Omerta

Wie heeft het proefwerk gepikt? In de klas is zwijgen overleven.

Noordgouwe, 1961. Dorp in de polder van Schouwen-Duiveland. De kleuters van Boer Kik, slager van Baaren en dokter Backer krijgen onderweg naar hun dorpsschooltje een hopje van ouwe Teun. Na school vangen we salamanders met oranje buikjes, verzamelen huisjesslakken en organiseren voor hen plaatselijke hindernisraces. Het zijn dagen waarvan ik me niet meer kan voorstellen dat het dagen als nu waren.

Op een middag bleef de deur van het klaslokaal dicht. Er was iets gebeurd. Iemand had iets gedaan. Paniek veroverde mijn buik. Ik mocht niet naar huis. Wie wist wie ‘het’ had gedaan, moest het zeggen. Tot zolang mochten wij niet opstaan en niet praten. De paniek werd groter, misschien had ik ‘het’ zelf wel gedaan. Ik barstte in snikken uit. Ik wilde naar huis. Mijn tranen hielpen in zoverre dat ik bij juffie De Werd op schoot mocht zitten. Dan stokt de herinnering.

Was dat pedagogiek van de vorige eeuw? Een beginnersfout van juffie De Werd? De juist afgestudeerde pedagoge die ik er naar vraag zou voor dezelfde oplossing kiezen. En nee, vraagstukken als deze zijn in haar opleiding nooit ter sprake gekomen.

Iemand gooit een prop naar je hoofd maar je ziet niet wie. Iemand mailt een scabreus rijmpje over je rond. Wat doe je? Iemand pikt een proefwerk. De telefoon van een leerling lag op tafel en is plots verdwenen.

Je kijkt de klas rond. Dertig defensieve gezichten. Eén van hen heeft het gedaan, zeker vijf van hen weten meer. Wie?

Omerta. Ze kennen het woord niet, maar het principe is ingeboren. Zwijgen is overleven, sociaal gezien. Je houdt een preek over morele plicht. Je wilt dat de dader zichzelf meldt. Wie heeft die telefoon? Zeg het alsjeblieft, desnoods anoniem. Nu is het Sams telefoon, morgen de jouwe. Maar eigenlijk wil je zeggen: beste kinderen, wij hier in onze klas, wij moeten elkaar kunnen vertrouwen. Zo kunnen we niet werken. Als jullie elkaar en mij niet respecteren, dan gaat het niet. Aan die woorden kom je meestal niet toe, vaker voeren ongeduld en frustratie het woord. „Als ik binnen een kwartier niet hoor wie dat proefwerk heeft gepikt dan krijgt iedereen een één. Nee, een nul.” We zetten een fuik en zwemmen er zelf in. Want natuurlijk meldt zich niemand. Wat nu?

Zet jezelf niet klem, heb ik geleerd. Je wordt een gijzelaar van je eigen ultimatum en daarna een zielig figuur. Neem de tijd. En, in het perspectief van de eeuwigheid, kijk eens goed naar die koppies, hoe belangrijk is het dat de waarheid boven tafel komt? Bovendien, als het dan lukt, als ik de toedracht van een incident hoor vertellen, schaam ik me vaak voor mijn eigen interpretatie. Want, geintje of een streek van de zwaartekracht, die telefoon zat in de tas van een meisje zo onverdacht als Nausicaa. En het propje was echt niet voor mij bedoeld. Het proefwerk? Mijnheer, u liet het vallen, het lag naast mijn tafel, ik wilde het echt niet verkopen, ja voor de grap, zou u dat niet hebben gedaan? Ze boden trouwens maar 50 cent.

Ooit hadden we op school een heuse diefjesplaag. Telefoons, portemonnees, iPods. We surveilleerden extra. En warempel, ik greep er één. Een lange dunne jongen die in de pauzes nerveus door de gangen liep, zich van groepje naar groepje begaf, met iedereen dikke maatjes. Ik zag hem een bloemetjestas openen, kijken, geroutineerd iets pakken. Ik hield hem aan, bracht hem bij zijn mentor, wachtte tot de eigenares van de tas terugkwam. Ze miste haar mobiel. Ze was razend. Ze wilde de dader direct zien. We liepen erheen. Ze kende hem. Ze schold hem verrot en gaf hem voor ik haar kon tegenhouden een klinkende tets in zijn gezicht. Snelrecht. Ons recht bestond uit een traject van gesprekken met ouders, begeleiding en ga maar door. Voor het slachtoffer was de zaak toen al afgedaan. Aangifte doen wilde ze niet. Sterker, een paar dagen later liep ze dik gearmd met haar dief over het schoolplein.

En dat rijmpje? Niet alles achterhaal je. Ook onder scholieren is een grijs gebied waar je als leraar nooit iets anders zult vinden dan gezichtsverlies. Opvoeden moet, maar soms is een beetje afstand nemen wijzer dan over het laatste oordeel willen beschikken.

Marijn Backer

De auteur is docent klassieke talen op de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven.