Van Zweden: rake klappen in gespannen 'Vijfde' Sjostakovitsj

Klassiek Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 27/11 Concertgebouw A’dam. Herh.: 30/11, aldaar.

Een prestigeklus – dat was gisteravond het eerste concert van het Concertgebouworkest sinds dat door de internationale muziekpers werd verkozen tot beste orkest ter wereld. De eer viel te beurt aan oud-concertmeester Jaap van Zweden, die daarmee pas zijn tweede volwaardige concertprogramma bij het orkest leidde en wijselijk voorging in dezelfde Vijfde van Sjostakovitsj als hij vorige maand al ‘proefspeelde’ met zijn eigen Filharmonie Antwerpen.

Opmerkelijk genoeg was het verschil tussen beide uitvoeringen hemelsbreed. Met De Filharmonie bracht Van Zweden toen een contrastrijke maar nog weinig enerverende Sjostakovitsj. De herinnering daaraan werd geheel weggewist door de veel zenuwtergender uitbarstingen gisteravond. Naast langademige strijkers, ook opvallend in een dreigend-ronkende inzet van het Scherzo , is het uitbundige verassingselement Van Zwedens grote fort. Zó verontrustend en overdonderend vol vet machts- en krachtsvertoon klonk hier het slotdeel, dat je je niet kon voorstellen dat deze Vijfde ooit gold als keurige Sovjetkunst.

Voor het eerst sinds de vele Johan Wagenaar-uitvoeringen onder Chailly, klonk een kloeke uitvoering van diens Straussiaans-heroïsche Cyrano de Bergerac (1905), door Van Zweden geserveerd met Amerikaanse decibellen. De strijkersmelodie die de liefde illustreert, klonk pralend en stralend.

Dat Van Zweden als dirigent de voordelen van zijn strijkersachtergrond vol benut, bleek ook in Mozarts Hoboconcert in C. Ook daar kwam de begeleidende sprankelkracht in belangrijke mate van de zorgvuldige strijkersfraseringen.

Solist Alexei Ogrintchouk is als eerste hoboïst van het orkest altijd al een solopersoonlijkheid pur sang. Hij benutte die reputatie nu in een gemaximaliseerd virtuoze en expressieve invulling van de solopartij. Gedoseerd vibrato, soepele octaafsprongen; Ogrintchouks techniek kent nauwelijks grenzen. Vaak was zijn spel zo bezwerend en woest fysiek dat je voor zijn voeten vergeefs tuurde naar een slang in een mandje.