Minireuzenmiereneter

In de Amsterdamse dierentuin Artis is een reuzenmiereneter geboren. Het komt niet veel voor dat reuzenmiereneters in gevangenschap jonkies krijgen – die dus eigenlijk minireuzenmiereneters moeten heten – want niet veel dierentuinen willen deze dieren hebben. Ze zijn namelijk nogal chagrijnig, en het zijn lastige eters bovendien.

En ze zien er ook niet uit, zeg nu zelf. De reuzenmiereneter heeft voorpoten als van een gorilla met gemene klauwen eraan, zijn achterpoten lijken op die van een bruine beer en hij heeft een vogelkop. Zijn staart lijkt wel een boomtak.

Dat neemt niet weg dat de minireuzenmiereneter een lief beestje is. Hij heeft zich lekker verstopt in de vacht van zijn moeder. De verzorgers weten niet of het een jongetje of een meisje is. Dat gaan ze uitzoeken als het diertje van de schrik bekomen is.

In de natuur, in Zuid-Amerika waar ze wonen, pakken al die gekke onderdelen heel handig uit. Zo kunnen ze met die voorpoten termietenheuvels openbreken. En met die gekke kop kunnen ze dan in korte tijd duizenden termieten opslorpen. Dat doen ze door hun zestig centimeter lange, kleverige tong tussen de brokstukken van het termietennest te steken. In de tijd dat je het woord ‘reuzenmiereneter’ kan zeggen, heeft het dier al vijf keer zijn tong uitgestoken en in zijn mond gestopt.

In de dierentuin eten de miereneters geen mieren of termieten, want die zijn lastig te kweken. In plaats daarvan krijgen ze een prut van kwark, honing, hondenbrokken, kiwi’s, eieren, graan en garnalen. In Artis moeten ze dus eigenlijk reuzenpruteter heten.