´Trauma is hier de regel´

Dertig jaar geleden was Eyad el Sarraj de enige psychiater in de Gazastrook. Nu heeft hij 200 mensen in dienst en nog is het werk niet bij te benen. „Ik heb ze gezien, de kinderen die willen sterven voor het vaderland.”

Hij oogt moe, Eyad el Sarraj , Palestijns psychiater en mensenrechtenactivist van het eerste uur. Hij is ook moe. En in verwarring. „Een vriend van me kwam na 23 jaar vrij uit de gevangenis. Toen hij het geweld zag tussen Fatah en Hamas schaamde hij zich diep. Hij vroeg zich vertwijfeld af waarvoor hij gestreden had. Het Palestijnse volk heeft zestig jaar lang een reeks ontberingen doorstaan, van verbanning tot armoede, van bombardementen tot discriminatie, maar is nooit in de valkuil getrapt van elkaar vermoorden. Wat is er met ons gebeurd? Hoe heeft het zover kunnen komen?” Een gesprek over woede, wanhoop en sociale desintegratie.

In 1987 kwam het Palestijnse volk spontaan in opstand tegen de militaire bezetting door Israël. Bij die Eerste Intifada, vertelt El Sarraj, waren veel kinderen en jongeren betrokken. „Gewapend met niet meer dan stenen in hun blote handen tegenover dat machtige Israëlische leger voelden ze zich moreel superieur, deze Children of the Stone.” Hun acties leverden hen een heldenstatus op én een of meer trauma’s, zo bleek uit een onderzoek van El Sarrajs instituut onder drieduizend kinderen. „Ze waren geslagen, hadden traangas in hun gezicht gespoten gekregen, waren getuige geweest van verschillende vormen van geweld, van nachtelijke invallen, of opgepakt en in de gevangenis gezet. Met name één ervaring bleek bijzonder traumatisch. Waneer ze met eigen ogen hadden gezien hoe hun vader hulpeloos en machteloos de vernederingen door Israëlische soldaten, vaak nog tieners, moest ondergaan. De man die geacht werd hen te beschermen bleek niet eens in staat zichzelf te beschermen. Vijfenvijftig procent van de kinderen had dit meegemaakt en deze ervaring liet diepe sporen na. Het vergrootte de afstand tussen hen en hun ouders, voedde de woede en het verlangen naar wraak.”

Dan maakt El Sarraj een sprong in de tijd naar 2000, het jaar waarin Sharon een bezoek bracht aan de Tempelberg en de vlam opnieuw in de pan sloeg. „De stenengooiende kinderen van de Eerste Intifada werden de plegers van zelfmoordaanslagen van de Tweede Intifada. Was de Eerste Intifada in eerste instantie een toonbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid en solidariteit, de Tweede Intifada kenmerkte zich vanaf het begin door chaos en grimmigheid. De Palestijnen vonden dit keer geen soldaten maar tanks tegenover zich. Het aantal begrafenissen steeg recht evenredig met de frustratie. Wereldwijd psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat een niet aflatende stroom van gewapende conflicten, chronische sociale vergiftiging tot gevolg heeft. Mensen worden ongevoeliger, impulsiever en gewelddadiger. Dat gebeurde ook met ons.”

De Palestijnse Autoriteit gooide volgens El Sarraj olie op het vuur met haar beleid van willekeur, nepotisme en vriendjespolitiek. „Hamasstrijders werden gemarteld door mede-Palestijnen, veiligheidsdiensten infiltreerden in families, allemaal elementen die het mogelijk maakte dat de onderlinge haat oplaaide en het geweld zich tegen het eigen volk keerde, tegen leden van een vijandige familie, of een andere politieke partij. De polarisatie nam toe toen Hamas aan de macht kwam, en inmiddels lijken Hamas en Fatah bezig aan een wedloop in wreedheid. Het geweld heeft een graad van onmenselijkheid bereikt die we eerder niet kenden. Mensen worden van een flat geduwd, gewonden in een ziekenhuis worden neergeschoten. Het is te gruwelijk voor woorden wat er gebeurt.”

Een ander gevolg van ‘sociale vergiftiging’ is volgens El Sarraj sociale desintegratie. „De kloof tussen de generaties, ontstaan tijdens de Eerste Intifada, heeft zich verbreed. Kinderen verwerpen de autoriteit van de vader met alle morele waarden die hij belichaamt. Ze zoeken een nieuwe identiteit die verschilt van die van hun kwetsbare ouders. Extreem-islamitische organisaties en bewapende milities spelen in op die behoefte en bieden als een soort substituut-vader de gezochte bescherming en identiteit. Dit verklaart het toenemend aantal jongeren (zesendertig procent van de jongens en zeventien procent van de meisjes) dat bereid is een zelfmoordaanslag te plegen. Ze staan in de rij. Ik heb ze gezien in mijn praktijk, de kinderen die willen sterven voor hun vaderland. Achter elke zelfmoordaanslag zit een persoonlijke tragedie. Misschien is de vraag vandaag de dag niet meer: ‘hoe word je een martelaar’ maar ‘hoe word je het niet’. Mensen zijn niet geboren om de held te spelen, maar een cultuur die doordrenkt is van wanhoop kweekt martelaren. Want er is een alternatief voor dit uitzichtloze aardse leven: het leven dat met de dood begint. Bovendien transformeer je op die manier de nederlaag tot een morele overwinning: ‘De Israëli’s hebben de macht om te doden, wij hebben de macht om te sterven’. Wanneer er in dat gevoel van machteloosheid over het bestaan ineens ook maar een sprankje hoop vonkt, zie je dat het verlangen naar het martelaarschap daalt en het aantal zelfmoordaanslagen drastisch afneemt.”

Eyad el Sarraj is een van de twintig leden van de verzoeningscommissie die is ingesteld om te bemiddelen tussen Hamas en Fatah maar hij breekt zich het hoofd over een oplossing: „De Palestijnen zijn van oudsher een tribaal volk met een traditie die haar oorsprong vindt in de woestijn. Een aspect van die cultuur is de identificatie met de groep. Het individu is daaraan ondergeschikt, kan opgeofferd worden voor de groep. Een ander aspect is wraak. Als jij mij slaat, sla ik jou. Als jij mij probeert te doden, probeer ik jou te doden. En als dat niet lukt, wacht ik tot je kinderen groot genoeg zijn om hen te doden. Destijds een voorwaarde om te kunnen overleven in de woestijn, maar bovendien een verplichting aan de eer, een kernbegrip in de Arabische traditie. Maar diezelfde eer verplicht je vrede te sluiten wanneer de andere partij het hoofd buigt en zijn excuses aanbiedt. Vaak kregen families die zich verzoend hadden een sterke band met elkaar. Ze trouwden onderling en vormden samen een nieuwe stam. Zo ging het eeuwenlang. Maar die weg naar verzoening lijkt nu dood te lopen. Deze keer faalt het systeem, met alle rampzalige gevolgen vandien. Israël en Amerika vinden het al lang best. Zij spinnen garen bij die interne conflicten. Wat de Palestijnen nodig hebben is een Ghandi of een Mandela.”

Na een studie geneeskunde aan de universiteit van Alexandrië in Egypte verdiepte Eyad el Sarraj zich in Engeland in politicologie, psychologie en filosofie. Gegrepen door het raadsel van de geest besloot hij zich te specialiseren in de psychiatrie. Het Mental Hospital in Bethlehem werd zijn eerste standplaats. Hij verbleef beurtelings in Engeland voor vervolgstudies en in de Gazastrook maar vestigde zich na het uitbreken van de Eerste Intifada definitief in Gaza. „De berichten over getraumatiseerde kinderen die mij bereikten waren zo alarmerend dat ik besloot voorgoed terug te keren. Toen ik begon was ik de enige psychiater in de hele Gazastrook. Moet je nagaan, ruim 1 miljoen mensen, voor het overgrote deel getraumatiseerd en geen psychiatrische hulp voorhanden. Ik wist dat ik daar meer nodig was dan waar ook ter wereld. De behoefte aan acute geestelijk hulp was immens.” In 1990 pas zette hij het Gaza Community Mental Health Program op. Hij had slechts een gebouw en wat bedden tot zijn beschikking maar die schaarste werd de sleutel tot een succesvolle formule. „Omdat we nauwelijks middelen hadden was de familie van de patiënt verantwoordelijk voor de lakens en dekens en de dagelijkse verzorging. Hun aanwezigheid bleek bijzonder heilzaam voor het herstel van de patiënt. We hebben van de nood een deugd gemaakt.

„Patiënten meldden zich niet met psychische klachten, maar met zeldzame somatische syndromen als hysterische conversie: op slag blind, verlamd, niet in staat tot spreken. Aan die syndromen lagen angst, depressie en stress ten grondslag. Maar het is moeilijk om onderliggende problemen te verwoorden als er geen gangbare taal voor is en er bovendien een taboe op rust.”

In het begin stuitte El Sarraj op veel weerstand, vooral bij mannen. „Die worden toch verondersteld sterk te zijn. Over problemen zeur je niet. Zelfs al ben je slachtoffer van martelingen. Maar emoties zoeken hun eigen uitlaatklep en dat resulteert vaak in huiselijk geweld. Door te beginnen met de behandeling van de kinderen kwam ik via een omweg bij de mannen uit.”

Inmiddels heeft hij een staf van ruim tweehonderd mensen onder wie tien psychiaters en vijftien studenten in opleiding, maar nog is het werk nauwelijks bij te benen. „Trauma is hier niet de uitzondering maar de regel.”

Vanwege zijn uitgesproken kritiek op mensenrechtenschendingen, zonder aanzien des persoons, is El Sarraj meerdere malen gearresteerd door zowel de Israëli’s als de Palestijnse Autoriteit.

„De laatste keer dat ik opgepakt was door de Palestijnse Autoriteit hoorde ik hoe in een naburige cel een medegevangene aan een verhoor werd onderworpen. Ik kon alleen de ondervrager verstaan. Op een bepaald moment begon hij in het Ivriet tegen de gevangene te schreeuwen. Dat proces, dat de onderdrukte, wanneer hij zelf onderdrukker wordt, zich identificeert met zijn voormalige onderdrukker, vindt momenteel plaats op grote en kleine schaal. Het verklaart ook waarom de Palestijnen de martelmethoden van de Israëli’s hebben overgenomen.”

Deze constatering brengt El Sarraj op een ander punt: „Het zelfbeeld van de Palestijnen verandert doorlopend onder invloed van de conflicten. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 lag het in scherven, na de Eerste Intifada was het hoog evenals na het tekenen van de Oslo-akkoorden, maar toen bleek dat er weinig veranderde, zakte het weer. De machtsovername door Hamas zorgde voor een korte opleving, maar nu is het op een absoluut dieptepunt. Het feit dat de vijand zich niet alleen buiten maar ook binnen de eigen gelederen bevindt, laat mensen in verbijstering en verwarring achter. Ze voelen zich vervreemd van elkaar en van zichzelf. Het onderlinge wantrouwen is groot. Er wordt een hoop gepraat maar weinig gezegd. Velen willen vertrekken maar kunnen niet. Dat gevoel van machteloosheid is desastreus. De onlangs overleden dichter Mahmoud Darwish publiceerde in 1988 het gedicht ‘Fleeting words’ waarin hij zijn hoop en geloof uitsprak dat uiteindelijk de Israëli het land aan de Palestijnen zouden laten. Kort voor zijn dood zei hij tegen me: ‘Ik zag het verkeerd. Niet de Israëli’s zullen de passanten zijn in dit land, maar de Palestijnen’. Het water staat ons aan de lippen. Hoe voorkomen we dat we verdrinken?”