Voor bijna alles bang geweest

Voor de Nederlandse voetballers had het WK in Argentinië veel van een mislukt schoolreisje in een vijandige omgeving. De Argentijnen komen na 30 jaar de Dwaze Moeders onder ogen.

Iwan van Duren en Marcel Rözer: Voetbal in een vuile oorlog. WK Argentinië 1978. De Buitenspelers, 440 blz. € 39,90

De twaalfde man is aan de kleine kant. Hij komt tot de ribben van Johan Neeskens tijdens het Wilhelmus voor aanvang van Nederland-Iran. Hij staat keurig in de houding, alleen een identiteitspas om zijn nek verraadt dat de aanwezigheid van deze jongen geen deel uitmaakt van het protocol. Voor hem in het gras ligt een wit zonnehoedje van het merk Adidas.

Vijf dagen later heeft de jongen het hoedje op, als hij, weer naast Neeskens, aan de bar zit van een pizzeria in Menzoza. Hij volgt de blik van de stervoetballer die met een strak, intens chagrijnig gezicht in de verte kijkt. Het kind heet Manolo en komt uit Portrerillos, waar Oranje in de eerste weken van het WK 1978 verblijft. Portrerillos is een even beeldschoon als van god en iedereen (behalve militairen) verlaten bergdorp. De Spaans sprekende Barcelonaspeler Neeskens werpt zich op als beschermheer van het jongetje, dat hem wekenlang volgt als een schaduw.

Manolo is maar een bijfiguur in Voetbal in een vuile oorlog, het deze week verschenen boek van Iwan van Duren en Marcel Rözer over Nederland en het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië (1978). Want hij symboliseert de twee verhalen waar het in dit grote, met honderden foto’s geïllustreerde boek om draait.

In de eerste plaats staat Manolo symbool voor het ‘grote’ verhaal van de misdaden van het regime-Videla, zoals alle Argentijnen die rond 1970 werden geboren dat doen. Zij zijn de kinderen van wie de ouders verdwenen. De associatie wordt in het boek nog versterkt doordat je Manolo steeds rondom Neeskens ziet drentelen, alsof hij geen vader heeft – in werkelijkheid was hij overigens de zoon van de tuinman van het hotel.

Douchewater

Manolo symboliseert ook het kleine verhaal, dat van de doodongelukkige spelers van het Nederlands elftal in Portrerillos. Hij is zo ongeveer het enige menselijke dat de voetballers er aantreffen, of het enige waar ze zich mee kunnen verbinden. Verder valt alles tegen: het is er koud, het zwembad is leeg, de kamers zijn klein, het douchewater is bruin, de kamermeisjes zijn in de vijftig en om zes uur ’s morgens balkt de plaatselijke ezel de spelers wakker. De mensen zijn er geen vrolijke latino’s, maar bergbewoners met dikke jassen aan. Het eerste café is anderhalf uur rijden, de telefoon werkt slechts bij vlagen, de alom ter beveiliging aanwezige militairen werken op de zenuwen en de een na de andere speler valt ten prooi aan heimwee. René van de Kerkhof wordt door de teamarts volgestopt met slaappillen om te voorkomen dat hij de benen neemt: ‘René ligt inmiddels naast zijn half gepakte koffer met open mond te slapen, op zijn kin groeit een stoppelbaardje.’

Het ‘kleine verhaal’ over het Nederlands elftal is het onderhoudendste en beste deel van het boek. De aanpak van Rözer en Van Duren (archiefonderzoek en veel interviews) lijkt sterk op die van Auke Kok in diens Oranje-boeken 1974 en 1988, al is Kok beter. Van Duren en Rözer zijn minder on the ball: ze laten vaker zaken in het midden, durven minder te analyseren en missen de sociologische blik van Kok. Inhoudelijk overlapt het boek deels met Meindert van der Kaays De vuile oorlog uit 1998, een titel die opmerkelijk genoeg ontbreekt in de literatuuropgave.

Voetbal in een vuile oorlog blijft op het niveau van de anekdote, al rijst er uit die anekdotes wel degelijk een beeld op. Een ontluisterend beeld. Rözer en Van Duren laten zien hoe intens amateuristisch iedereen te werk ging. Vanaf de eerste kwalificatie-interland leek helemaal niemand zin te hebben in het toernooi. Bondscoach Zwartkruis werd zo ongeveer per wedstrijd aangesteld en wílde ook eigenlijk geen trainer van het Nederland elftal zijn omdat dat hem zijn pensioen als militair zou kunnen kosten. Uiteindelijk kreeg hij Ernst Happel als supervisor boven zich, een man die zich nauwelijks voor de klus leek te interesseren.

De selectie kwam improviserenderwijs tot stand, waarbij Happel bijvoorbeeld Rinus Israel wilde selecteren zonder te weten dat IJzeren Rinus inmiddels was afgezakt tot PEC Zwolle. De parade van afmeldingen was indrukwekkend: Cruijff wegens zijn familie, Van Hanegem wegens kritiek van Happel, Van der Kuijlen, Van Beveren en Geels wegens pesterijen van Ajaxspelers, Jan Peters wegens een vage blessure en Kees Kist wegens zijn sportzaak. Dick Nanninga kwam een dag later naar het trainingskamp omdat hij zijn bloemenzaak kort voor moederdag niet kon verlaten. Johnny Dusbaba kwam zonder duidelijke reden niet opdagen, naar verluidt omdat hij een documentaire over de militaire dictatuur had gezien.

Het maakt Dusbaba tot een grote uitzondering. Want het opmerkelijkste aan Voetbal in een vuile oorlog is toch hoe goed de Nederlanders in staat zijn zich af te sluiten voor het grote verhaal: de situatie in Argentinië. Daarmee komen we ook bij de vraag waar het in het boek van Rözer en Van Duren om draait: wat wisten de Nederlanders precies van het regime, in hoeverre trokken zij er zich iets van aan?

Tot een alomvattend antwoord komen de auteurs niet, maar het beeld dat ze schetsen van de Nederlandse voetbalwereld is dat van een ontluisterende naïviteit. Daarbij gaat het niet eens zozeer om de twintigers op het veld – al weigerde Hans Jorritsma in het voorjaar van 1978 de zilveren medaille van het WK hockey in Argentinië – maar vooral om de KNVB-officials, die weinig zin hadden om verder te kijken dan hun neus lang was. Daarin overigens hartelijk gesteund door de Nederlandse ambassadeur in Buenos Aires, die meende dat de militairen het uitstekend deden. Het beeld voegt zich zonder problemen in het cliché van de naïeve Hollander die op 10 mei 1940 tot zijn stomme verbazing constateert dat Hitler de rijksgrenzen niet respecteert.

Menotti

Voor de Argentijnen is de herinnering aan het WK nog steeds pijnlijk: veel spelers van de wereldkampioen weten ook dertig jaar na dato niet goed wat ze van het toernooi moeten denken: ze werden wereldkampioen, werden door het hele land bejubeld, maar waren óók een propaganda- instrument van het regime. Pas dit jaar kwam het tot een herdenking van het WK met spelers én nabestaanden, en nog altijd wilde maar een handvol voetballers de Dwaze Moeders onder ogen komen. Veelzeggend voor de dubbelhartige positie is het interview in het boek met de ooit communistische Argentijnse bondscoach Cesar Luis Menotti, die zich nog altijd verdedigt met het argument dat de aanvallende, anarchistische en creatieve speelwijze van het team in diepste wezen ‘links’ was.

De curieuze visie van Menotti is tekenend voor de complexiteit van de verhouding tussen het grote en het kleine verhaal over dit wereldkampioenschap. Toch is er een punt waar die twee bij elkaar komen en dat is de onophoudelijke angst die de Nederlanders in hun greep heeft. De protesten tegen de deelname van het Nederlands elftal, de actie Bloed aan de Paal (van Neerlands Hoop), de zijdeur waardoor men Schiphol binnen moest om naar Argentinië te kunnen – het had geen gevolgen voor de morele of politieke stellingname van de spelers, waarschijnlijk voelden ze zich alleen maar in de steek gelaten. Wat zich intussen wel in hun hoofden vastzetten was angst. Voor de militairen, voor de supporters, voor de wetenschap dat Argentinië een gevaarlijk land was.

Het verklaart deels de dramatische en fatalistische sfeer in Portrerillos. Angst is ook een verklaring voor het uitgesproken harde spel van Nederland in de finale: het was tijd om zich te verdedigen. Argentijnse spelers – die bij verlies wel meer van de massa te vrezen hadden gehad – reageren in het boek verbaasd: veel bijzonders was er voor hen niet aan de hand.

Angst is de directe verklaring voor de afwezigheid van de Nederlanders bij het banket na de finale in Buenos Aires: men durfde eenvoudigweg de straat niet meer op, zoals men zich ook in het stadion al ernstig bedreigd had gevoeld. Het verklaart tenslotte de hysterische terugvlucht, waarbij een uitgelaten Oranjeploeg binnen de kortste keren het hele vliegtuig had leeggedronken en zingend, dansend en vechtend door het gangpad ging. Ze waren ontsnapt aan een land waar men nog steeds het fijne niet van wist of wilde van weten, een land van feestende fanatici waar men geen vrienden had gemaakt. Nu ja, op één na misschien.