Nu eens niet autobiografisch

In zijn mooie, universele verhalen jongleert Nam Le met begrippen als etniciteit en autobiografie. Door er zo grondig mee te spotten weet hij desondanks zijn eigen achtergrond goed uit te buiten.

Nam Le: De boot. Uit het Engels vertaald door Paul Witte. De Bezige Bij, 283 blz. € 18,90

De in Vietnam geboren Australiër Nam Le heeft zich in het schrijven bekwaamd aan de Iowa Writers Workshop. Hij ging er studeren nadat hij besloten had schrijver te worden. Het eerste verhaal van zijn debuutbundel De boot – waarvoor hij vorige week in Wales de Dylan Thomas Book Prize kreeg – gaat over iemand die besloten heeft schrijver te worden en een onderwerp zoekt voor een verhaal dat hij moet inleveren voor een cursus aan de Writers Workshop. Een slechtere start is moeilijk denkbaar, en dat realiseert een personage zich ook wanneer anderen hem vragen stellen als: ‘Hoe kun jij nou een writer’s block hebben? Schrijf gewoon een verhaal over Vietnam.’ Een Chinese medeleerling krijgt een contract voor twee boeken met een voorschot van zes nullen. ‘Etniciteit is in’, legt de docent uit. En ook de literair agenten sporen de Vietnamees-Australische hoofdpersoon aan om in zijn verhalen uit te gaan van zijn eigen achtergrond en ervaring: ‘Mooischrijverij is er genoeg.’

Het klinkt inmiddels meer dan vertrouwd: authenticiteit als verkoopargument. De even vaak gehoorde cynische tegenargumenten worden door Le niet geschuwd. ‘Ik heb het helemaal gehad met die etnische literatuur. Ze staat vol met beschrijvingen van exotisch eten’, zegt iemand tegen de verteller. En een ander: ‘Je weet nooit of de stijl sober is omdat de schrijver het zo wilde of omdat hij niet meer woorden kende’.

Dus wat moet deze ‘etnisch interessante’ auteur die, helaas, voor zijn eigen ervaring niet zozeer kan putten uit een Vietnamees verleden, maar vooral uit een Australische jeugd, omdat hij al als klein kind zijn geboortegrond had verlaten? Ironisch en intelligent spot Le met de verwachtingen van agenten en uitgevers, lezers en journalisten wanneer het gaat om het uitbuiten van een persoonlijke geschiedenis. Door er zo opzichtig mee te spotten, gebruikt hij zijn achtergrond immers tóch, zij het via twee mooie omwegen.

De eerste omweg leidt langs zijn eigen leven: zo vertelt hij de geschiedenis van zijn vader die het verhaal heeft gelezen. Vader is niet tevreden, omdat van de familiegeschiedenis niets klopt en geeft een heel andere visie op de gebeurtenissen. Wanneer de zoon met een nieuwe versie komt, leest vader het verhaal opnieuw om vervolgens de papieren te verbranden. Een therapeutische daad, waarmee vader zich enigszins bevrijdt van zijn traumatische oorlogsverleden in Vietnam. En hiermee heeft de zoon een ander verhaal in handen gekregen om in te leveren bij zijn workshop. Een verhaal waarin de authenticiteit van de vader centraal staat en waarin ook meteen alle grote literaire thema’s ter sprake komen onder de pakkende titel: ‘Liefde en eer en medelijden en trots, en mededogen en opofferingsgezindheid’.

Dit spel met authenticiteit speelt Nam Le bewust. Toen hij recentelijk in The New York Times werd geportretteerd, vertelde hij dat het relativeren van authenticiteit ‘een van de belangrijkste doelen van het eerste verhaal was. Hoeveel autobiografische achtergrond kun je uit het verhaal halen – of vermoeden – en hoe verandert de manier waarop we een verhaal lezen als we veronderstellen dat het aan het leven van de auteur is ontleend?’ Het was het werkelijke onderwerp waarmee hij aan de slag wilde.

Met die kennis lees je het slotverhaal dan ook aanvankelijk met enig wantrouwen. Hierin komt de Vietnamese achtergrond van Nam Le terug, wanneer hij de zware reis beschrijft van mensen die Vietnam willen ontvluchten. Het is een verschrikkelijke tocht, die indruk maakt omdat het persoonlijke verhaal hier moet wijken voor de blik van de buitenstaander. Het is immers niet zijn verhaal – als baby maakte Le weliswaar een vergelijkbare reis, maar hij heeft er natuurlijk geen herinneringen aan. De mooie beschrijving van de tocht is daarom net zo gekunsteld als een verhaal over personages waar ook ter wereld.

En dan zijn we bij de tweede omweg die Nam Le aflegt: het vertellen vanuit de etniciteit van anderen. Zo speelt een van de verhalen zich af in Colombia: ‘Cartagena’ gaat over een veertienjarige jongen die huurmoordenaar is, om zo aan armoede en ellende te ontkomen. In ‘Halflead Bay’ wandelt een jongen elke dag met zijn surfplank naar de Australische kust om te ontsnappen aan de zorgen over zijn zieke moeder; in ‘Hiroshima’ leert een Japans kind tijdens WO II wat vaderlandsliefde is; ‘Teheran’ gaat over een Amerikaanse die in Iran getuige is van een tiranniek regime en gewelddadige acties op een marktplein, en een dochter die meegevoerd wordt naar Rusland leert prachtig cello spelen.

Het zijn stuk voor stuk mooie verhalen, die ‘authentiek’ aandoen, domweg omdat de emoties universeel zijn. Le drijft de spot met de behoefte aan authenticiteit door alle verhalen te situeren op een manier die vrij standaard is: een jeugdcrimineel in Colombia, een vaderlandslievend meisje in Japan, geweld in Teheran, muzikale talenten in Rusland, surfers in Australië: het klinkt zelfs voorspelbaar. Waarom geen surfer in Japan of een jeugdcrimineel in Australië? Omdat we dat als lezers liever niet hebben, omdat er dan vragen gesteld gaan worden over authenticiteit en waarheidsgehalte. We laten liever een beeld invullen dat we al hebben of vermoeden.

Maar door zijn personages zo overtuigend neer te zetten laat Le zien dat een bootvluchtelingenverhaal van een Vietnamees geen meerwaarde heeft boven een verhaal over een Colombiaanse jongen. Het maakt niet uit wat je achtergrond of ervaring is, als je maar over genoeg verbeelding en technisch vakmanschap beschikt om er mee uit de voeten te kunnen. Het zijn mooie onderwerpen voor een ‘immigranten’-schrijver, die het verlangen van lezers naar immigrantenschrijverschap zeer knap aan de kaak weet te stellen.