Schilderen over afwijzingsbrieven

‘Die Oostenrijkers hebben wat te verbergen,” zegt een bezoeker in Galerie Maurits van de Laar, zonder een zweem van ironie. „Pure frustratie.” Met zijn zoon staat hij te kijken naar de tekeningen van Elmar Trenkwalder, die hij bijzonder raak heeft samengevat. Trenkwalder tekent zoals dat een Oostenrijker betaamt: pronkarchitectuur, belangrijke mannen te paard, een prins onder een baldakijn, alles met een air van traditionele gewichtigheid. Hoe langer je kijkt, hoe meer heimelijks door die protserigheid heendringt. Dat het prinsje met zijn waterhoofd wordt omgeven door een schaduw van een volwassen man. Dat het baldakijn een verzameling drukkende, hysterische tekenlijnen is. En vooral dat al die gotische spitsbogen meer op schaamlippen lijken dan op een huize Gods.

Trenkwalder is een van vijf exposanten in een tentoonstelling met veel tekeningen, enkele gouaches, met veel sombere composities, maar ook wat vrolijke werken. Dick Tuinder exposeert een onsamenhangend geheel met een stripfiguur, iets abstracts, en enkele apocalyptische landschappen. Marcel van Eeden maakte een half abstracte serie over mensen wiens naam op ‘-witz’ eindigt. Als hij daar iets mee wil zeggen, weet ook hij dat goed te verbloemen.

De bezoeker en zijn zoon kopen een werk van Tobias Gerber, een Duitser die zo te zien ook iets te verhullen heeft. Zijn houtskooltekeningen zijn mistige, nachtelijke scènes van waaruit figuren opdoemen die je liever niet thuis tegenkomt. Gehelmde militairen houden zich op in het woud, evenals schimmige naakten die het druk hebben met onduidelijke erotische verwikkelingen. De noordelijke kunstgeschiedenis die zo zwaar weegt op Trenkwalders schouders, mengt zich bij Gerber met duistere romantiek en folklore. Op een tekening is een vrouw de was aan het ophangen, ook in het bos, en krijgt de stuipen op het lijf gejaagd door een sprookjeskobold met de waanzinnige blik van een onsprookjesachtige psychoot. Achtergronden of diepte zijn er nauwelijks in Gerbers werk, alsof hij zijn personages geen grip op de wereld gunt.

Dat niet alleen Oostenrijkers frustratie voelen, zie je in de aquarellen van de Rus Leo Kogan. Ze gaan over zijn eigen kunstenaarspraktijk. Hij schetst inrichtingsvoorstellen voor exposities – vast serieus bedoeld, maar zijn stripachtige tekenstijl heeft een surreële kwaliteit, alsof hij zijn eigen werk bespot. Hij portretteert zichzelf als hij beroepsadviezen aanneemt van de duivel. En hij schildert over afwijzingsbrieven van subsidie-instellingen heen.

Heel samenhangend is de tentoonstelling niet. Maar dat is niet erg. Deze exposanten hebben wat te verbergen en dat doen ze in prachtige raadsels.

Tekeningen, t/m 21 december bij Galerie Maurits van de Laar, Herderstraat 6, Den Haag. Wo-za 12-18u.