Lang leve het wilde denken

Claude Lévi-Strauss, vandaag 100 geworden, was kind aan huis bij Amazone-indianen, verzamelde wereldwijd mythes, schreef legendarische reisboeken en doet nog steeds ontdekkingen.

Claude Lévi-Strauss: Oeuvres. Gallimard (Bibliothèque de la Pléiade), 2.063 blz. € 71,–.

Ton Lemaire: Claude Lévi-Strauss. Tussen mythe en muziek. Ambo, 184 blz. € 19,95.

In de laatste door hem gepubliceerde essaybundel doet de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss een kleine ontdekking. Hij leest het muziektheoretische werk van de volstrekt vergeten 18de- eeuwse violist en componist Michel Paul Guy de Chabanon, op zoek naar een antwoord op de vraag wat voor taal de muziek eigenlijk is. Een toon is niet meer dan geluid, zo schrijft Chabanon, en geluid betekent op zichzelf helemaal niks. De elementen waaruit de muziek is opgebouwd zijn niet op zichzelf van belang, maar alleen hun relaties. Pas door hun contrast krijgen ze zeggingskracht en kunnen ze oproepen wat de componist tot uitdrukking wil brengen.

Lévi-Strauss is al 85 wanneer hij in zijn bundel Regarder écouter lire Chabanons theorie onder het stof vandaan haalt, en hij staat alsnog paf. Wat Chabanon hier over de muziek zegt, is in de 20ste eeuw de basis geworden van de structuralistische linguïstiek en via haar ook van Lévi-Strauss’ eigen structurele antropologie. De gedachte dat het niet de woorden, tekens of signalen zelf zijn die hun betekenis voortbrengen, maar slechts het netwerk waarin ze opgenomen zijn, blijkt ruim een eeuw ouder dan altijd was gedacht.

Vandaag wordt Lévi-Strauss honderd, hij is de laatste overlevende van de generatie Franse denkers waartoe ook de drie jaar oudere Jean-Paul Sartre heeft behoord. Samen belichamen zij de belangrijkste stromingen in het Franse denken van de 20ste eeuw: het existentialisme en het structuralisme. De op- en neergaande strijd tussen hen is nog altijd niet definitief beslist.

Ter ere van dat eeuwfeest verscheen een deel in de roemruchte Pléiade-reeks waarin zeven van de boeken van Lévi-Strauss werden samengebracht. Het was wellicht het laatste eerbewijs dat hem – sinds 1959 hoogleraar aan het Collège de France, sinds 1973 lid van de Académie française – nog ontbrak. Regarder écouter lire, de bundel vrije vingeroefeningen over muziek, literatuur en schilderkunst waarmee Lévi- Strauss zijn schrijversloopbaan afsloot, is er als laatste in opgenomen.

Met zijn reisverslag Tristes tropiques (waarvan enkele jaren geleden een nieuwe Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Het trieste der tropen, een vertaling die voor de gelegenheid is herdrukt) opent dit Pléiade-deel. Dat is terecht. Met dat boek maakte Lévi-Strauss zich in 1955 niet alleen tot een wereldauteur die ook buiten zijn vakgebieden door honderdduizenden gelezen werd, het is ook een van de mooiste reisboeken die ooit verschenen zijn. En het is bovendien de best denkbare inleiding in de structurele antropologie, die je in de weergaloze beschrijvingen en overpeinzingen van Lévi-Strauss als het ware onder je ogen ziet ontstaan.

In Het trieste der tropen beschrijft Lévi- Strauss hoe hij aan het eind van de jaren dertig als universitair docent sociologie in Sao Paulo een aantal expedities onderneemt naar indiaanse stammen in de Braziliaanse binnenlanden. Volstrekt ongerept zijn de meeste al niet meer. Sommige verkeren al bijna in ontbinding tegenover de almaar oprukkende westerse beschaving. Maar toch komt hij onder de indruk van het vernuft waarmee deze culturen hun onderlinge relaties organiseren, hun clanverhoudingen inrichten en de patronen daarvan op symbolische wijze tot uitdrukking brengen in hun tatoeages, gelaatsbeschilderingen en mythen.

Dat wordt voor Lévi-Strauss het begin van een levenslang durende passie voor wat hij later ‘het wilde denken’ zal noemen. Dat is niet alleen het denken van de ‘wilde’ – zo legt de Nederlandse filosoof en antropoloog Ton Lemaire uit in zijn onlangs verschenen, inleidende boekje Claude Lévi-Strauss. Het is een vorm van concreet en alledaags denken dat ook de westerse cultuur nog kent, maar dat gaandeweg in diskrediet is geraakt tegenover het veel abstractere denken van logica en wetenschap. Op geen enkele manier is het echter primitiever, simpeler of kinderlijker dan datgene waaraan wij inmiddels gewend zijn geraakt – zo zal Lévi-Strauss keer op keer benadrukken.

Net als de westerse wetenschap is het ‘wilde denken’ erop uit een orde te ontdekken in de onbegrijpelijke en verwarrende wereld waarin de mens zich aanvan-

Vervolg op pagina 2

Het alledaagse denken van Claude Lévi-Strauss

Vervolg van pagina 1

kelijk geplaatst ziet. De chaos moet worden beteugeld, doordat het denken er een netwerk van begrippen en relaties overheen legt waardoor het menselijk begrip er vat op krijgt. De moderne wetenschap doet dat door middel van algemene en abstracte formules; het ‘wilde denken’ met behulp van de verschillen en classificaties die het in de natuur zelf ontdekt.

Neem de verhouding tussen de geslachten: voor alle culturen een bron van raadselachtigheid, twist en ongewisheid. En zie hoe er ook aan de hemel twee grote lichamen blijken te staan. Hoezeer ligt het dan niet voor de hand om de relatie tussen het ene paar te modelleren naar die tussen het andere: de vrouw staat tot de man als de maan tot de zon. Of volgens dezelfde logica: clan A staat tot clan B als de beer tot de wolf. Waarom is dat zo en blijft iedereen zich daarvan bewust? Omdat de mythen steeds maar weer vertellen hoe het gekomen is dat clan A ‘iets heeft’ met beren, en clan B met wolven.

Dat betekent (in dit willekeurig gegeven voorbeeld) niet dat al die groepen ook serieus zouden denken dat zij beren of wolven, zonnen en manen waren – zo benadrukt Lévi-Strauss. Dat hebben antropologen wel lang gedacht, vooral in de manier waarop ze zich het totemisme voorstelden, maar daarmee onderschatten zij volgens hem het abstractievermogen van het wilde denken. Niet om de identificatie (clan A zijn beren) gaat het, maar om de verhouding (a:b = beer:wolf). Niet de dingen zélf hebben betekenis, maar alleen de verschillen tussen hen.

Dat was de intuïtie die Lévi-Strauss tot zijn verbazing bij de musicus Chabanon terugvond, terwijl hij die zelf had ontleend aan de 20ste-eeuwse taaltheorie. Op basis van dat soort verschillen kon een uiterst gecompliceerd schema van begrippen en betekenissen worden uitgewerkt, die het ‘wilde denken’ op symbolische wijze tot uitdrukking bracht in mythen, maskers en tatoeages. En zo konden de betrekkingen tussen twee clans worden benoemd en ingericht in de termen van het verschil tussen twee dieren, of de verhoudingen tussen de geslachten als die tussen zon en maan.

Aan de ontcijfering van deze logica heeft Lévi-Strauss het grootste deel van zijn leven gewijd. Hij verzamelde honderden Indiaanse mythen, elk weer met hun talloze varianten, en analyseerde hen in zijn vierdelige serie Mythologiques, verschenen tussen 1964 en 1971. Minder technisch waren de ‘kleine Mythologiques’ die daarna verschenen en waarvan er drie in de Pléiade-uitgave zijn opgenomen: La voie des masques (‘De weg van de maskers’), Histoire de lynx (‘Geschiedenis van de lynx’) en La potière jalouse (‘De afgunstige pottenbakster’).

Wie ze leest, komt onvermijdelijk onder de indruk van de enorme kennis en brede visie waarvan deze in prachtig, klassiek Frans geschreven exploraties van de Noord- en Zuid Amerikaanse mythenschat getuigen. In La potière jalouse betoont Lévi-Strauss zich niet alleen een groot vogelkenner (vooral de nachtzwaluw speelt een belangrijke rol in het mythencomplex dat hij onderzoekt), maar maakt hij ook moeiteloos uitstapjes naar de Aziatische mythologie (want mythen weerspiegelen en becommentariëren elkaar vaak op grote afstanden) en naar de geologie (want de pottenbakster uit de titel heeft met vele verschillende soorten klei van doen).

Toch merkt ook Lemaire op dat de verbanden die Lévi-Strauss legt tussen ogenschijnlijk geheel verschillende mythologische verhalen, de permutaties die hij hen laat ondergaan en de relaties die hij legt met de sociale structuur van de betreffende samenlevingen, vaak tamelijk onnavolgbaar zijn. Wellicht doordat de lezer al het materiaal dat Lévi-Strauss tot zijn beschikking heeft zelf niet kan overzien, zo suggereert Lemaire toegeeflijk. Maar vaak doen deze duidingen ongemakkelijk veel denken aan de wijze waarop Freud de dromen en verhalen van zijn patiënten interpreteerde. Ook dat leverde prachtige literatuur op, maar het bleef de vraag hoe en óf dergelijke beweringen ooit konden worden weerlegd – en of ze daarmee konden gelden als wetenschappelijk toetsbaar in de ware zin van het woord.

Die twijfel is des te pijnlijker omdat Lévi-Strauss zelf zich zeer uitdrukkelijk op zijn eigen wetenschappelijkheid beriep. Hij deed dat – zo merkt Lemaire op – met de verbetenheid van een bekeerling, want zelf was hij opgeleid als filosoof: precies het soort mensen dat het in zijn ogen aan iedere methodische gestrengheid ontbrak.

Dat was niet het enige breekpunt tussen Lévi-Strauss en zijn grote tegenspeler Sartre. Het existentialisme had ook een heel andere visie op de mens. Die moest volgens Sartre zelf zijn bestemming kiezen: de waarden waarnaar hij wilde leven en de moraal die hij daarbij verkoos. Niets dat van buiten kwam, mocht hem in die authenticiteit hinderen. Voor Sartres existentialisme gold er maar één gebod: ‘U bent vrij, U moet kiezen.’

Lévi-Strauss beschouwde dat als een typische moderne, menselijke zelfoverschatting. In zijn structuralistische blik was het immers precies de omgeving van de mens (het netwerk van betekenissen waarin hij zich bevond) die bepaalde wat hij was en kón zijn. Daarin stak ongetwijfeld een fikse dosis conservatisme. De vrijheid van het individu bleek bij Lévi-Strauss maar heel beperkt, als het individu er al werkelijk veel toe deed.

Maar dat conservatisme had ook een humanistische kant. Het bekommerde zich letterlijk om het behoud van datgene wat in zijn bestaan bedreigd werd: de ‘wilde’ culturen die stuk voor stuk moesten capituleren voor een Vooruitgang waarvan zij gewoonlijk slechts bittere vruchten plukten. In zijn essaybundel La pensée sauvage (Het wilde denken) uit 1962 – het enige andere boek van Lévi-Strauss dat ooit in het Nederlands werd vertaald en ook in de Pléiade-uitgave is opgenomen – doet hij ook een felle aanval op de wijze waarop Sartre de mensheid opgenomen wil zien in één gemeenschappelijke Geschiedenis, aan het einde waarvan volgens goed marxistisch recept het heil wacht.

De Geschiedenis, zo schrijft Lévi- Strauss, is de nieuwe mythe van de moderne tijd. Ze wil een einde maken aan de cyclische tijdsopvatting waarin de culturen van het wilde denken zich traag, als op een spaarbrander, ontplooien. De moderne tijd wil vooruit, als een machine die alles om zich heen verteert om brandend te kunnen blijven. Niet alleen de natuur wordt daarvan het slachtoffer, zo stelde Lévi- Strauss vast, lang voordat daarvoor het woord ‘milieu’ zou worden geijkt. Maar zij slokken ook de andere, wilde culturen op, die in het oog van de Vooruitgang alleen nog maar kunnen verschijnen als achterlijk, kinderlijk, nog slechts halverwege de ware menselijkheid.

Toch kan ook de moderne tijd het niet stellen zonder haar eigen mythen, zo merkt Lévi-Strauss op. Ook zij heeft haar eigen sacrale momenten. De Franse Revolutie, meer symbool dan werkelijkheid, is er één van. In Nederland zou het misschien de Tachtigjarige Oorlog zijn, of de Tweede Wereldoorlog: ijkpunt voor wat goed en slecht is. IJkpunten ook voor wat wij opnieuw graag ‘de Nederlandse identiteit’ zouden noemen.

In zijn zoektocht naar het kernpunt van het denken van Lévi-Strauss, legt Lemaire veel nadruk op deze cultuurkritiek, die sterk overeenkomt met wat Lemaire in zijn eigen boeken naar voren heeft gebracht. En toch blijft er bij Lévi-Strauss altijd iets dubbelzinnigs hangen, zo stelt hij vast. Hoe bijtend zijn kritiek op de vooruitgangsgedachte ook is, de idee van wetenschappelijke vooruitgang heeft hij nooit willen loochenen. En hetzelfde geldt voor de waarde van de wetenschap zelf, die toch pas mét en dankzij de moderne tijd tot bloei is kunnen komen.

Die tweeslachtigheid was ook al merkbaar in Het trieste der tropen, waarin Lévi-Strauss moest constateren dat hij als antropoloog de door hem bestudeerde stammen tegelijk nog verder openlegde voor de westerse cultuur en daarmee meehielp aan hun eigen ondergang. De melancholie van die titel is hem altijd blijven vergezellen. Een jaar na Regarder écouter lire publiceerde hij in 1994 zijn laatste boek: niet meer met teksten (op een inleiding na), maar met foto’s. Hij drukte er de opnamen in af die hij vijftig jaar eerder in de binnenlanden van Brazilië gemaakt had en waarvan slechts een handvol zijn reisboek had geïllustreerd.

Ze tonen clans, kunstvormen en culturen die op het punt stonden te verdwijnen en de ondergang waarschijnlijk al voelden naderen. Ook daaraan gaf Lévi-Strauss een melancholische titel mee, even onvertaalbaar als – met zijn fado-boventonen – universeel verstaanbaar. Het heette Saudades do Brasil.