Libero, rust zacht

Zonder vlagvertoon, een afscheidsspeech, een dankjewel van zijn bewonderaars, lijkt hij zomaar te zijn verdwenen. De laatste man. Hele generaties zijn met hem opgegroeid, ze kenden hem als de vrije man in de verdediging, de back die eigenlijk geen back was. Onbelast met nederige taakjes mocht hij zijn eigen gang gaan. Met een gecultiveerde langzame tred achter zijn mandekkers wist hij zelf maar al te goed hoe cool hij was. En zo liep hij er ook bij, een tikkeltje verwaand, zie mij eens.

Al even klassiek – achterhaald – is het maatje van de laatste man in het centrum van de verdediging: de voorstopper. Wat de ‘libero’ vaak miste, een groot en sterk lijf, vulde de voorstopper aan. De voorstopper legde de centrumspits van de tegenpartij aan de ketting, dan kon de libero mooie dingen bedenken. De voorstopper deed, de libero dacht. Archetypen: Hans-Georg Schwarzenbeck als de sergeant van de briljante generaal Franz Beckenbauer. De tassendrager en de architect, in veel teams haalde je ze er zo uit. Nu zijn ze weg.

Vrijwel alle topclubs in Europa zijn overgestapt op het spelen met twee hoegenaamd identieke centrale verdedigers. Kijk maar goed, je ziet achterin naast elkaar twee mensen vrijwel dezelfde dingen doen. Kende het Nederlands elftal in het recente verleden nog voorstopper Jaap Stam en laatste man Frank de Boer, nu hebben we Joris Mathijsen en André Ooijer als uitvoerders van een gemeenschappelijke taak. Natuurlijk, kleine verschillen zijn er nog steeds. De een speelt wat meer rechts, de ander wat meer links. De ene bemoeit zich meer met de opzet van aanvallen, de andere is misschien iets beter in het afstoppen. Maar over het algemeen gaan ze te werk als elkaars spiegelbeeld. Zelfs in de jeugdelftallen van Ajax, de club die jarenlang prat ging op haar laatste mannen als verkapte middenvelders, spelen de centrumbacks tegenwoordig naast elkaar. Onvermijdelijk gevolg: de herkenbaarheid neemt af.

Volgens ingewijden komt het door de snelheid van het spel. Laatste mannen krijgen de tijd niet meer om vijf meter achter de voorstopper te lopen en dan aan te sluiten bij zijn verdediging. Ook zouden coaches het niet meer aandurven een verdediger zelf te laten bepalen waar hij loopt, achter of vóór zijn mandekkers. En op deze manier wordt voorkomen dat centrumspitsen een verdediging uit elkaar trekken door een voorstopper weg te lokken: beide centrumbacks blijven staan waar ze stonden, in hun zone. Het zijn de ontwikkelingen van het spel.

Bij de amateurs zie je hem nog wel, de laatste man, maar amateurs willen op profs lijken, dus binnenkort is het ook daar voorbij.

Libero, rust zacht.