Omschakelen. Niet stilzitten. Aanpassen

Het Franse stadje Romans staat symbool voor wat zich in veel industriebassins in Frankrijk voltrekt. De globalisering dwingt verandering af. De recessie verhaast het. Het geloof in niches is er grenzeloos.

Schoenen? Vergeet schoenen! In een circustent vol ondernemers en lokale bestuurders zit de werkloze magazijnchef Patrick Chabert (54) gespannen op een plastic stoel. Het is banenmarkt in Romans-sur-Isère, een Frans provinciestadje in de heuvels van de Drôme, tussen Alpen en Centraal Massief.

Of beter gezegd: een stipje op de 45ste breedtegraad van het noordelijk halfrond. Aan de wanden hangen posters en beeldschermen voor powerpointpresentaties die vertellen wat er elders gebeurt op dezelfde breedtegraad, van China tot Noord-Amerika. Voorspellingen over klimaatverandering komen voorbij, nieuwe industrieën, technologische dwarsverbanden tussen werelddelen.

Alsof Patrick Chabert het nog niet doorhad: hij woont tegenwoordig in een grensgebied tussen Provence en wereldeconomie. Straks heeft hij een afspraak met een net afgestudeerde manager ‘sociale relaties’ van uraniumfabriek FBFC, een filiaal in Romans van Areva, Frankrijks mondiaal opererende kernenergiegigant.

Wat gaat Chabert over zichzelf vertellen? Nou, dat hij er zich bij heeft neergelegd dat het gedaan is met de industriële schoenenproductie in Frankrijk. „Ik kan eigenlijk van alles ordenen”, zegt hij. „Echt niet alleen schoenen.”

Romans kan symbool staan voor wat zich tijdens deze economische recessie in tal van Franse industriebassins voltrekt. Anderhalve eeuw lang was Romans de schoenenhoofdstad van Frankrijk. Tot op de dag van vandaag kunnen Fransen opnoemen welke merknamen hier vandaan komen: Charles Jourdan, Stéphane Kélian, Robert Clergerie. Maar nu leiden de bordjes ‘schoenenwijk’ in het centrum naar het ‘schoenenmuseum’. En in schoenpaleis Marques Avenue aan de rand van de stad worden geen schoenen gemaakt maar verkocht – betaalbaar, want made in China.

De laatste tien jaar zijn de laatste schoenfabrieken gesloten – er is nog één vestiging van Robert Clergerie. Die heeft in 2004 een ‘doorstart’ gemaakt voor een nichemarkt van luxeschoenen.

Dat is het lot van meer Franse industriesteden: nu de traditionele industrie het al heeft afgelegd in de mondiale concurrentiestrijd, moet het antwoord op economische tegenspoed ergens anders vandaan komen. „We kunnen ons niet langer beschermen tegen globalisering. We moeten ons aanpassen”, zegt Pierre Clavreuil, de onderprefect die namens de Franse staat de economische omschakeling van Romans begeleidt. Het was zijn ideetje, de breedtegraad te nemen als decor voor de banenmarkt. „We moeten hier doorkrijgen dat we direct verbonden zijn met wat elders gebeurt. Niet stilzitten. Ons aanpassen!”

Pierre Clavreuil geldt als een buitenissig fenomeen in Frankrijk. Prefecten zijn doorgaans wat statige vertegenwoordigers van de centrale overheid die zich met openbare orde, regels van bestuur en veiligheid bezighouden. Clavreuil niet. Hij werd drie jaar geleden de enige bestuurder die door de Franse staat in een stagnerende industrieregio is gestationeerd om werklozen te begeleiden en om de lokale economie meer dynamiek te geven.

Het is wel wennen, zo’n rol voor de overheid. Toen hij in Romans aankwam, waren de mensen teleurgesteld, vertelt Clavreuil. „Ze dachten dat ik een zak overheidsgeld kwam brengen om de instorting van de schoenenindustrie op te vangen. Die had ik niet.”

Clavreuil is eerder een soort openbare turn around manager. Hij moet ervoor zorgen dat de wirwar van lokale instanties één politiek volgt: de aanmoediging van bedrijven die wel groeikansen hebben. Romans ligt met zijn 32.000 inwoners aangeplakt tegen de eeuwige rivaal Bourg de Péage. In de ‘agglomeratie’ wonen 50.000 mensen. „Daar heb je soms de neutraliteit van de staat wel nodig”, zegt Clavreuil.

Maar de omschakeling gaat niet vanzelf. Een van die bedrijven die nog altijd mensen aannemen wordt geleid door Guillaume Blanloeil (36). Op een zachte herfstmiddag ontvangt hij in de fonkelnieuwe hal annex vitrine van de fabriek waarvan hij de directeur is: Saint Jean, producent van verse pasta.

Het helder gele interieur steekt af tegen de donkere fabriekshal aan de overkant van de weg: een lege schoenenfabriek. Geen van zijn 280 werknemers heeft ooit aan de overkant gewerkt, zegt Blanloeil. Ex-werknemers uit de schoenenindustrie solliciteren niet, fronst hij op weg naar de fabriekshal waar verse pasta en kaas worden bereid – bij een temperatuur net boven nul. „Misschien dat ze het bij ons te koud vinden.”

Machines strijken dunne laagjes pasta gelijkmatig over een brei van verse kaas en peterselie. Met regelmatige halen kneden ze vierkante blokjes, net wat kleiner en fijner dan Italiaanse ravioli. Het resultaat scheelt één letter – en een hele wereld: dit zijn ravioles, van oudsher een specialiteit uit Romans en omstreken. Lachend vertelt Blanloeil de omstreden anekdote dat ravioles in 1850 zouden zijn uitgevonden om Italiaanse handelsreizigers tevreden te stellen. „De economie is hier altijd internationaal geweest.”

Maar Saint Jean zoekt het succes niet in de wereldeconomie. Het leeuwendeel van de productie van de twee ravioles-merken Saint Jean en Royans wordt in de omtrek van enkele honderden kilometers rond Romans verkocht. „Consumenten zijn geïnteresseerd in producten die dichtbij huis worden gemaakt”, vertelt Blanloeil. De regioproductie beschouwt hij als een betrekkelijk veilige uithoek in de economie: hier geen buitenlandse concurrentie.

Volgens Blanloeil heeft de neergang van de schoenenindustrie de economische structuur van Romans weerbaarder gemaakt. „Als er vroeger crisis was, stond geen enkel kleiner bedrijf in een andere sector klaar om de klappen op te vangen”, zegt hij. Meer dan voorheen drijft Romans nu op bedrijven die allemaal hun eigen niche hebben. Er zijn gespecialiseerde kunststofproducenten, groene energiebedrijfjes, er is een nucleaire fabriek, voedselindustrie. Blanloeil hoopt dat Saint Jean, dat in handen is van de Franse investeringsmaatschappij Sabeton, in 2009 enkele moeizamer draaiende bedrijven zal kunnen overnemen.

Of hij gehecht is aan de geschiedenis van Romans als schoenenstad? Terwijl hij een deur openrolt waarachter stapels dampende koeienvellen liggen – allemaal Franse beesten – haalt Jean-Luc Couvreur (57) zachtmoedig zijn schouders op. „Niet als daarvan het beeld uitgaat dat Romans alles maar ondergaat en er geen economische dynamiek meer is.” De afgelopen jaren kwamen ministers en journalisten vooral als er weer eens een schoenenfabriek dichtging.

Jean-Luc Couvreur is een overlever. Ruim dertig jaar is hij nu directeur bij Tanneries Roux, een van de oudste leerlooierijen in de regio, opgericht in 1897.

In zijn blauwe stofjas tovert Couvreur zijn kantoortje met een vingerknip om tot het middelpunt van 100 jaar economische geschiedenis. Links achter het raam: een hal, de kleurafdeling van de leerlooierij. Taferelen die, als je door je wimpers kijkt, vooroorlogse industriële ateliers in herinneringen roepen. Machines, lawaai, doordringende leergeur, dribbelende arbeiders. Aan de muur hangt een trotse verklaring dat de Tanneries in goede verstandhouding met de vakbond opereert.

Couvreur draait dia’s af met sleutelcijfers. 25 jaar geleden was 45 procent van de leerproductie bestemd voor de schoenenindustrie. Toen kwam de internationale concurrentie.

Tring! Uit de borstzak van zijn stofjas diept hij een telefoon op die alleen korte zinnen verdraagt. „Hallo? Nee!... Ja! Zeg hem dat ik geen tijd heb!” Die was voor een vertegenwoordiger van de schoenenfabriek. Terug naar zijn powerpoint. Nu is 5 procent van de leerproductie bestemd voor schoenen. Heel luxe schoenen. 85 procent is luxeleer voor topcouturiers, tassen van Vuitton en andere exclusieve afnemers. En hier en daar plukjes leer voor restsectoren, zoals voor luxe automerken. „Wij zijn een kleine leverancier voor grote namen geworden”, lanceert Couvreur zijn favoriete formule.

Met andere woorden: Tanneries Roux is omgeschakeld. Maar het wel heeft moeite gekost, geeft Couvreur toe. In de jaren zeventig verkeerde het bedrijf meermalen op de rand van faillissement. Het was het moment waarop hij het bedrijf binnenkwam. Hij heeft alle dieptepunten meegemaakt, en het zoeken naar de uitweg.

Gezwind loopt hij het kleuratelier binnen waar spaarzame arbeiders grote lappen gekleurd fijn leer uit machines trekken. Hij wijst hier naar de speciale wet blue-tint, voelt daar aan het extra fijne leer. En passant laat hij bij een leerstapeltje de naam vallen van een bekende popster die dit gaat dragen. Niet noteren – „daar houden die mensen niet van”.

In de jaren tachtig probeerde Tanneries Roux fabrieken in China op te zetten, met een lokale partner. „Het was te vroeg”, zegt Couvreur. Hij wijst naar de haken met grote lappen en vertelt over de plannen om een nieuw atelier te bouwen – dwars tegen de trend van economische teruggang in. Nu denken ze anders: vernieuwing moet, maar uitbreiding hoeft niet. Roux is naar volume een verwaarloosbare speler op de wereldmarkt geworden. En met genoegen. Juist specialisatie heeft het bedrijf gered, zegt Couvreur.

In de sector van exclusieve luxe heeft het bedrijf niet meer dan vijf concurrenten. Overal in de wereld komen toeleveranciers van autofabrikanten in de problemen. Maar Tanneries Roux levert alleen het leer voor die ene exclusieve Ferrari „waarvoor altijd afnemers blijven”. De omzet groeide de laatste jaren naar ruim 19 miljoen euro.

Ook Patrick Blésès, een andere routinier in de leersector, heeft zijn geschiedenis in de wereldeconomie. Ooit begon hij bij schoenenfabriek Jourdan, net als werkloze magazijnchef Patrick Chabert. Later belandde hij in de internationale modehandel. Totdat hij vijf jaar geleden genoeg kreeg van de „idiote wereldeconomie” waarin „95 tot 98 procent van wat je verkoopt” uit het Verre Oosten komt. Hij bleef voortaan thuis.

Nu kan zijn Corvette op de oprijlaan van zijn huis in een al wat verouderde nieuwbouwwijk van Romans blijven staan. Even omlopen, duwen tegen de garagedeur en je bent in het hart van een fort tegen de wereldeconomie. Althans, zo beschouwt Blésès het muziekleerbedrijfje dat hij hier een paar jaar geleden is begonnen.

Precies zoals het moet volgens de nieuwe leer: sterk gespecialiseerd en klein. Patrick Blésès doet in lederen gitaarriemen. Sinds enkele jaren een vrijwel verlaten markt, zegt hij, omdat kunststof zoveel goedkoper is. ‘Made in Romans’ stempelt Blésès op al zijn producten. „Mijn manier om een tong uit te steken naar de globalisering”, zegt hij.

Zijn markt is klein. De rebel in het leer heeft vijf vertegenwoordigers, 350 verkooppunten, en dat kunnen er in Frankrijk maximaal 700 worden, schat hij. Maar groter wil Blésès niet worden. Alleen zo kan hij blijven werken zoals hij nu doet: bestellingen worden doorgeplaatst naar thuiswerkers in Romans, vaak voormalige werknemers uit de leer- en schoenenindustrie. Hij betaalt hun stukloon. Extreem flexibel, maar ook een beetje negentiende-eeuws, niet? Zo ziet Blésès het niet. „Ik houd kennis in stand van de bijna verloren leerindustrie”, zegt hij En bovendien is hij, heel modern, „enorm reactief”. Als de economische situatie hem pijn gaat doen, breidt hij zijn aanbod gewoon uit: leren cd-hoesjes, banden voor koperinstrumenten. Het geloof in niches is grenzeloos in Romans.

De economische recessie maakt hem wel ongerust, zegt directeur Jean-Luc Couvreur bij Tanneries Roux. „,Niemand weet waar dit gaat eindigen.” Maar voor het eerst in decennia gelooft hij zo sterk in de weerstand van zijn bedrijf, dat hij deze crisis „misschien wel gezond” durft te noemen. „Als de dolgedraaide financiële wereld een halt wordt toegeroepen, krijgen we misschien weer meer vertrouwen in de ‘reële’ economie – en dat zijn wij zelf.”