Tussen cultuurrelativisme en culturalisme

De PvdA kiest nu ook voor een harde bejegening van migranten.

Maar tussen die uitersten valt het meest te winnen.

Het aftreden van Ella Vogelaar en de deze week verschenen fractienota De vrijblijvende aanpak voorbij hebben opnieuw duidelijk gemaakt hoe diep de PvdA verdeeld is over de multiculturele samenleving. Wat is de beste weg naar integratie? De verdeeldheid hierover reikt tot ver voorbij de partij van de onfortuinlijke minister; zij doorsnijdt de hele samenleving. Sinds Paul Scheffer in januari 2000 het ‘multiculturele drama’ afkondigde, lijkt Nederland niet meer goed te weten hoe om te gaan met culturele pluriformiteit. Het verzuilingsrecept dat inspireerde tot het minderhedenbeleid van de jaren 1980 is bijgezet in het museum, maar de zoektocht naar een alternatieve formule is nog steeds niet ten einde.

Onlangs verschenen drie boeken die deze zoektocht nieuwe inspiratie willen geven, vanuit sterk verschillende perspectieven. In Het bange Nederland vragen Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan zich af waarom Nederland in het afgelopen decennium ‘de luiken heeft dichtgegooid’ en zich van de rest van de wereld probeert te isoleren uit angst voor ongewenste beïnvloeding. Dit ‘closing of the Dutch mind’ heeft volgens de auteurs geleid tot een heropleving van nationalisme en een poging tot herstel van de waardenhiërarchie van de burgerlijke samenleving.

Duyvendak c.s. zien de angst op drie fronten aangewakkerd worden: angst voor de culturele overheersing door buitenlanders, met name moslims, fundamentalisten en terroristen; angst voor het gevaar van binnenuit – de vijfde colonne van kosmopolieten en fundamentalisten, samengevat onder de noemer ‘de linkse kerk’ – en angst voor economische gevaren als buitenlandse beleggers en de ‘grote graaiers’. De elite heeft zich door deze drie bedreigingen gek laten maken, en is vervolgens ‘op drift geraakt’ en gaan meedeinen op golven van populisme.

Het behoeft nauwelijks betoog dat de auteurs dit diep betreuren. De elite had zich veel nadrukkelijker teweer moeten stellen tegen nationalistische reacties en ‘het volk’ effectiever moeten overtuigen van de zegeningen van de mondialisering, waarvan de drie genoemde ontwikkelingen natuurlijke uitingsvormen zijn.

Het essay is, zoals de drie zelf ook zeggen, overduidelijk geboren uit frustratie over de geborneerde toon van het openbare debat van de laatste jaren. Maar bovenal is het een hartenkreet, waaruit verbazing spreekt over de intellectuele en politieke verlamming. Waarom hebben zij zich niet krachtiger teweer gesteld tegen alle onzin van afgelopen jaren?

Een hartenkreet, zo lijken de auteurs te denken, behoeft een minder deugdelijke onderbouwing dan een wetenschappelijke verhandeling. Jammer, want het is goed dat er ook eens een krachtig kosmopolitisch geluid doorklinkt in het debat. Dit vlot geschreven essay zou echter aan overtuigingskracht hebben gewonnen als de auteurs de geborneerde kleinburgerlijkheid die zij signaleren met wat meer bewijsvoering en ook met iets meer nuance te lijf waren gegaan. Het boek is ongetwijfeld voltooid voordat de kredietcrisis uitbrak. Zouden zij ook nu nog van mening zijn dat onvoorwaardelijk financieel-economisch kosmopolitisme onder alle omstandigheden te verkiezen is boven het verdedigen van het nationale belang?

Een heel ander geluid laat de Vlaamse publicist Wim van Rooy horen, in zijn juist zeer doorwrochte magnum opus De malaise van de multiculturaliteit. Net als Duyvendak c.s. kiest ook hij de kleiner wordende wereld als uitgangspunt van zijn boek. Maar de angst voor het vreemde en onbekende die hiervan het gevolg is, vindt hij alleszins begrijpelijk. Die angst vertaalt zich ook volgens Van Rooy in aanzwellende kritiek op het multiculturalisme, op de verzorgingsstaat die allochtonen te veel in de watten zou leggen en hen daardoor in de praktijk ook marginaliseert, en op de islam, die slecht met Europese waarden valt te rijmen. De ‘multiculturalisten’ onderschatten deze gevaren en hun naïviteit maakt hen tot een gevaar voor de samenleving. Ook NRC Handelsblad moet het ontgelden, want dat is ‘een beschermer van het cultuurrelativisme’.

Volgens Van Rooij is de essentie van grote wereldculturen zo verschillend dat zij zich niet laten vermengen, maar elkaar blijvend uitsluiten. Hij lijkt hier culturen en cultuurdragers op één lijn te stellen: culturen zijn zeker niet onveranderlijk, maar zij zijn wel constanter dan individuele dragers van die culturen. Als dat laatste niet zo was, zouden migranten nooit in een nieuwe samenleving kunnen integreren en dat is in strijd met de empirie.

Bij nader inzien blijkt Van Rooy zijn standpunt te ‘nuanceren’: sommige culturen blijken gemakkelijker met elkaar te combineren dan andere. De islam laat zich volgens hem echter niet combineren met westerse waarden, vooral omdat zij geen Verlichting heeft gekend. Naarmate het boek vordert, lijkt Van Rooy radicaler te worden in zijn standpunten. Spreekt hij aanvankelijk prijzend over Paul Scheffer, die ‘de kunst verstaat te laveren tussen de struisvogels van links en de conservatieven van rechts’, tegen het eind van het boek helt hij over naar het ‘Verlichtingsfundamentalisme’ en zet hij zich steeds radicaler af tegen de islam. Niet verwonderlijk is dan ook dat het boek eindigt met een ode aan Ayaan Hirsi Ali. Deze ‘grote dame’, inmiddels verguisd door ‘de elite van het Westen’, ‘bezit een grandezza en een tristesse die ons stil en bescheiden maken’.

Tussen de twee perspectieven van Duyvendak c.s. en Van Rooy is ruimte voor een redelijk geluid, gebaseerd op een degelijke analyse van wat er nu werkelijk aan de hand is in het multiculturele Nederland en zijn wijde omgeving. Die analyse biedt Sjoerd de Jong in Een wereld van verschil. Hij stelt terecht dat het debat over ‘etnische minderheden’ en integratie in Nederland lang gedomineerd werd door een vergaande vorm van cultuurrelativisme. De nieuwkomers werd het recht gegund op behoud van hun eigenheid, maar daardoor belandden zij in een sterker sociaal isolement dan wellicht nodig was. Het cultuurrelativisme dat ten grondslag lag aan het minderhedenbeleid van de jaren tachtig ging zo zeer uit van de gelijkwaardigheid van culturen dat steeds meer autochtone Nederlanders het gevoel bekroop dat ook de Nederlandse cultuur werd ‘weggerelativeerd’. Paradoxaal genoeg, stelt De Jong, is cultuurrelativisme volgens de critici zowel een bedreiging van de status quo (omdat ze die wegrelativeert) als een bevestiging ervan (omdat iedereen geacht wordt zich naar de normen van zijn eigen cultuur te gedragen).

Pim Fortuyn wist de ontstane onvrede te kanaliseren door een opmerkelijke mengeling te brouwen van conservatief cultuurnationalisme en recent verworven vrijheden (op het punt van gender en seksualiteit). Ook hier was het de islam die als zondebok fungeerde. Zo belandde Nederland in de voorhoede van een nieuw, maar in de optiek van De Jong tegelijkertijd ‘achterhaald’ culturalisme, dat mensen in feite reduceert tot dragers van een gefixeerde en onveranderlijke cultuur. Natuurlijk bergt deze benadering evenzeer als het cultuurrelativisme het gevaar in zich van uitsluiting van nieuwkomers.

Hoe te laveren tussen culturalisme en cultuurrelativisme? Aan de zoektocht naar het antwoord op deze vraag is het grootste deel van De Jongs zeer lezenswaardige en goed gedocumenteerde studie gewijd. Hij staat uitvoerig stil bij het gedachtengoed van de vroeg 20ste-eeuwse antropoloog Franz Boas, die de cruciale stap maakt van ‘ras’ naar ‘cultuur’ als het belangrijkste zingevend kader voor menselijk handelen en denken. Zoals de laat-19de-eeuwse sociaal-darwinisten uitgingen van een hiërarchie van rassen, zag Boas wel degelijk een zekere hiërarchie van culturen. Sommige van zijn volgelingen hielden er evenwel veel cultuurrelativistischer opvattingen op na dan hun leermeester. Achteraf bezien, zo stelt De Jong, is dat relativisme in veel situaties te ver doorgevoerd: een extreem cultuurrelativisme leidt tot morele impotentie.

Het ideaal van De Jong ligt ergens tussen beide genoemde, extreme ‘- ismen’. Met instemming citeert hij filosofen als David Wong en Michele Moody-Adams. De laatste stelt dat elke cultuur in principe waardevol is en recht heeft op non-interventie, tenzij de in die cultuur dominante praktijken concrete schadelijke of gewelddadige effecten hebben (vrouwenbesnijdenis, weduwenverbranding).

We komen hiermee dicht bij de mensenrechten als leidend universeel beginsel, zij het dat ook De Jong erkent dat de interpretatie hiervan niet overal dezelfde is. Het beste beleidsadvies dat men aan dit uitgangspunt kan ontlenen luidt: strikte wetshandhaving, en verder verschillen niet verabsoluteren of op de spits drijven. Enig pragmatisme in de omgang met culturele uitingen van medeburgers kan zelfs een pre zijn, mits deze uitingen geen inbreuk maken op andermans vrijheid. En dat klinkt toch heel anders dan het gesloten, radicaal en nationalistisch cultuurbeeld dat zo dominant is geworden in Nederland.

Het boek van De Jong wijst ons een beter begaanbare weg om in het reine te komen met de dilemma’s van multicultureel samenleven dan de beide andere werken. In een steeds kleiner wordende wereld is geen plaats meer voor 19de-eeuws nationalisme, maar evenmin voor een onvoorwaardelijk opengooien van alle grenzen: mondialisering brengt ons niet louter zegeningen. Culturele pluriformiteit is niet meer weg te denken. De rechtsstaat stelt heldere grenzen aan onze omgang hiermee, en ik zie geen redenen om daaraan te tornen.

Meer over ‘De vrijblijvende aanpak voorbij’ op www.pvda.nl

J.W. Duyvendak, Ewald Engelen & Ido de Haan: Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving. Bert Bakker, 160 blz. €15,-

Wim van Rooy: De malaise van de multiculturaliteit. Acco, 424 blz. € 36,-

Sjoerd de Jong: Een wereld van verschil. Wat is er mis met cultuurrelativisme? Bezige Bij, 304 blz. € 19,90