Ping an moet even terug naar af

Als je één keer te vaak naar het politiebureau hebt moeten gaan om een weerbarstige tiener op te halen, beginnen de geneugten van een vrije opvoeding te verbleken. Een dergelijk gevoel kan binnenkort neerdalen op de politici in Peking. China heeft een reeks bedrijven, in de publieke en de particuliere sector, uit hun economische malaise moeten redden. Het grootste deel van die bedrijven had geëxperimenteerd met het westerse aandeelhouderskapitalisme.

Neem Ping An. Deze verzekeraar werd toegejuicht als één van de meest succesvolle onafhankelijke Chinese bedrijven, totdat een investering van 2,7 miljard dollar in de Belgische branchegenoot Fortis verkeerd afliep. Toen Fortis vorige maand feitelijk werd genationaliseerd, moest Ping An zijn wonden likken. Nu heeft het bedrijf zich tot de Chinese overheid gewend voor hulp.

Ping An was niet de enige Chinese onderneming die een slecht getimede investering in een westers bedrijf deed. China Investment Corporation (CIC) kocht vorig jaar een belang in Blackstone. En Chinalco, een staatsmijnbouwconcern, kocht 12 procent van het Brits-Australische metaalconcern Rio Tinto. Beide bedrijven deden hun aankoop toen de markt op zijn hoogtepunt was.

Ook westerse financiële vernieuwingen hebben Chinese slachtoffers geëist. Citic Pacific, een in Hong Kong gevestigd conglomeraat, verloor 2 miljard dollar op buitenlandse valutaderivaten die aan het bedrijf waren verkocht door zakenbanken, waardoor het moest worden gered door moederconcern Citic, een Chinees staatsbedrijf. Banken uit Hong Kong moesten grote hoeveelheden ‘mini-obligaties’ terugkopen, die werden gedekt door de failliete zakenbank Lehman Brothers.

Vergeleken met de omvang van China’s balans zijn deze ongelukjes bescheiden. Maar in China zijn het vaak de kleine beleggers die schade oplopen, waarna de staat de rekening mag betalen. Het is nauwelijks verrassend dat politici zich hardop afvragen of zij wel moeten opdraaien voor de onbezonnen capriolen en fantasievolle derivatenconstructies van buitenlandse firma’s. Ping An zal zijn buitenlandse ambities wellicht aan banden moeten leggen in ruil voor de helpende hand van de staat.

Niets van dit alles zal waarschijnlijk een einde maken aan het experiment van Peking met het kapitalisme. Maar dat lijkt nu even minder belangrijk dan het voorkomen van banenverlies en sociale onrust. Tenzij het beleid om iets anders vraagt, zullen bedrijven wellicht worden aangespoord om de blik meer naar binnen te richten – en zelfs particuliere bedrijven zouden minder vrijheid kunnen krijgen om geld te verliezen. Ping An en zijn branchegenoten zullen misschien even geduld moeten oefenen.

John Foley