Het recht van boze burgers

De volkswoede van 1672 was niet geregisseerd door de prins van Oranje. Burgers eisten uit eigen beweging goed bestuur.

In de zomer van 1672 wankelde de Nederlandse Republiek. Vanuit het oosten vielen de legers van Frankrijk, Munster en Keulen het land binnen en op de Noordzee naderde een Britse oorlogsvloot. In de steden van Holland en Zeeland liepen burgers te hoop tegen de regenten en in Den Haag werd een politieke moord gepleegd. Over dit Rampjaar vertelden generaties schoolmeesters: het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.

Vooraanstaande Nederlandse historici als P.C.A. Geyl en D.J. Roorda schreven dat Willem III, Prins van Oranje, aan het langste eind trok doordat hij de volksmassa behendig bespeelde en opzette tegen de regenten. Dit denkbeeld van het volk als willoos werktuig van de prins wordt nu bestreden. Donderdag promoveerde historicus Michel Reinders aan de Erasmus Universiteit op het proefschrift Printed Pandemonium – The Power of the Public and Popular Political Publications in the Early Modern Dutch Republic.

Reinders analyseerde de ongekende hoeveelheid politieke pamfletten die in 1672 in omloop werd gebracht. Behalve propaganda van hogerhand waren er ook veel ‘gedrukte rekesten’.

Dit was iets nieuws. De schrijvers richtten zich niet tot de overheid, maar rechtstreeks tot een anoniem publiek. En daarmee tastten ze het gezag van die overheid aan. Deze rekesten, schrijft Reinders, verwoordden de aspiraties van een autonome burgerbeweging. Het volk was, kortom, helemaal niet willoos en ook niet redeloos.

GEPEUPEL

“Het oproer in de steden is vaak afgeschilderd als woede-uitbarsting van een amorfe massa”, zegt de promovendus. “Met termen als ‘grauw’ en ‘gepeupel’ ontsloegen historici zich van de taak uit te leggen wie dit nu eigenlijk waren en waarom ze deden wat ze deden. Ik heb een groot aantal oproeren in 1672 bekeken en zag dat burgers er overal een hoofdrol in speelden. Zij vonden dat de regenten hun plicht hadden verzaakt om het land te verdedigen en dat ze de Prins van Oranje ten onrechte buiten de politiek hadden gehouden.”

In de zeventiende eeuw waren ‘burghers’ stedelingen met rechten en privileges in hun woonplaats. Zij betaalden belasting en hadden een vast adres. Het waren vooral zelfstandige handwerkslieden, georganiseerd in gilden, maar ook reders en kooplui. Het ‘volk’ in bredere zin, vaak vreemdelingen, zwoegde op de werven, in de werkplaatsen en op de schepen of trok bedelend rond, en speelde geen rol in de politiek.

Reinders: “Alle burgers samen vormden een politieke gemeenschap, de ‘gemeente’. De zeventiende-eeuwse Nederlandse politiek was een contract tussen overheid en burgers. Beide partijen hadden rechten en plichten. Een burgerplicht was deelname aan de schutterijen of burgerwachten. Wie aan alle burgerplichten voldeed, was lid van de gemeente en mocht ook eisen stellen aan de vroedschap (stadsbestuur).”

De regenten zijn vaak afgeschilderd als een kaste van superrijken. Reinders nuanceert dit: “Ruim gedefinieerd is een regent een burger met een politiek ambt. Kapitaal was, naast ‘aanzien’ en bekwaamheid, een voorwaarde voor het bekleden van zo’n ambt. Wie arm was, kon immers gemakkelijk worden omgekocht. Toch hebben veel van de rijkste families van de Republiek zich nooit ingelaten met politiek.”

Sinds de dagen van Maurits en Van Oldenbarnevelt bestond er een politieke tegenstelling tussen de regenten, vertegenwoordigd in de gewestelijke Staten en de Staten-Generaal, en de Oranjes, die als stadhouder vooral een militaire en diplomatieke rol vervulden. Na de dood van Willem II in 1650 was er geen stadhouder meer benoemd en werd de Republiek geleid door raadpensionaris Johan de Witt. Prinsenzoon Willem werd opgevoed als ‘kind van staat’.

De burgerrevolte begon medio juni 1672. Een Frans leger onder leiding van Lodewijk XIV bezette Doetinchem, veroverde de IJsselsteden en rukte op naar Utrecht. Het leger van de Republiek trok zich terug, de dijken werden doorgestoken en een brede strook water tussen Zuiderzee en Lek scheidde de Fransen van de vesting Holland. Tot grote woede van de burgers in Holland en Zeeland stuurden de Staten-Generaal een afgevaardigde met vergaande concessies naar het Franse kamp.

Reinders: “Het lag niet alleen aan de regenten dat de landsverdediging faalde. Enkele provincies, zoals Zeeland, weigerden eraan mee te betalen zolang Holland de prins niet benoemde tot opperbevelhebber. Wel zijn hier en daar jonge jongens commandeur geworden en werd er bij de aanstelling van ambtenaren in het algemeen te weinig gekeken naar bekwaamheid.”

KAPITEIN-GENERAAL

Op 4 juli werd Willem iii verheven tot stadhouder van Holland en op 8 juli stelden de Staten-Generaal hem aan als Kapitein- en Admiraal-Generaal. Reinders: “Dit was het gevolg van krachtige druk van onderaf. In alle pamfletten van de maanden juni en juli stond dat Willem stadhouder moest worden. Burgers verwachtten dat hij Engeland kon bewegen zich terug te trekken uit de oorlog. Karel ii was immers zijn oom. Ook dachten zij dat Willem hun rechten en privileges beter zou beschermen dan de regenten. Wat Willem zelf voor ogen stond, is minder duidelijk; hij blijft een wat geheimzinnige figuur. Wel staat vast dat hij de soevereiniteit voor zichzelf wilde opeisen. Met burgers had hij niet zoveel op. Maar hij kon hen niet negeren, want daarvoor had hij onvoldoende macht

Op 20 augustus werden voor de Gevangenpoort in Den Haag Johan en Cornelis de Witt vermoord door een woedende menigte, waaronder leden van de burgerwacht. Reinders noemt dit ‘een waterscheiding in de Nederlandse geschiedenis’. “Daar liet de beweging zien waartoe ze in staat was. De moordenaars waren burgers, niet ‘het grauw’. Dit was niet het werk van een opgehitste, redeloze massa, maar een bewuste politieke afrekening. Ik ben ervan overtuigd dat ook de mensen die de lijken van de De Witts uit elkaar hebben getrokken en voor een deel geconsumeerd, die de vingers hebben afgesneden en verkocht, burgers waren. Hoe gruwelijk de moord ook was, hij was en bleef een wapen in handen van de burgerbeweging.”

Na de moord scheidden de wegen van de burgerbeweging en de Oranjefactie. “De orangisten stelden eind augustus voor om Willem tot soevereine graaf van Holland te benoemen; dan zou hij min of meer monarch worden. Daar waren de burgers het volstrekt niet mee eens. Ze reageerden furieus en kwamen met een hele rits eigen eisen, de tweede petitiegolf. Oranje kwam toen op bijna geen enkel lijstje meer voor.”

ZUIVERINGEN

In de loop van september en oktober werden in een groot aantal stedelijke vroedschappen zuiveringen doorgevoerd. Reinders: “De burgerbeweging en Willem wilden dit allebei, maar ze hadden daar heel verschillende ideeën over. De prins probeerde mensen in de stadsbesturen op te nemen die hem goed gezind waren. Maar burgers in die steden kwamen met eigen kandidatenlijsten. Als Willem ergens een bestuurder had aangesteld van wie de burgers zeiden: ‘als die in de buurt van het stadhuis komt, breken we allebei zijn benen’, werd die fluks vervangen.”

Toch was de positie van de prins versterkt door de troebelen van 1672. Reinders: “Hij wist gunstige vredesverdragen te sluiten met ’s lands vijanden. Er is wel gezegd dat de burgers toen op een zijspoor zijn gezet en dat er een periode volgde van achterkamertjespolitiek. Ik heb gekeken naar de pamfletten tot 1688 en ik heb een heel andere indruk. Elke keer als het mis dreigde te gaan, waren daar weer die burgers met hun gedrukte petities – dé innovatie van 1672. Die verwezen steevast naar De Moord en maakten zo duidelijk wat er kon gebeuren als het ontbrak aan goed bestuur. Zij waren geen democraten in de moderne zin van het woord. Van gelijke rechten voor iedereen en algemene verkiezingen repten zij niet, maar in 1672 hadden ze wel degelijk een stap in die richting gezet.”