Stokebrand in kaftan

De vlam van Rousseau wacht op explosieve tijden als de onze. Maarten Doorman en Fredie Beckmans bezoeken graven van filosofen.

In de catacomben van het stalinistisch aandoende Panthéon staat de rode tombe van Jean-Jacques Rousseau. Als Parijs een brandpunt is van de moderne Europese geschiedenis, dan is deze schrijn er de kern van. Daaraan doen de lege troosteloosheid, het halve duister en de koele zandstenen muren weinig af.

Want Rousseau, dat is revolutie. Rousseau ontdekte het kind en zijn onbedorven spontaniteit. Hij staat aan de wieg van twee eeuwen opvoeding en onderwijsvernieuwing, al legde hij zijn vijf kinderen stuk voor stuk te vondeling, onder gesnik van zijn vrouw.

En Rousseau prikte door de dunne laag van de beschaving heen. Hij haatte de welgemanierdheid van de hogere kringen die hem onderhielden. De onbedorven natuurmens, daarvan konden we volgens hem nog iets leren.

Het denken van Rousseau was een lont in de Franse Revolutie. Aan zijn Contrat Social kon niemand ontsnappen: het maakte iedere burger gelijk. Robespierre liep daarom met hem weg.

Niet iedereen hield van Rous- seau en hij vroeg erom. Een jaargeld van de koning wees hij hooghartig af. Wie hem hielp, werd ervan beschuldigd hem in diskrediet te brengen. Zelfs het volk moest bij leven niks van hem hebben. Het verjoeg hem onder een regen van stenen uit zijn laatste toevluchtsoord Môtiers. Dat kan ook aan zijn potsierlijke kleren hebben gelegen: een wijdvallende Armeense kaftan wegens de katheters voor zijn blaasproblemen, en een enorme bontmuts. Het volk streefde kennelijk meer naar gelijkheid dan de zonderlinge Rousseau voor mogelijk hield.

Toen Rousseau stierf, werden zijn resten begraven op het landgoed van zijn adellijke beschermers. Maar tijdens de Revolutie ging zijn as op een rode wagen naar het Panthéon. Het volk juichte. Zonder Robespierre: diens bloedende kop rolde drie maanden eerder reeds door het zaagsel.

Rousseau’s kist is een tempeltje voor de Natuur. Aan de korte kant steekt een hand door een deurtje. Het is niet een gebaar van vriendschap, geen bezegeling van een verdrag. De hand omklemt een fakkel.

Die moet het licht van de filosofie verspreiden, wordt beweerd. Maar dat is niet zo. De vlam wacht op explosieve tijden dan de onze. In de geladen damp van het heden wil Rousseau graag weer een vuurtje geven.

Maarten Doorman