Laat gepensioneerden de crisis betalen

In 1957 kwam de Algemene Ouderdomswet tot stand. Voortaan was iedere 65-plusser die vijftig jaar in Nederland had gewoond, verzekerd van ‘staatspensioen’. Aanvankelijk was de uitkering uitgesproken karig. Maar binnen zestien jaar werd zij stapsgewijs opgetrokken tot de hoogte van het nettominimumloon. Logisch dus, dat de AOW nog altijd goed is voor bijna de helft van het totale inkomen van de senioren. Hun inkomens zijn echter scheef verdeeld. Een aanzienlijke groep moet zien rond te komen van vrijwel uitsluitend AOW. Anderzijds zitten heel wat ouderen er warmpjes bij. In de loop van hun leven hebben zij vermogen gevormd door te sparen, terwijl zij slapend rijk werden door de aanzienlijke waardestijging van hun eigen huis. Sommigen zijn nog steeds als ondernemer actief. Winst en inkomsten uit vermogen – inclusief de belaste waarde van het genot van de eigen woning – zijn goed voor eenzevende van het totale inkomen van de 65-plussers. Daarnaast zijn pensioenuitkeringen in de afgelopen twintig jaar voor bejaarden een steeds belangrijker inkomstenbron geworden.

Het Nederlandse pensioenstelsel geniet internationaal faam door de belangrijke rol van de ondernemings- en overheidspensioenen, die de AOW-uitkering van gewezen werknemers en ambtenaren aanvullen. Voor deze aanvullende pensioenen ligt bij de pensioenfondsen een kapitaal van bijna 700 miljard euro opgetast. Die spaarpot blijkt kwetsbaar bij een wereldwijde crash van aandelen en van door bedrijven uitgegeven schuldbewijzen (obligaties). Inmiddels zit ruwweg de helft van de pensioenfondsen in de gevarenzone, omdat de aanwezige middelen niet langer voldoende zijn om de opgebouwde aanspraken van gepensioneerden en nog actieve deelnemers te garanderen.

Dat valt de fondsbesturen nauwelijks te verwijten. In het algemeen geldt: hoe riskanter een belegging is, hoe hoger het rendement dat de belegger kan behalen. Het hogere rendement beloont de belegger voor het grotere risico dat hij loopt om zijn geld kwijt te raken. Net zoals elke belegger zoeken de beheerders van pensioenfondsen naar een optimale combinatie van rendement en risico. De ineenstorting van de beurskoersen heeft alle beleggers nog eens nadrukkelijk aan die risicofactor herinnerd. Dus zien pensioenbestuurders zich momenteel gesteld voor een prangende vraag. In de afgelopen twintig jaar is het belang van aandelen in de beleggingsmix sterk toegenomen, tot meer dan de helft van de beheerde portefeuilles. Dit vanuit de aanname dat aandelen op de lange termijn beter renderen dan risicoarme leningen aan de Staat. Doen pensioenfondsen er na het debacle op de beurzen echter niet beter aan meer middelen te beleggen in vrijwel risicoloze, door de overheid gegarandeerde leningen?

Zo’n gewijzigde beleggingsstrategie heeft wel twee consequenties. Ten eerste loopt het fonds een groter inflatierisico. Loopt de inflatie op, dan worden leningen immers afgelost met door de geldontwaarding uitgeholde euro’s. Aandelen kennen dit risico niet. Ten tweede zal het belegde vermogen hoogst waarschijnlijk minder renderen, wanneer een fonds zijn geld in veilige staatsobligaties stopt. Doordat het belegde vermogen van een fonds dat uit aandelen stapt minder snel aanwast, moet het de premies fors verhogen om de bestaande aanspraken van de deelnemers te kunnen waarborgen.

De bestuurders van veel pensioenfondsen moeten momenteel toch al beslissen over de vraag of en met hoeveel zij de premie zullen verhogen. Nadat een dekkingstekort is geconstateerd, eist de toezichthoudende Nederlandsche Bank maatregelen om dit weg te werken. Dit kan door de premies te verhogen, of door de uitkeringen aan gepensioneerden te bevriezen. Premies worden betaald door werkgevers en werknemers. Hogere premies voor rekening van de werkgevers maken arbeid duurder, wat banen kost. Hogere premies voor de werknemers hollen hun koopkracht uit. Hebben gezinnen minder te besteden, dan raakt de economie nog dieper in recessie.

Gezien deze ongewenste gevolgen dienen bestuurders van fondsen met een dekkingstekort de premie niet te verhogen. Hun enige alternatief is de uitkeringen van de gepensioneerden te bevriezen, zowel in 2009 als mogelijk ook in 2010. Bijna iedereen neemt klakkeloos aan dat zijn of haar pensioen mee groeit met de prijzen dan wel de lonen. Volgens de meeste pensioenreglementen is deze ‘indexatie’ echter een voorwaardelijk recht. Het bestuur van het pensioenfonds kan de indexatie dus schrappen. Dit kost de gepensioneerden uiteraard koopkracht. Zij stellen vaak dat hierdoor de lasten van de crisis eenzijdig op de schouders van de senioren worden gelegd. Dit is een groot misverstand. Bijna alle werknemers hebben tegenwoordig een pensioen op basis van middelloon. Daarbij hangt de toekomstige uitkering af van wat zij in het verleden hebben verdiend. Blijft indexatie achterwege, dan wordt ook deze pensioengrondslag van de werkenden niet aangepast aan de stijging van lonen of prijzen. Zonder indexatie lijden dus zowel gepensioneerden als actieve werknemers schade. Wel voorziet tweederde van de pensioenregelingen in inhaalindexatie, als de dekkingsgraad van het fonds voldoende is bijgespijkerd.

Door niet te indexeren, dragen alle belanghebbenden bij het pensioenfonds bij aan het herstel van de vermogenspositie. Het achterwege laten van premieverhoging maakt onze economie sterker. Daarvan profiteren in de toekomst jong en oud.