkine en zijn secretaresse Valentina volop bezig. Daags na de Wapenstilstand op 21 november 1918 besloten de Nederlandse autoriteiten de Russen aan de grens terug te sturen. Ze kwamen toch en werden voor hun spoedige uitzetting overgebracht naar interneringskampen in Gaasterland, Harderwijk en ‘de hel van Bergen’, zoals communist David Wijnkoop schreef in de Tribune van 28 november 1918. Hij protesteerde tegen de internering en de slechte behandeling in een land waar ‘men zoo prat gaat op gastvrijheid en het asylrecht.’ Wijnkoop, een van de twee communisten in de Tweede Kamer, was tevens voorzitter van het ‘Sowjet-Komitee voor Russen in Nederland’ en gaf iedere Rus die terugging voor ‘de strijd tegen de Bourgeoisie’ een premie van vijftig gulden. Het Russische gezantschap had tot Wijnkoops woede tijdens de oorlog vluchtelingen naar het Franse front gestuurd, nu beschuldigde hij Poustochkine ervan de Russen in te zetten tegen de Bolsjewieken. Beide partijen vonden elkaar in het protest tegen de inhumane behandeling van de Russische soldaten in de kampen. Wijnkoops motie in de Kamer werd verworpen, maar toen er een jaar later slachtoffers vielen en hij de opvang opnieuw aan de orde stelde, kwam er verbetering in de omstandigheden. Pas in januari 1922 werden de kampen gesloten, de meeste vluchtelingen waren toen al vertrokken.

Het werk op het gezantschap, dat wegens bezuinigingen naar Poustochkines eigen huis verplaatst was, nam af. Toen Frankrijk in 1924 de Sovjet-Unie erkende, stopte zijn uitkering. „Men had mij geliquideerd”, schreef Poustochkine. Hij was met zijn gezin al eerder kleiner gaan wonen en had meubels en schilderijen verkocht. Zijn vrouw kleedde dames uit Haagse kringen naar de laatste Parijse mode, hijzelf wandelde, zat met zijn hoofd in de boeken en schreef.

Tamara Zoethout herinnert zich de crisisjaren uit haar jeugd in Den Haag nog goed: „Tante Valja werkte in een Russisch restaurant in de Lange Houtstraat. Mijn grootvader deed zijn werk in de kerk, gaf Russische les en verhuurde kamers in ons huis, dat een toevluchtsoord werd voor berooide vluchtelingen. Koster Goloebjov, die ook verschillende malen in het trouwregister voorkomt, woonde beneden en ging als fietsenmaker aan de slag.” Haar vader was gedeserteerd uit het Rode Leger en overleefde als een van de weinigen de zeereis naar Rotterdam op een Turks schip waar een dode rat het drinkwater had vergiftigd. „Hij zocht zijn heil bij onze kerk en werd verliefd op mijn moeder.” De hoop op terugkeer leefde toen nog. „Mijn grootvader nam me wel eens op schoot en wees op een foto van Stalin in een Russisch-talige krant. ‘Wie is dat?’ vroeg hij dan. ‘Stalin,’ antwoordde ik.‘En waar gaan we naar toe als hij dood is?’ Ik kon het antwoord dromen: ‘Naar Rusland!’ .”

Boze droom

In een interview met Het Vaderland van 29 maart 1938 ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarige verblijf noemt Poustochkine Nederland ‘ons tweede vaderland’ en voelt hij zich ‘geheel en al thuis’. In zijn memoires hield hij zich niet groot. „Ik moet zeggen dat we in wezen geen Nederlandse vrienden hadden. De relaties met dit land zijn altijd oppervlakkig gebleven en zonder enige diepgang. Het leven was saai en we leefden onder grote druk van ongelukkige gedachten over onze toekomst en de toekomst van het vaderland.”

De honderdachtenvijftig brieven die Poustochkine na de bolsjewistische machtsovername van zijn verwanten ontving, vertellen over neven, nichten, ooms en tantes die zijn gevlucht, vermoord of gestorven van uitputting. Nicht Zjenja Friedrichs woont in een vochtige kamer vol schimmel en heeft honger, schrijft ze op 20 januari 1922 vanuit St. Petersburg: „Ik leef als in een boze droom. Onlangs ben ik op straat bestolen, een enorm verlies. Ik ben aan lager wal geraakt.” Ze klampt zich vast aan haar medicijnenstudie. Haar laatste brief dateert uit 1926, daarna hoort hij niets meer van haar. Oudtante Maria Kamenskaja bericht hoe haar huis in brand is gestoken, haar zilver is verdwenen uit de bankkluis en ze nooit meer iets van haar twee dochters heeft gehoord. Ze vluchtte naar Belgrado en hoewel ze haar hele leven de keuken gemeden heeft, moet ze nu gehaktballetjes draaien voor de kost: „Het lot heeft me uitgelachen.”

Pas in 1942 heeft Nederland de Sovjet-Unie erkend, omdat Stalin bondgenoot was geworden van de geallieerden. De ‘afwikkeling der zaken van het voormalige Russische gezantschap’ was voorbij. In een los document uit 1946 overziet Poustochkine, hij is dan 58, zijn leven. „De gebeurtenissen die het leven van de mensheid diepgaand hebben veranderd, zijn aan mij voorbijgegaan. Ik was niet iemand die het lot heeft willen sturen. (-) Ik was meer geneigd tot het beschouwelijke, tot het genieten van schoonheid in al zijn vormen. Maar zou daarover nauwelijks een gevleugelde uitspraak kunnen doen.”

Kleinzoon Paul Poustochkine: „Hij was een toeschouwer, het is hem overkomen.” Het Sovjetregime had greep gekregen op zijn wereld, op zijn beurt wilde Poustochkine greep krijgen op wat er geweest was en wat daarvan nog restte. Minutieus heeft hij zijn leven en de lotgevallen van zijn familie pogen vast te leggen. Hij was de afgezant van een land dat niet meer bestond, met zijn levenswerk werd hij de chroniqueur van zijn land in exil.

De vertaling van de citaten uit de memoires is van Otto Gooiker.