Europa verliest voorbeeldrol

In Poznan wordt vanaf maandag gepraat over een nieuw klimaatverdrag. De EU-landen hebben in dit debat een voortrekkersrol, maar dan moeten ze het wel onderling eens zijn.

Het gaat natuurlijk over het klimaat. Maar voor Europa gaat het óók over geloofwaardigheid. Maandag begint in het Poolse Poznan een grote klimaatconferentie. Vertegenwoordigers uit 190 landen zullen proberen de basis te leggen voor een nieuw internationaal klimaatverdrag, als opvolger van het Kyoto-protocol dat in 2012 afloopt.

In Brussel en in andere hoofdsteden wordt intussen ook druk onderhandeld over Europese klimaatplannen. Europa wil graag het goede voorbeeld geven aan de rest van de wereld. In de plannen die in Europa voorliggen is geregeld hoe de lidstaten 20 procent minder CO2 kunnen uitstoten in 2020, ten opzichte van ijkjaar 1990. Als alles goed gaat, bereiken de regeringsleiders daarover een akkoord tijdens een EU-top in Brussel op 11 en 12 december.

De onderhandelingen in Brussel en Poznan zijn niet los van elkaar te zien. Ze eindigen ongeveer gelijktijdig. En de EU heeft al beloofd niet 20 maar 30 procent minder CO2 te zullen produceren, áls de rest van de wereld meedoet.

De Europese onderhandelingen kunnen ook van invloed zijn op de internationale besprekingen: geen akkoord in de EU is een negatief signaal voor de rest van de wereld. Als 27 landen die redelijk tot zeer welvarend zijn het niet eens kunnen worden, hoe geloofwaardig is dan de EU? En hoe moeten 190 landen die veel meer van elkaar verschillen het dan eens worden?

Bovendien zijn de basisvragen in Poznan en in Brussel dezelfde. Wie doet wat? Doen de rijke landen meer dan de armere? En vooral: wie betaalt wat?

De plannen van de EU zijn ambitieus. Milieuorganisaties waren positief toen ze begin dit jaar gepresenteerd werden. Ook andere landen in de wereld beloven nu vergaande CO2-reducties. Barack Obama, de toekomstige president van de VS, heeft het over een vermindering van 80 procent in 2050. Maar de EU is verder, want concreter. In de Europese plannen is sprake van wettelijk vastgelegde doelstellingen en boeteclausules.

Maar grote Europese plannen worden wel vaak afgezwakt. Zo was er een vergaand voorstel voor het testen van chemische stoffen waar mensen dagelijks mee in aanraking komen. De milieulobby was enthousiast. De chemische industrie vond het onaanvaardbaar. Het plan werd daarna zo afgezwakt dat de rollen omgedraaid werden. Dat gebeurde ook met de ‘dienstenrichtlijn’, die het makkelijker moest maken voor bedrijven om diensten aan te bieden in andere lidstaten. De vakbonden, eerst fel tegen, stonden uiteindelijk bijna te juichen.

Deze keer moest het anders gaan. De Europese Commissie, die de klimaatplannen heeft uitgewerkt, overlegde vóór de presentatie afgelopen januari uitvoerig met landen. Commissie-voorzitter Barroso ging langs bij regeringsleiders om af te tasten wat acceptabel was. De pijn werd zo veel mogelijk verdeeld, in de hoop dat de plannen overeind zouden blijven.

Tot nu toe is dat aardig gelukt. De doelstellingen – 20 procent minder CO2-uitstoot in 2020, 20 procent duurzame energie, 20 procent energiebesparing – staan nauwelijks ter discussie. Al probeerde de Italiaanse premier Berlusconi onlangs nog wel aan te sturen op uitstel van de plannen, die hij te duur vindt (deze week dreigde Stefania Prestiacomo, de Italiaanse minister van Milieu, opnieuw met een veto). Maar onder diplomaten in Brussel is er niet al te veel bezorgdheid over de Italianen. Die draaien wel bij, denken ze. Veel meer zorgen zijn er over de Polen, die het hardst zeggen wat ook leiders van andere nieuwe lidstaten denken. Ze vinden dat de rijke, oude lidstaten meer moeten betalen. En zij minder.

Maar de landen van het voormalige Oostblok zijn al ontzien. De doelstelling van 20 procent energie uit duurzame bronnen (zon, water, wind, biomassa) geldt niet voor alle landen. Sommige landen doen meer, andere minder. Daarbij is gekeken naar wat een land kan. Polen moet 15 procent energie uit duurzame bronnen zien te halen. Zweden wel 49 procent.

Er zijn ook nationale doelstellingen voor de CO2-uitstoot van belangrijke sectoren (landbouw, de bouw, afvalverwerking, vervoer). Daarbij is er rekening mee gehouden dat de economische ontwikkeling in de nieuwe lidstaten achterloopt. Nederland krijgt bijvoorbeeld een vermindering opgelegd van 16 procent, terwijl Polen nog 14 procent méér mag uitstoten in die sectoren.

Toch is het nog lang niet zeker dat de plannen ongeschonden blijven. De discussie gaat vooral over de energiesector en de industrie. Die moeten gaan betalen om CO2 uit te mogen stoten, door het kopen van ‘emissierechten’. Nu krijgen ze die nog grotendeels gratis.

Het veilen van emissierechten is volgens deskundigen de beste manier om CO2 te reduceren op de plek waar dat het voordeligst kan. Maar waarschijnlijk zal een deel ervan straks toch gratis worden uitgedeeld. Veel landen willen bedrijven ontzien die opereren op de wereldmarkt. Vooral de rijkere landen willen dat, want die hebben veel van dat soort bedrijven.

Polen eist dat de energiebedrijven hun rechten grotendeels gratis krijgen. Meer dan negentig procent van de stroom in het land wordt opgewekt met kolen en daar komt veel CO2 bij vrij. De Poolse regering schermt met onderzoeken waaruit zou blijken dat de elektriciteitsprijs in het land met honderd procent of meer zal stijgen als gevolg van de Europese plannen. Maar er circuleren ook rapporten die dat tegenspreken.

„Iedereen komt nu nog even snel met een rapportje”, zegt een diplomaat. „Een mooi stempel erop van een of ander instituut is belangrijker dan de inhoud.” Want tijd om goed naar de inhoud te kijken is er nog nauwelijks. Het gaat er nu niet om wie gelijk heeft, maar wie gelijk krijgt.

Er is haast. De EU heeft gekozen voor een ongebruikelijke, snelle besluitvormingsprocedure. Vertegenwoordigers van de lidstaten, Europese Commissie en het Europees Parlement zijn ook al met elkaar aan het onderhandelen. Nog voordat regeringsleiders het eens zijn en nog voordat het parlement zich in zijn geheel heeft uitgesproken over de plannen. Zo moet het mogelijk zijn de besluitvorming af te ronden voordat er volgend jaar in Kopenhagen definitief zal worden besloten over een nieuw internationaal klimaatverdrag. Als de EU het nu niet eens wordt, dan wordt mogelijk teruggevallen op de gebruikelijke, veel tragere besluitvormingsprocedure.

Mikolaj Dowgielewicz, de Poolse minister van Europese Zaken, is niet optimistisch. „De welvarende landen bewegen geen centimeter”, zegt hij. De Polen hebben een reputatie van harde onderhandelaars. EU-voorzitter Frankrijk zou al gedreigd hebben voor het einde van het jaar nóg een top te organiseren als er op 12 december geen akkoord is. Dowgielewicz, die ooit voor de Commissie werkte, heeft het al gehoord. „Met kerstmis is het heel mooi in Brussel.”

Meeste broeikasgassen in energiesector