Met mijn kontje naar achteren

Tien jaar dichtwerk verzamelde Ilja Leonard Pfeijffer, plus drie nieuwe bundels. Is hij doorleefder wanneer hij voor een ander (b.v. Ellen ten Damme) schrijft?

Ilja Leonard Pfeijffer: De man van vele manieren. Verzamelde gedichten 1998-2008. De Arbeiderspers, 624 blz. € 29,95

De leden van de commissie die onlangs Ilja Leonard Pfeijffer aanwezen als kandidaat voor de verkiezing van de Dichter des Vaderlands, zullen zich na het verschijnen van De man van vele manieren achter de oren hebben gekrabd. Op de achterzijde van de verzamelbundel staat de dichter poedelnaakt afgebeeld, thuis op de bank voor de boekenkast. De foto houdt het midden tussen een parodie op de obligate auteurskiek en een gewiekste marketingtruc.

In het voorwoord doet Pfeijffer alsof het allemaal serieus bedoeld is. Hij beklaagt zich over de critici die schrijven dat zijn poëzie ‘vorm zonder inhoud’ zou zijn, terwijl hij wel degelijk iets mee te delen heeft: niets minder dan zichzelf. ‘Al tien jaar sta ik naakt voor u en ik vraag u: heb mij lief’, verzucht hij: ‘Wat moet ik dan doen om u te laten begrijpen dat het mij ernst is?’ Deze dichter wil zich letterlijk en figuurlijk volkomen blootgeven. Full frontal, als het moet.

Maar wie bekend is met het werk van Pfeijffer, zal de ironie van deze stunt niet ontgaan. Zichzelf blootgeven, dat is wel het laatste wat deze dichter wil: hij heeft een broertje dood aan authenticiteit en bekentenisliteratuur. Weinig verwonderlijk dan ook dat hij te boek staat als auteur van hermetische poëzie: zijn gedichten zijn lappendekens van citaten, lang uitgesponnen imitaties en wollig taalgebruik. Dat imago heeft Pfeijffer sinds zijn debuut Van de vierkante man (1998) nadrukkelijk opgeëist: ‘serveer mij in roomboter gebakken beelden / en verzen met boulemie’, schreef hij destijds. Het recept voor een Pfeijffer-gedicht – een deel orakeltaal, een deel cliché, afgemaakt met klankspel en stijlbreuken – had weliswaar iets voorspelbaars, maar leverde frisse en hilarische regels op:

op viezer immer kiener want nimmer wars van walgen

ga ik de fictie bedrijven ben ik ziener

van leasing van lijven met epische proporties

grappige clowns gaan kleutertje klieven dat wordt lachen

Het debuut zou de opmaat vormen voor een oeuvre vol programmatische gedichten, waarin Pfeijffer pleitte voor een onbegrijpelijke, vervreemdende dichtkunst, die het menselijke bestaan in al zijn complexiteit bezingt. ‘Ik zal uw helderheid verhelpen’, zo hield hij zijn lezers in Het glimpen van de welkwiek (2001) voor, want: ‘poëzie is geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend geen/ doorlichting van ontbonden factoren die scherp en zinnig belicht/ helderheid put’.

Met elke vorm van verstaanbaarheid gooide Pfeijffer echter ook nog iets anders overboord: de urgentie van zijn gedichten. Voorheen was het nog mogelijk om vol te houden dat hij misschien niet zozeer zichzelf blootgaf, maar dan toch wel de naakte waarheid over de mens uit de doeken probeerde te doen: ‘poëzie is mens’, schreef hij in ‘Vuurvogel’. Maar zijn gedichten werden steeds vaker kunststukjes, geraffineerde taalspelletjes – indrukwekkende, maar zielloze kostuums.

Zo verstopte de dichter zich in Dolores (2002) achter opzichtige referenties aan de wereldliteratuur. Het was alsof iemand zijn diepste gevoelens had willen uitdrukken, maar vervolgens op klassieke poëziecitaten was teruggevallen. In de bundel In de naam van de hond (2005) leek hij toe te geven dat hij zichzelf niet op het spel wenste te zetten: het is verleidelijk om in regels als ‘in roestig klinkende maliën van kolder en bittere zelfgrap / geeft hij zich nimmer bloot’ een portret van de dichter te lezen.

De man van vele manieren, het nu verschenen ‘verzameld werk’, bevat drie nieuwe bundels: Durf jij?, Doka en Lilith. Even lijkt het erop dat Pfeijffer zowaar een nieuwe weg wil inslaan. Zo is Durf jij? een bundel liedteksten geschreven voor zangeres Ellen ten Damme. De liedjes zijn Ten Damme op het lijf geschreven: ze zijn brutaal, oprecht, en presenteren scènes uit het leven van een artieste. Paradoxaal genoeg is Pfeijffers werk doorleefder wanneer hij voor iemand anders schrijft. De bundel bevat simpele liefdesliedjes, waaruit een algemeen menselijke dramatiek spreekt die na het voorgaande virtuoze geschmier weldadig aandoet. ‘Zwarte zijde’ bijvoorbeeld, dat clichématig opent met regels als ‘Je bent de kop, ik ben de thee,/ je bent het sprookje, ik de fee’, om vervolgens te ontsporen en allengs wranger en rauwer te worden: ‘Je bent de vuist, ik ben de kin, / je bent de vijand, maar ik win.’

Dan is er de (naar Pfeijffers eigen zeggen) ‘kwetsbare, ware bundel’ Doka. De gedichten hieruit zijn opvallend anders dan wat hij voorheen publiceerde: ze zijn opgebouwd uit korte, grammaticaal correcte zinnen, zonder klankspel of gezochte verwijzingen. ‘Het is goed zo’, zo opent een gedicht: ‘het is heel erg goed zo / eindelijk is het heel erg goed zo // omdat het goed is / dat het zo is’. Zou Pfeijffer zich dan toch bekeren tot de eenvoudige poëzie en zich blootgeven? Het lijkt er niet op: de tongue in cheek-toon is nooit ver weg (‘mijn gewei jeukt // ik moet pissen maar ik heb geen zin’) en Pfeijffer kan het poseren niet laten: ‘ik durf tegenwoordig bijna alles / zomaar / met mijn kontje naar achteren’.

Met De man van vele manieren betoont Pfeijffer zich dus vooral een man van vele poses. Voor deze dichter is alles spel, ironie en vormbewustzijn. Ook de naaktfoto op de achterkant is in scène gezet; Pfeijffer zit voor een boekenkast vol Nederlandse poëzie. En elk laatste restje oprechtheid of spontaniteit redeneerde hij in een interview met deze krant vakkundig weg: de foto is volgens hem een ‘verwijzing naar Odysseus, die naakt aanspoelt bij de Faiaken’.

Maar de ironische pose die Pfeijffer doorgaans inneemt, keert zich in De man van vele manieren uiteindelijk tegen hem. Het is alsof de dichter zich daar bewust van is. De afsluitende reeks ‘Lilith’ is een curieuze dialoog tussen een ik-figuur en zijn virtuele personage Lilith. Naarmate het gedicht vordert, wordt steeds minder duidelijk wie schepper is en wie schepsel. De ik-figuur is ervan doordrongen dat Lilith slechts een lege huls is, maar tegelijkertijd is hij volledig afhankelijk van haar. Net zo is het met de dichter en zijn poserende alter ego: Ilja Leonard Pfeijffer valt samen met zijn ironische creaties. Zijn gedichten laten zich daardoor alleen nog maar lezen als die van een woordillusionist. Hij geeft de adembenemendste trucs ten beste, maar het publiek zal nooit geloven dat het écht is.