'Na 9/11 was ik bang voor misverstanden'

Zanger Youssou N'Dour was in Amsterdam te gast bij het IDFA. Zijn islamitische CD 'Egypt' was onderwerp van controverse - en van een documentaire.

Op het IDFA (Internationaal Documentaire Filmfestival Amsterdam) ging afgelopen week de documentaire I Bring What I Love in première. In de film volgt regisseur Elizabeth Chai Vasarhelyi de Senegalese zanger Youssou N’Dour in de periode dat hij zijn cd Egypt (2004) uitbracht. Daarop zong popzanger N’Dour voor het eerst religieuze liederen, begeleid door religieuze muziek. In het islamitische Senegal zorgde de cd voor veel ophef.

De film heet 'I Bring What I Love'. Uw volgende cd zal ook zo heten. Vanwaar die titel?

„Die slaat op mijn manier van werken. Ik zing wat ik wil, niet alleen Afrikaans, niet alleen pop. Gewoon alles waar ik van hou. Ik waardeer popmuziek om de manier van liedjesschrijven, om de technische verworvenheden. Maar als ik religieuze muziek wil maken, dan doe ik dat ook, zoals met Egypt.”

Wat was het idee achter ‘Egypt’?

„Het idee ontstond eind jaren negentig. Ik wilde ‘cross-Afrikaanse’ muziek te maken, met zowel Noord-Afrikaanse als West-Afrikaanse en Arabische invloeden. Het onderwerp van de cd zou de soefi-islam zijn, en dan speciaal de verbreiding daarvan door religieuze leiders. Soefi-islam, een mystieke vorm van islam, is het geloof dat door 94% van de Senegalese bevolking wordt beoefend. Dit religieuze thema was nieuw voor me, zowel muzikaal als inhoudelijk.”

Hoe heeft u ‘Egypt’ opgenomen?

„Ik ben naar Egypte gegaan en heb daar gewerkt met andere muzikanten dan anders. Dit waren de muzikanten van het Egyptische Fathy Salama Orkest. Daardoor werd het een akoestisch klinkende plaat, met instrumenten als violen, fluiten, percussie, en de ‘oud’, een Arabische luit.

„Zo was het resultaat inderdaad cross-Afrikaans, want het gebruik van strijkers bijvoorbeeld, is in Senegalese religieuze muziek onbekend. De reden dat ik met een orkest wilde werken is omdat ik groot liefhebber ben van de muziek van Oum Kalsoum, en zij nam ook op met orkesten.”

Wat betekent het oeuvre van Oum Kalsoem voor u?

„Zij was een voorbeeld. Mijn hele leven heb ik naar haar geluisterd. Voordat ik aan Egypt begon heb ik haar muziek bestudeerd en de teksten laten vertalen. Dat was een aangename verrassing. Ik dacht altijd dat Oum Kalsoem religieuze teksten zong, omdat wij er van uit gaan dat het Arabisch daar exclusief voor wordt gebruikt. Maar ik ontdekte dat zij evengoed over de liefde zingt, en andere gevoelens.”

Had u zich voor nummers als ‘Allah’, ‘Touba’ en Shukran Bamba’ gebaseerd op bestaande religieuze teksten?

„Nee, ik heb ze zelf geschreven. De liederen gaan over de mensen die het geloof verbreid hebben. In Senegal wordt de religie vertegenwoordigd door duizenden broederschappen, hun lidmaatschap is erfelijk. Ik zing bijvoorbeeld over Amadou Bamba, een religieuze leider die leefde aan het begin van deze eeuw. Papa Bamba bood weerstand aan het koloniale regime dat de islam wilde terugdringen. Zelf ben ik aangesloten bij zijn broederschap, dat van de Mourida. Ik zing het nummer ‘Shukran Bamba’, als eerbetoon aan hem.”

Wat betekende 9/11 voor uw plaat?

„Oorspronkelijk wilde ik deze cd niet uitbrengen. Het was mijn bedoeling om akoestische liederen te maken voor kleine kring, speciaal voor de ramadan, als moslims niet naar elektrische gitaren mogen luisteren. Maar vrienden en collega’s die de muziek hoorden, overtuigden me dat het voor meer mensen interessant zou zijn.

De opnamen waren in 2001 al afgerond. Toen gebeurden de aanslagen van 9/11 in New York, en ik besefte dat ik mijn cd niet kon uitbrengen. Doordat islam het onderwerp was, zou het zeker voor misverstanden en discussies zorgen. Ik besloot te wachten. In 2004 kwam Egypt alsnog uit.”

Hoe werd de cd in Senegal ontvangen?

„Men was geschokt. Omdat dit niet het soort muziek was dat het publiek van mij gewend was, en omdat het ook als religieuze muziek heel anders is dan men in Senegal gewend is. En een deel van de bevolking was verontwaardigd dat ik mij er als popzanger aan waagde. De radio weigerden reclame-spotjes voor Egypt uit te zenden, marktkooplui wilden de cassettes niet verkopen. In de kranten stonden berichten dat ik de islam schade toebracht. Mensen dachten dat ik de religie als pop had verpakt. Maar bijna niemand had naar Egypt geluisterd, ze hadden het alleen van horen zeggen.”

De nazaten van Amadou Bamba wilden u aanklagen...

„Er ontstond onrust toen ik een videoclip wilde opnemen in de moskee in Touba, de heilige stad. De mensen gingen er van uit dat het een gebruikelijke clip zou worden, met dansende vrouwen en harde drums. Op die manier zou ik de moskee ontheiligen, dachten ze. Maar dat was mijn bedoeling natuurlijk niet.”

Hoe reageerde de rest van de wereld op ‘Egypt’?

„Verrassend goed. Omdat het in Wolof is, kunnen de meesten de teksten niet verstaan. Maar ik merkte dat de mensen reageren op de schoonheid van de muziek, alsof de spirituele betekenis via de klank toch doordrong. In 2006 kreeg ik in Amerika een Grammy voor ‘Egypt’, in de categorie ‘beste eigentijdse wereldmuziek’.”

Zoals te zien in de documentaire, betekent die Amerikaanse erkenning een keerpunt. Youssou N’Dour is de eerste Afrikaanse artiest die de prijs krijgt. Hij wordt ontvangen door president Abdoulaye Wade en veroorzaakt massale demonstraties van blijdschap op straat. Daarna brengt hij Egypt opnieuw uit in Senegal, met toevoeging van een extra nummer, Mohammed, dat hij zingt met de beroemde religieuze zanger Moustapha M’Baye. Egypt krijgt alsnog bijval van het thuisfront.

Is ‘Egypt’ nu een afgesloten hoofdstuk voor u?

„Ik heb uitgebreid getoerd met een orkest om de cd als geheel uit te voeren. Dat was een grote onderneming, die ik alleen nog voor speciale gelegenheden zal uitvoeren. Ik maak nu weer liedjes in mijn vertrouwde stijl, maar Egypt zal altijd zijn invloed op me houden als een dierbaar project.”

U snijdt sociale onderwerpen aan in uw liedjes. Is dat altijd vanzelfsprekend voor u geweest?

„Ja, want ik kom uit een familie van 'griots', van moeders kant. De griots hadden een belangrijke functie in de Afrikaanse samenleving. Ze zijn de verhalenvertellers. Ze zijn grappig, maar hebben ook de taak om te informeren. Ze vertellen hoe de zaken ervoor staan. Toen mijn moeder met mijn vader trouwde heeft ze zich aan de griot-levensstijl onttrokken. Zelf heb ik me later weer in verdiept en het belang gevoeld van ‘informerende’ teksten. Maar omdat ik voor de helft ‘niet-griot’ ben, sta ik ook open voor andere onderwerpen.”

Behalve zanger bent u woordvoerder, u onderhandelt over hulpmaatregelen, in de senaat in Washington, spreekt voor de Verenigde Naties. Hoe ziet uw agenda er uit?

„Vol, ik ben altijd onderweg. Ik probeer mijn twee taken zo goed mogelijk te combineren. Als ik in New York ben voor concerten, zorg ik dat ik ook een afspraak heb bij de VN om bepaalde onderwerpen onder de aandacht te brengen. Tijdens concerten praat ik niet zoveel over politiek, volgens mij komen mensen niet naar mij luisteren voor gepreek.”

Wat is uw droom voor Afrika?

„Ik hoop op een verenigd Afrika.”

Zijn er vorderingen in die richting?

,,Wel in de harten van de mensen. Maar de politieke leiders kunnen de verschillen tussen de culturen nog niet overbruggen. Ze willen wel, maar ze kunnen het niet. Ik benadruk altijd de waarde en de rijkdom van al die verschillende culturen en religies, maar zij zien het uitsluitend als obstakel.”

In de film zegt u dat de maatschappelijke rol van muziek verandert. Wat bedoelde u daarmee?

„Ik denk dat de grenzen tussen de verschillende soorten muziek vervagen, zoals die tussen religieuze muziek en popmuziek. Andere muzikanten maken nu ook probleemloos die combinatie.

„Dat zag je al aan de samenwerking tussen mij en Moustapha M’Baye, die we zullen voortzetten. Volgens jaar gaat Moustapha M’Baye met mij mee op tournee, ook naar Amerika. De religieuze zanger en de popzanger, samen op het podium.”

Dus dat heeft u voor elkaar gekregen?

Ja.”

Een revolutie?

,,Geen revolutie.” N’Dour lacht. „Een evolutie, was het.”

De documentaire I Bring What I Love is in januari te zien in de Nederlandse bioscopen.