Klinkt aardig, maar zonder evaluaties is zo'n selectie onmogelijk

Met dank aan evaluaties is aan de universiteiten veel dor hout weggekapt. Maar het evalueren gaat door, wegens het gebrek aan geld. Is dat echt zo erg? Nee. Wetenschap draait om reputatie en voor reputatie moet nu eenmaal gepresteerd worden.

Prof.dr. Anthony F.J. van Raan is oprichter en directeur van het Centre for Science and Technology Studies aan de Universiteit Leiden. Hij is auteur van onder meer het Handbook of Quantitative Studies of Science and Technology. Van Raan ontving in 1995 de Derek de Solla Price Award, de hoogste internationale onderscheiding voor kwantitatief wetenschapsonderzoek.

Vanaf de jaren zestig is het hoger onderwijs in alle ontwikkelde landen in omvang sterk toegenomen. De gevestigde universiteiten groeiden in studentenaantallen als kool, vele nieuwe instellingen van hoger onderwijs ontstonden.

Met het studentenaantal groeide ook de omvang van het wetenschappelijke personeel. De financiering van het hoger onderwijs was immers grotendeels aan studentenaantallen gekoppeld. Dat personeel kon een aanzienlijk deel van de tijd aan onderzoek besteden en zo groeide ook de omvang van de academische wetenschapsbeoefening in rap tempo. Heel wat knappe koppen kregen de gelegenheid om mooi, nieuw wetenschappelijk onderzoek te doen. Knappe koppen die vroeger nooit de gelegenheid zouden hebben gehad zich aan de wetenschapsbeoefening te wijden. Maar de keerzijde was natuurlijk dat ook veel geld aan lieden besteed werd die wetenschappelijk niet geweldig presteerden.

Vroeg of laat kon dit niet meer zo doorgaan. Er moest voor dat vele geld rekenschap afgelegd worden aan de belastingbetaler. Spoedig groeiden ook de bomen niet meer tot in de hemel en werd het steeds duidelijker dat het geld zoveel mogelijk aan de beste, de meest veelbelovende onderzoekers ten goede diende te komen.

Het evaluatietijdperk is vanaf omstreeks 1980 langzaam maar gestaag begonnen op te komen. En men mag tevreden zijn over de resultaten. Er is aan de universiteiten veel dor hout gekapt – slecht onderzoek komt, zeker aan de Nederlandse universiteiten, niet of nauwelijks meer voor, en dat geldt voor alle disciplines. De belastingbetaler mag best trots zijn op onze universiteiten.

Maar de teruggang van de middelen zet verder door. En zo wordt het onvermijdelijk dat ook de goede onderzoekers steeds meer met elkaar in competitie gaan om het schaarser wordende geld. Het evalueren kan dus niet meer ophouden. Eerst bedoeld om dor hout te kappen, nu bedoeld om een steeds sterkere competitie gaande te houden.

Jazeker, degenen die de geldpotten bewaken, de beleidmakers, vinden dit wel interessant, het geeft macht. En zij die aan evaluatie onderworpen worden, de onderzoekers, zullen hun best doen om de belangrijkste parameters in de evaluatie te manipuleren.

Ik kan dus best begrijpen dat Osterloh en Frey hier een ziekelijke ontwikkeling zien, die ze evaluïtis noemen. Helaas ondersteunen ze hun betoog met allerlei zaken die nogal overdreven worden. Opkloppen van aantallen publicaties en citatiekartels komen wel voor, maar niet in die mate als gesuggereerd wordt. Baanbrekend onderzoek dat vele jaren nodig heeft om erkend te worden komt voor maar het is een zeldzaam verschijnsel.

Osterloh en Frey stellen dat het evalueren een proces geworden is dat wetenschapsbeoefenaren permanent moeten ondergaan. Een voortdurende kwelling als het ware.

Is het echt zo erg? Nee. Want wat is veelal de praktijk? Min of meer gebruikelijk is een grondige evaluatie van het wetenschappelijk presteren van een heel instituut één keer in de vijf jaar. Nou, dat zou tijd worden. Tussendoor zijn er allerlei kleinere evaluaties die, inderdaad, het gevoel van een zekere permanente beoordeling geven. Dat zijn zaken zoals de beoordeling van een projectvoorstel om meer geld binnen te halen, de beoordeling van het manuscript dat naar een goed tijdschrift is gestuurd, beoordeling voor een bevordering, enzovoorts.

Al jaar en dag is dit binnen de wetenschappelijke wereld volstrekt normale praktijk. Sterker nog, die diversiteit in evaluaties wordt door de wetenschapsbeoefenaar zeer gewaardeerd. Stel je voor dat artikelen zonder enige kwaliteitscontrole geaccepteerd worden voor publicatie – daar gaat de wetenschap echt niet mee vooruit.

Wetenschap draait om reputatie en voor reputatie moet gepresteerd worden. Dat geldt net zo goed voor topsporters. Overal waar topprestaties geleverd worden, wordt welhaast automatisch permanent geëvalueerd.

Osterloh en Frey hebben vooral problemen met evaluaties, omdat ze zelf twijfelen aan het nemen van adequate beleidsmaatregelen. Moeten slecht beoordeelde instituten minder middelen ter beschikking krijgen, of juist meer, zodat ze hun kwaliteit kunnen verbeteren? Moeten positief beoordeelde instituten juist minder middelen krijgen, omdat ze toch al succesvol zijn? Deze redeneringen stammen uit de jaren zeventig. We zouden nu beter moeten weten. Prestaties in het recente verleden zijn nog altijd de beste voorspeller voor de naast toekomst. Het is dus verstandiger om verder te investeren in hoge kwaliteit.

Osterloh en Frey zien als oplossing een strenge selectie bij de aanstelling van wetenschappelijk personeel. Daarna moet je deze geselecteerde wetenschappers met rust laten.

Daar ben ik het mee eens. Er zijn ook steeds meer universiteiten die posities creëren waar topwetenschappers gekoesterd worden.

Maar dat kan alleen voor de echte top. Het lijkt erop dat Osterloh en Frey bij dit sympathieke voorstel helemaal vergeten dat om tot deze strenge selectie te kunnen komen, eerst de toepassing van alle bovengenoemde evaluatieprocessen binnen de wetenschapsbeoefening nodig is.