Roem, rijkdom en risico's

Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en overstromen rivieren in Nederland. Grootse plannen om het tij te keren hebben weinig overtuigingskracht. Basalt spreekt meer aan.

Als je een illustratie bij het woord onverzettelijkheid zoekt, moet je op de Hondsbossche Zeewering zijn. De zee bonkt er tegen aan, de golven spatten hoog op en de schuimklodders rollen tegen het talud aan.

De enorme wal van zand, basalt en beton geeft geen krimp.

Toch zijn we bij een van de zwakke schakels van de Nederlandse kustverdediging. In 1421 sloeg de Sint-Elisabethsvloed hier vier kilometer duinen weg, en sinds die tijd is het tobben tussen Petten en Camperduin. Elke keer als men dacht dat er genoeg zand of basalt lag, bleek de zee toch weer sterker te zijn.

Ook nu weer.

Niet dat er op deze stormachtige novemberdag iets van te merken is, maar de zeewering is volgens moderne inzichten te laag.

Vijftien meter hoog, maar toch te laag. Bij een superstorm kunnen de golven er overheen slaan, en uit nieuwe berekeningen blijkt de kracht van de golven die op de dijk beuken veel groter te zijn dan eerder werd gedacht.

Daar komt de stijging van de zeespiegel bij. De afgelopen eeuw is de zee twintig centimeter hoger komen te staan, en volgens de Deltacommissie zal er deze eeuw nog 65 centimeter en misschien wel 1 meter 30 bijkomen.

De Deltacommissie publiceerde twee maanden geleden haar eindrapport. Ze zet uiteen waartoe een flinke overstroming kan leiden: tot maatschappelijke ontwrichting en marginalisering van Nederland. Het internationale bedrijfsleven zal ons land afschrijven en dan is het afgelopen.

Het zou hier kunnen beginnen. Als de Hondsbossche Zeewering het begeeft, of als er een gat wordt geslagen tussen de zeewering en de aangrenzende duinen, komt heel Noord-Holland onder een laag grauw zeewater te staan.

De Nederlander op de Hondsbossche Zeewering huivert en trekt zijn kraag omhoog. Hij wil het best geloven, maar hij ziet het nog niet voor zich. Zou de zee zo hoog gaan?

Ja, vindt het hoogheemraadschap, en daarom moet de zeewering hoger en breder worden. Slecht nieuws voor de Pettenaren die vlak onder de dijk wonen. Misschien moeten hun huizen worden afgebroken. De Pettense dorpsraad heeft zich tegen de plannen gekeerd en riep op tot een boycot van het overleg met het hoogheemraadschap. Maar de bewoners kwamen eind vorige maand toch massaal naar een informatieavond over de zeewering. Niet al die Pettenaren zullen er bij hebben stilgestaan, maar ze schaarden zich in een eerbiedwaardige traditie. Ze lieten zien hoe water en overleg bij elkaar horen als de zee bij het strand.

De Nederlanders hebben altijd met het water geleefd en volgens een redenering die veel aanhangers kent, is het water de bepalende factor geweest bij de vorming van de Nederlandse bestuurlijke traditie, de Nederlandse cultuur en de economie. De ligging aan zee maakte van de Nederlanders onverschrokken koopvaarders die met alle delen van de wereld handel dreven. Amsterdam kwam tot bloei en later werd Rotterdam een van de belangrijkste havens van de wereld. Intussen sloegen op het land de boeren de handen ineen om ervoor te zorgen dat hun land droog bleef. Ze vormden de waterschappen en legden de grondslagen voor wat later het poldermodel zou heten.

Leeghwater en later Lely bedachten hoe je zelfs van diep water land kon maken en de drooglegging van de Hollandse meren, de Haarlemmermeer en grote delen van de Zuiderzee trok internationaal de aandacht. Hetzelfde gold voor de aanleg, in de negentiende eeuw, van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. Tegenwoordig zijn de Nederlandse baggeraars en waterbouwkundig ingenieurs betrokken bij waterstaatkundige projecten in de hele wereld.

Het water heeft Nederland roem, rijkdom en democratie gebracht, maar het leven met water is niet zonder risico’s.

In 1952 jaar waarschuwde een hoofdingenieur van Rijkswaterstaat in een interview met een verslaggever van Elsevier voor een ‘nieuwe Sint-Elisabethsvloed’. Bij zijn superieuren vond hij geen gehoor. Zijn rapporten verdwenen in een la. „Ze willen niet naar me luisteren en beschouwen mij als een Cassandra, als een sombere waarzegger, die de verdrinkingsdood van duizenden mensen aankondigt. Maar het kan gebeuren. Morgen zelfs.”

Het interview werd niet geplaatst, want zo kort na de oorlog was aan zwartkijkers weinig behoefte. Maar dr. ir. Johan van Veen kreeg binnen een jaar gelijk, en de plannen waarmee hij al jaren rondliep vormden de basis voor het Deltaplan en de latere Deltawerken.

Het Deltaplan werd een magisch begrip. Het stond voor een grootscheepse en jarenlange aanpak, voor veel geld en voor politieke onaantastbaarheid. Het waterbeleid was met succes gedepolitiseerd.

Geen wonder dat andere sectoren de term graag adopteerden. Er moest een Deltaplan voor het onderwijs komen, voor de zorg, voor de integratie, en ga zo maar door.

En nu moet er een plan voor hogere dijken komen, voor zandsuppleties voor de Noordzeekust en voor een paar dure waterkeringen. Voor de zekerheid is het woord Delta weer tevoorschijn gehaald. Er is een Deltacommissie gekomen, en de regering komt begin volgend jaar met een Deltawet.

De Deltacommissie heeft uitgerekend dat er voorlopig zo’n anderhalf miljard euro per jaar moet worden uitgetrokken om het noodlot te keren. Betaal het maar met de aardgasbaten, suggereerde de commissie, en beheer het geld in een fonds waar verder niemand aan mag komen.

Zal het D-woord zijn werk weer doen? Dat staat nog niet vast. De strijd tegen het water is de laatste tijd abstracter geworden, dat is een beetje een probleem voor Rijkswaterstaat. De laatste ramp vond al weer 55 jaar geleden plaats. Acht procent van het oppervlak van Nederland overstroomde en er vielen 1.836 doden. In 1995 was er de dreiging van een ramp. De Betuwe werd geëvacueerd, maar de dijken hielden het. Er vielen geen doden of gewonden. In 2003 bezweek er dan toch een dijk, in Wilnis. In sommige delen van dat dorp stond een halve meter water. Dat de dijk niet was bezweken door wassend water maar juist door de extreme droogte van de periode daarvoor, was een tikje verwarrend. De dijk was te licht geworden en weggedreven, zo leerde later onderzoek.

Geen rampen, maar ze passen in een gevaarlijk trend. Hogere waterstanden, superstormen, natte winters, extreem droge zomers, het zijn de gevolgen van de opwarming van de atmosfeer. En die wordt zeer waarschijnlijk weer veroorzaakt door de toegenomen uitstoot van CO2.

Maar over de stijging van de zeespiegel wordt nu volop gedebatteerd en de meest onheilspellende scenario’s van de Deltacommissie worden openlijk in twijfel getrokken.

Dat is het verschil. De eerste Deltacommissie ging binnen drie weken na de ramp van 1953 aan het werk. Het land was nog nat en de slachtoffers waren nog niet geteld. De huidige Deltacommissie is ruim vóór de ramp geïnstalleerd. Hoe die ramp eruitziet, wanneer hij plaatsvindt, óf hij wel plaatsvindt, hoe reëel de dreiging is, het is allemaal betrekkelijk onzeker.

In zo’n situatie is de overtuigingskracht van grootse plannen geringer. Kansberekeningen spreken weinig tot de verbeelding, zeker als ze moeten werken met onzekere aannames. Dan het angstscenario maar? De aanpak van Al Gore? Of voor alle zekerheid de verwachte zeespiegelstijging nog maar met een paar decimeter verhogen, zoals de Deltacommissie deed?

De Nederlanders zijn daar betrekkelijk immuun voor geworden. Water is steeds meer iets wat uit de kraan komt en waarin je kunt zwemmen. Water is in de meest opzienbarende variant zelfs een middel geworden om nieuwe natuur te maken. Het woord ontpoldering heeft zijn intrede gedaan en alleen doorgewinterde Zeeuwen huiveren nog bij het uitspreken van dat woord.

Water is niet iets dat auto’s en mensen wegsleurt en huizen onbewoonbaar maakt.

De slagzin uit 1953: Beurzen open, dijken dicht, werkt niet meer. Er zit dus niets anders op: het wordt een kwestie van voorlichten en uitleggen. De depolitisering van het waterbeleid zal minder gemakkelijk gaan dan de vorige keer. Net als de zorg, het onderwijs en de integratie moet het waterbeleid nu werken met rapporten, met scenario’s en met argumenten.

Maar er is één verschil: de demonstratieve kracht van de waterbouw zelf. Dat is de troef van Rijkswaterstaat. Elke dijk, elk gemaal, elke stormvloedkering, ja zelfs elke vrachtwagen vol met basaltblokken heeft een tastbaarheid die in een land van plannen en rapporten verademend werkt. Hier worden geen programma’s geïmplementeerd, hier wordt met taaie volharding iets groots verricht.

Wat dat is, is vaak duidelijk te zien en als het er is, blijft het voorlopig staan. De strijd tegen het water mag dan abstract zijn, de wapens zeker niet.