In Beeld

‘Lieve allemaal, we hebben het hier hééérlijk. We komen niet meer terug! Verrukkelijk land (en eten!), aardige mensen... Nu lieverds, tropische xxx & knufs...’

Die ansicht gaat nog aankomen. Wrang om dat te veronderstellen? Nee, zo gaat dat. Maar deze foto komt eerder aan. Naamlozen voor de rest van de wereld, feilloos herkend door hun dierbaren. Daar liggen ze.

Het brein gaat onmiddellijk reconstrueren. Als de wiedeweerga terug naar vóór het onheil. Wat deden ze, vlak ervoor? Stonden ze, liepen ze? Horen ze bij elkaar? Waar is hun gezelschap? Niet alleen willen we precies weten hoe het gegaan is, het gaat veel verder, we willen het alsnog voorkomen. We willen kunnen denken: als ze dit of dat niet hadden gedaan dan waren ze de dans ontsprongen. Of: ze deden zus of zo en dat is ze fataal geworden. We willen een verklaring, een excuus, een verzwarende omstandigheid. Vinden we die niet, dan had dit ons net zo goed kunnen gebeuren. Die gedachte stellen wij niet op prijs.

Heeft zij de stoel van zich geworpen op het fatale moment? Of zat ze erin? De kogelgaten in de leuning bevinden zich op dezelfde hoogte als de wond in haar zij. Een paar centimeter naar achteren en de kogel was op de stoelbuis afgeketst. „Wat hebt u een geluk gehad, mevrouw!”

Ze had pech. Ze is overeind gekomen, heeft de tafel geschampt, trok net niet het bord mee, en viel. Vlak naast haar tas. Of klampte ze die tegen zich aan? De vrouwenreflex: alles, maar niet mijn tas!

En hij? Heeft hij gemorst of geplast? Heeft hij het tenminste leuk gehad, tot het laatste toe, met die fles naast zich? Zij trouwens vast ook, het terras kijkt uit over water.

Dat gaat de troost zijn als de ansicht eenmaal is aangekomen.

Elke strohalm is er één.