Over Melas en Erkala

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week alles over de zaklantaarn

Van sommige boeken kan je je, als ze eenmaal voor je liggen, niet meer voorstellen dat ze er nooit geweest zijn. En er was licht! is zo’n boek. Het geeft ons de geschiedenis van de elektrische zaklantaarn, in de periode 1800-1970. Het is een degelijke inventarisatie van de opkomst en ondergang van een succesvol gebruiksvoorwerp. Van de eerste galvanische cellen uit het jaar nul, gevonden in de buurt van Bagdad, gaat onze verteller Carel Weide snel naar de uitvinders van de batterij en vervolgens naar de uitvinders van de gloeilamp. En dan, rond 1890, naar de eerste slimmeriken die beide uitvindingen combineerden tot het wonder van het draagbare licht.

Handig voor wachtlopers, dijkbewakers, inbrekers en andere nachtwerkers, zou je denken. Toch wordt aanvankelijk vooral succes geboekt met twee nutteloze toepassingen. God zei: ‘Er moet licht komen’ en er was licht. Maar de mens zei: ‘Er moet draagbaar licht komen’ en hij maakte eerst maar eens een wandelstok, en toen een dasspeld met een lampje erin. Pas vanaf 1895 verschijnen de eerste zaklantaarns, maar de zaklampologen zijn het nog niet helemaal eens over de precieze geboortedatum. Op 10 januari 1899 werd in ieder geval het eerste patent voor een zakstaaflamp ingeschreven. Het werd meteen een succes. Opmerkelijk verschil: in Amerika werd de staaflamp, in Europa de platte lamp de norm.

Door de vele verschillende ontwerpen heeft zaklamphistoricus Weide zich moeten beperken tot de Europese zaklantaarn. ‘Lampen uit Azië en USA zijn, hoe fraai soms ook, buiten beschouwing gelaten.’ Hier klinkt spijt. En ook binnen het onderzoeksveld van de Europese zaklamp heeft hij noodgedwongen grenzen moeten stellen: ‘Ook fiets- en mijnlampen vallen buiten het kader van dit boek.’ Daarentegen is er wel alle ruimte voor de dynamozaklamp, in Nederland meestal knijpkat genoemd.

Na zijn historische uiteenzetting kan Weide ons dan eindelijk binnenvoeren in het hart van zijn boek: een alfabetische gang langs alle negentig Europese zaklantaarnmerken, uit vijftien landen, van AEG tot Zeiler, met alle gegevens over de fabrikant, voorzover nog te achterhalen. Het is als een wandeling door een tovertuin vol gehangen met toverlantaarns, en allemaal getooid met sprookjesachtige namen. Het leest als een reis door de Griekse mythologie: Daimon, Dura, Melas, Pertrix, Cordesia. Of de Germaanse mythologie: Tarnkapp, Erkala en Hellessens. En zie, daar duikt ook nog een Hollandse voetnoot op in dit epos: De Witte Kat.

Rond 1970 was het helemaal gedaan met de Europese zaklampindustrie. De concurrentie van de goedkope lantaarns uit de Aziatische landen werd te groot. Daarom houdt het boek op in 1970. En nu? Weide zegt er maar niets meer over. Hij weet natuurlijk wel hoe het zit. De moderne padvinder doet het zonder zaklantaarn. Hij klapt zijn mobieltje open en gebruikt het felverlichte scherm als lamp. De ingebouwde GPS heeft hem dan trouwens al meteen verteld waar hij is – dus hij hoeft ook helemaal geen pad meer te vinden.

Carel Weide: En er was licht! De geschiedenis van de elektrische zaklantaarn 1800-1970. KunstMag, 224 blz. € 27,50.