Ik kreeg ruzie, maar een ander sloeg

Wie staat er voor de rechter en waarom? Soms is een rechter ineens erg geïnteresseerd in een verdachte. Zeker als die grafstenen ontwerpt.

Zijn verschijning doet wat ouderwets aan. Jasje, hoedje, blonde kuif. Hip ouderwets. Je ziet Arne-Christiaan, hij is nog net geen dertig, niet vechtend over straat gaan. Toch werd hij aangewezen als dader, door de jongen die voor café Meander in Amsterdam een oplawaai kreeg. Een misverstand, zegt Arne-Christiaan tegen de rechter. Hij kreeg de ruzie wel, maar hij heeft hem niet uitgevochten. Dat deed een ander voor hem.

De ruzie ging om een fiets die op de grond lag, de fiets van Arne-Christiaans vriendin. Zij werd erop aangesproken door een groepje jongens, en Arne-Christiaan nam het voor haar op. Net voordat het tot vechten kwam, vluchtte hij met zijn vriendin het café weer binnen en vertelde zijn vrienden aan de bar wat er buiten gaande was. Zij waren best bereid om eventjes buiten te gaan kijken wat er loos was, een paar onbekende mannen kwam erachter aan. Ze hadden, zegt Arne-Christiaan, wel zin in een robbertje vechten op de zaterdagavond. En een van die vrijwilligers deelde de dreun uit.

Er is een getuige. De advocaat van Arne-Christiaan laat hem binnenroepen. Burberry-regenjas, donkerblauw pak, brilletje. De rechter neemt hem de belofte af. Naam, geboortedatum, beroep. Raoul, 30, jurist. Hij was aanwezig in het café waar verdachte was. Hij liep ook mee naar buiten om te zien wat er gaande was. Hij zag dat een onbekende man de aangever met vlakke hand in het gelaat sloeg. En hij kan wel verklaren dat het niet verdachte was die sloeg.

Geen speld tussen te krijgen. Toch wel. U spreekt zo mooi over ‘verdachte’, zegt de officier van justitie tegen Raoul. „Maar hij is een vriend van u toch?” Inderdaad. Een vriend. Al sinds de middelbare school. De officier weet nog wat. Of hij even het identiteitsbewijs mag zien van de getuige. De rechter schrikt op, onaangenaam verrast. Moet dat nou? Ja, dat moet, zegt de officier. Hij heeft zo vaak trammelant met getuigen. Het blijft lange seconden stil. Ik vind het maar akelig, zegt de rechter. Onnodig ook. Maar de officier krijgt zijn zin.

Erg veel bewijs is er niet tegen Arne-Christiaan. Of het moet zijn dat hij een jaar geleden negentig uur taakstraf kreeg voor een vechtpartij in Paradiso. Was precies hetzelfde verhaal, zegt Arne-Christiaan. „Ik kreeg de ruzie. Grote jongens namen het ongevraagd voor me op, en ik kreeg de schuld.”

De officier acht mishandeling niet bewezen. Hij weet niet zeker of Arne-Christiaan of een ander de klap heeft gegeven. Dus vraagt hij vrijspraak. De advocaat stemt in, de rechter heeft het laatste woord. Hij zit nog verdiept in het dossier van Arne-Christaan. U importeert kaas? Inderdaad, Russische truffelkaas. „Werkelijk?” En mag hij dan ook vragen wat Arne-Christiaan ontwerpt. Jazeker, grafstenen. „Grafstenen?” Ik kan u er alles over vertellen, zegt Arne-Christiaan. Nou graag, antwoordt de rechter. „Maar niet dan nadat ik u heb vrijgesproken: U bent vrijgesproken.”

Die grafstenen, zegt Arne-Christiaan zijn gemaakt van granito – u weet wel, waar aanrechten van zijn gemaakt. Hij heeft anders wel een foto. „Nou graag.”

Aandachtig buigt de rechter zich over de mobiele telefoon van Arne-Christiaan, hij staat voorovergebogen aan de tafel van de rechter en scrolt door zijn digitale fotogalerij. Wil de officier ook even kijken? Nee, zegt die alsof hem gevraagd wordt azijn te drinken. Nee, bedankt. Nou, zucht de rechter als Arne-Christiaan de zaal verlaat, dat was werkelijk prachtig. Wat een grafstenen.