'Kunt u ze redden?'

Steeds meer woningen uit de periode 1945-‘65 worden gesloopt. Zo verdwijnen ook de gevelplastieken en wandschilderingen. Veel van deze optimistische ‘wederopbouwkunst’ is nauwelijks in kaart gebracht. „Als het werk niets doet op veilingen, dan zal het wel niets zijn, denkt men.”

‘Spreek ik met het Instituut Collectie Nederland? Wij hebben een pand vol muurschilderingen dat deze week gesloopt wordt. Kunt u ze redden?”

Dit soort telefoontjes van woningbouwverenigingen ontvangt het Instituut Collectie Nederland (ICN) geregeld. Sinds een jaar of twee worden steeds meer gebouwen uit de wederopbouwtijd gesloopt: architectuur met ornamenten, met gevelplastieken en met inpandige wandkunst die muurvast zit en mee ten onder gaat. Die sloop doet veel mensen schrikken. Soms zijn het de slopers of eigenaars, die verontrust bellen naar het ICN. Maar ook andere betrokkenen zijn bezorgd.

Met het slopen van deze gebouwen vol kunst verdwijnt een tijdperk uit ons blikveld. Het Instituut Collectie Nederland (ICN) luidt dan ook de noodklok.

„Wij hebben nu speciaal aandacht voor de wederopbouwkunst van 1945-65,” zegt conservator Simone Vermaat van het ICN, een nationaal kennisinstituut voor beheer en behoud van cultureel erfgoed. „Die werken zijn vaak enorme wandplastieken en betonnen kunstwerken die integraal onderdeel zijn van de nieuwbouw waar ze voor ontworpen werden. Ze zitten dus nagelvast, wegen tonnen, en zijn bij sloop moeilijk te herplaatsen of te bewaren. Ons doel is om deze kunst te inventariseren. Niet omdat alles gered moet worden, maar om te voorkomen dat we worden verrast door verzoeken om hulp als het al te laat is.”

Een centraal overzicht is er nog niet. De kunstwerken werden gemaakt in opdracht van het Rijk, provincies, gemeentes, kerken en andere organisaties en raakten vergeten. Vermaat: „Er is begrip voor dat werk van bekende kunstenaars als Karel Appel en Dolf Henkes behouden moet blijven. Maar kunstenaars die zich in deze opdrachtkunst specialiseerden, zijn uit de canon gevallen. Als er niet over een kunstenaar wordt geschreven en het werk niets doet op veilingen, dan zal het wel niets zijn, denken sommigen.”

De wederopbouwkunst begon in 1945

. Het centrum van Rotterdam lag plat en verschillende steden hadden nieuwe woonwijken nodig. Stadsplanners ontwikkelden idealen over moderne tuindorpen en groene wijken met flats – zoals Hoogvliet en de Bijlmer. Verpaupering en criminaliteit haalden deze idealen in en daarom begon de laatste jaren een nieuwe bouwslag. De naoorlogse panden moeten wijken. Met die gebouwen verdwijnt de kunst – grote monumentale mozaïeken, beschilderde trapportalen, wandplastieken.

Niemand weet hoeveel wederopbouwkunst nu gesloopt wordt. Maar dat het veel is, daar is iedereen het over eens.

Hoe ziet de kunst eruit die we kwijtraken? Optimistisch. Vissen en vogels, abstracte figuren in golvende lijnen, gezinnen in een landschap onder de zon. Mens en dier leven er samen in een harmonieuze wereld, vol zachte vormen en dynamische lijnen. Het is kunst die het toekomstideaal van de wederopbouw bezingt.

Het is ook kunst die parallellen vertoont met de autonome kunst uit die jaren (Cobra, Ouborg), waar abstracte improvisaties in verf de herwonnen vrijheid verbeelden.

Karel (‘ik klieder maar wat aan’) Appel

gaf die vrijheid vorm. Hij werkte ook in opdracht. In zijn ‘Appelbar’ in het Stedelijk Museum Amsterdam zette hij de ruimte naar zijn hand door alle muren en het plafond te beschilderen. Ook maakte hij een muurschildering in het toenmalige Amsterdamse stadhuis. Toen ambtenaren onwel werden van deze rotzooikunst, is de muur overgeschilderd. En later weer gerestaureerd. Het is een van de juweeltjes die deze monumentale kunst heeft voortgebracht.

De Beertjespocket Teken aan de wand uit begin jaren zestig bevat vijftig foto’s van meer dan gemiddeld stoere kunstenaars met opgestroopte hemdsmouwen en een sigaret in de mond, poserend boven de etspers of in het atelier. De hands-on mentaliteit die ze uitstralen, zie je terug in hun werk: metersbrede muurschilderingen, keramische wandreliëfs, glas-in-betoncomposities (een nieuw ontwikkelde techniek die paste bij de moderne betonbouw).

Vol passie wilden deze kunstenaars de wereld verbeteren. Verenigd in een collectief gingen ze pittige discussies aan met architecten die nog niet inzagen hoe deze nieuwe kunst het volk zou verheffen. Tussen de regels door lees je in het boek hoe het vooruitgangsideaal vurig werd gedragen door kunstenaars, cultuurambtenaren, en uiteindelijk toch ook architecten. Duo’s van architecten en beeldhouwers creëerden ‘Gesamtkunstwerken’ waarin beeldende kunst en bouwkunst versmolten. De productie van deze kunst groeide en bloeide.

De nieuwe wandkunst ontstond niet uit het niets. Ze was schatplichtig aan katholieke tradities. In de negentiende eeuw was de katholieke kerk de grote mecenas voor glas-in-loodramen en gebeeldhouwde portalen en omarmde artistieke vernieuwing. Deze tradities inspireerden begin vorige eeuw de socialistische burgemeesters in Amsterdam om sculpturen in het stadsbeeld op te nemen, aan gevels en op bruggen. De katholieke beeldtaal ging uit van rust, abstracties en geometrie, om uit te stijgen boven de subjectieve werkelijkheidsuitbeelding van een kunstenaar. Het was immers dienende kunst, gemeenschapskunst, die een maatschappijvisie uitdroeg. Dat uitgangspunt voor katholieke monumentale beeldtaal werd overgenomen in de socialistische kunst, en na de oorlog in de wederopbouwkunst.

Rond 1965 naderde de wederopbouwgolf zijn voltooiing en stopten de opdrachten voor dit soort monumentale wandkunst. De kunstwerken, vaak inpandig, verdwenen achter archiefkasten en later frisdrankmachines. Het betrokken personeel vertrok, bedrijven verhuisden, en na een tijdje wist niemand meer dat het eigenlijk kunst was, die muur met die golvende keramische tegels.

In praktische zin is het bewaren van deze kunst een groot probleem. De betonnen wanden of portalen zijn vaak een gebouw op zich en kun je niet opslaan. Bij musea is geen plaats. Wat kan er wel worden gedaan?

Herplaatsen is een mogelijkheid. Op een geschikte plek kan een kunstwerk opnieuw van waarde zijn. In Rotterdam-Zuid is een experiment gaande met de maskers van het Zuidpleintheater van Van Ravesteyn – inmiddels de meest gesloopte architect van Nederland. Het theater was tegen de vlakte gegaan, de maskers – sculpturen van een paar vierkante meter – werden opgeslagen, raakten kwijt, en doken onlangs op in een weiland nabij Dordrecht. Kunstenaar Kamiel Verschuren werd gevraagd na te denken over een nieuwe bestemming en ontwikkelt met vormgever Thijs Ewalts een beeldenpark, waar de maskers en ornamenten terloops opduiken.

Boomgaard: „Met dit soort historische ijkpunten kun je via het verleden het heden leren begrijpen.” Juist in naoorlogse wijken die zo schrikbarend snel veranderen, zoals Hoogvliet of in Utrecht Kanaleneiland, biedt wederopbouwkunst voor bewoners een houvast en herinnering. „Het is alleen de vraag,’ voegt Boomgaard er meteen aan toe, „in hoeverre deze kunstwerken nog communiceren als je ze los zaagt uit de panden waar ze voor gemaakt zijn.”

Die lezing wordt beaamd door Paul van de Laar van het Historisch Museum Rotterdam: „Zonder het oorspronkelijke gebouw is zo’n kunstwerk meestal niet van waarde.”

De werken zijn gemaakt om

de architectonische lijnen van de betonbouw te accentueren en verfraaien. De beeldende kunst vormde één artistiek geheel met de architectuur.

Het ICN doet zijn best. Met verschillende websites, campagnes, symposia en veel gelobby, probeert het in kaart te brengen wat er is, en wat daarin van belang is. Met een zusterorganisatie (de RACM) overtuigde het minister Plasterk om honderd naoorlogse gebouwen tot monument te verheffen – die zijn alvast gered. Waarbij het ICN toch weinig meer kan dan lobbyen: het zijn de gemeentes die de depots hebben, niet zij.

Maar er zijn succesverhalen. De gemeente Utrecht werkt actief mee aan de lobby, Den Haag liet onderzoek doen naar kunst in Zuid-West. In Hoogvliet wordt in het nieuwe cultuurhuis een wandplastiek van Dick Elffers geïncorporeerd – een werk van 25 ton. Uit een slooppand in Amsterdam zijn drie sgraffito’s (buitenafwerkingen) van Lex Horn gered, zichtbaar topstukken. Twee ervan zijn herplaatst in een stadsdeelkantoor en een universiteitsgebouw, de derde mag gratis meegenomen worden door wie dan ook die het vervoer kan regelen.

Een ander verhaal is een wandschildering van Aart Roos, met vogels en bloemen. Bij een verbouwing in Amsterdam werd het werk aan het oog onttrokken. Fans richtten een actiecomité op, ondersteund door Geert Mak en Sonja Barend. Ze vonden zelfs een koper: Harry de Winter.

Maar de woningbouwcorporatie die de eigenaar is, wil het ook niet zomaar kwijt. „Woningbouwcorporaties zijn meestal van goede wil. Maar zij zien vaak geen oplossing,” zegt Boomgaard. Hetzelfde geldt voor architecten, die vaak ingeklemd zitten tussen projectontwikkelaars en regels. Voor hen wordt het nog moeilijker als ze ook nog eens een oud trapportaal in hun nieuwbouw moeten incorporeren.

Meer showbizzmensen trekken

zich het lot aan van deze kunst die voor kunsthistorici een blinde vlek is. Cabaretier Paul van Vliet interviewde twee jaar geleden naoorlogse beeldhouwers voor een boek en voor een radioprogramma – over de mentaliteit van een generatie en de drang tot vernieuwing. De belangstelling voor deze kunst past in de brede maatschappelijke interesse voor geschiedenis.

In snel veranderende steden zijn de naoorlogse idealen ingehaald door grotestadsproblematiek. Er wordt nu oplossingsgericht gebouwd en zonder franje. „Gebeeldhouwde balkonnetjes worden niet meer gemaakt,” beaamt Vermaat van het ICN. In dit superzakelijke tijdperk kan wederopbouwkunst zorgen dat bewoners meer van hun omgeving begrijpen en houden.

Maar, dan moet het werk wel opvallen. Veel van die kunst is nogal braaf. Hedendaagse kunstenaars zouden wat aan kunnen doen door oude plastieken in een nieuw kunstwerk te incorporeren. Dat doet de Duitse kunstenaar Bernd Trasberger, die zich ontfermt over resten van wederopbouwmonumenten. Philippe van Wolputte bekommerde zich om de ‘speculaasjes’: de stenen ornamenten die tot voor kort Van Ravesteyns Centraal Station in Rotterdam sierden. Ze staan nu naast de bouwput te wachten op een ongewisse toekomst.

In veel gevallen is de sloopkogel onafwendbaar. Kunsthistorisch onderzoek kan tot die tijd belangrijke vragen beantwoorden: wat moeten we behouden, hoe verhoudt deze kunststroming zich tot andere tijden en landen? De vergaarde kennis is nog summier.

Misschien valt er iets te leren van dit onderbelichte hoofdstuk uit de kunstgeschiedenis. Het is kunst met draagvlak onder burgers. Dat is interessant in een tijd dat de kunstwereld graag klaagt dat diezelfde burgers te weinig belangstelling hebben voor kunst en cultuur.