Juist pragmatisme kan ons redden

Met de nota ‘De vrijblijvende aanpak voorbij’ kiest ook de PvdA nu voor een harde bejegening van migranten. Maar juist tussen die uitersten valt het meest te winnen, blijkt uit vier recente boeken.

Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen & Ido de Haan: Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving Bert Bakker, 160 blz. €15,-

Wim van Rooy: De malaise van de multiculturaliteit. Acco, 424 blz. € 36,-

Sjoerd de Jong: Een wereld van verschil. Wat is er mis met cultuurrelativisme? De Bezige Bij, 304 blz. € 19,90

Het aftreden van Ella Vogelaar en de deze week verschenen fractienota De vrijblijvende aanpak voorbij hebben opnieuw duidelijk gemaakt hoe diep de Partij van de Arbeid verdeeld is over de multiculturele samenleving. Wat is de beste weg naar integratie? Kopjes thee drinken met imams of toch een buurtverbod voor veroordeelde Marokkaans-Nederlandse jongeren, zoals de nota bepleit? Nieuwkomers inburgeren in Nederland of autochtonen vertrouwd maken met diversiteit? De verdeeldheid hierover reikt trouwens tot ver voorbij de partij van de onfortuinlijke minister; zij doorsnijdt de hele samenleving. Sinds Paul Scheffer in januari 2000 in deze krant het ‘multiculturele drama’ afkondigde, lijkt Nederland niet meer goed te weten hoe om te gaan met culturele pluriformiteit. Het verzuilingsrecept, dat inspireerde tot het minderhedenbeleid van de jaren 1980, is bijgezet in het museum (wellicht in het nieuw op te richten Museum van de Nationale Geschiedenis), maar de zoektocht naar een alternatieve formule is nog steeds niet ten einde.

Onlangs zijn drie boeken verschenen die deze zoektocht nieuwe inspiratie willen geven, maar dan wel vanuit sterk verschillende perspectieven. In Het bange Nederland vragen de Amsterdamse wetenschappers Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan zich af waarom Nederland in het afgelopen decennium ‘de luiken heeft dichtgegooid’ en zich van de rest van de wereld probeert te isoleren uit angst voor ongewenste beïnvloeding. Deze ‘closing of the Dutch mind’ – een parafrase op het boek over Amerika van Allan Bloom uit 1987 – heeft volgens de auteurs geleid tot een heropleving van nationalisme en een poging tot herstel van de waardenhiërarchie van de burgerlijke samenleving.

Duyvendak c.s. zien de angst op drie fronten aangewakkerd worden: angst voor de culturele overheersing door buitenlanders, met name moslims, fundamentalisten en terroristen; angst voor het gevaar van binnenuit: de vijfde colonne van kosmopolieten en fundamentalisten – samengevat onder de noemer ‘de linkse kerk’ – en angst voor de economische gevaren: de buitenlandse beleggers en de ‘grote graaiers’. De elite heeft zich door deze drie bedreigingen gek laten maken, is vervolgens ‘op drift geraakt’ en gaan meedeinen op golven van populisme.

Het behoeft nauwelijks betoog dat de auteurs dit diep betreuren. De elite had zich veel nadrukkelijker teweer moeten stellen tegen zulke nationalistische reacties en ‘het volk’ effectiever moeten overtuigen van de zegeningen van de mondialisering, waarvan de drie genoemde ontwikkelingen natuurlijke uitingsvormen zijn.

Het essay van de drie is, zoals zij zelf ook zeggen, overduidelijk geboren uit frustratie over de geborneerde toon van het openbare debat van de laatste jaren; over de impliciete en niet zo impliciete veronderstellingen daarin; over de onzinnigheid en onverantwoordelijkheid van veel van de standpunten; over de schade die wordt toegebracht aan de feitelijk en onvermijdelijk altijd al multiculturele samenleving, aan de rechtsstaat, aan de welvaart. Maar bovenal is het een hartekreet, waaruit verbazing spreekt over de intellectuele en politieke verlamming die zich van de auteurs zelf en hun geestverwanten meester heeft gemaakt. Waarom hebben al deze mensen zich niet veel krachtiger teweer gesteld tegen alle onzin van de laatste jaren?

Een hartekreet, zo lijken de auteurs – wetenschappers met een zeer degelijke reputatie – te denken, behoeft een minder deugdelijke onderbouwing dan een wetenschappelijke verhandeling. Jammer, want het is goed dat een krachtig kosmopolitische geluid ook eens doorklinkt in het debat. Hun vlot geschreven essay zou echter aan overtuigingskracht hebben gewonnen als de auteurs de geborneerde kleinburgerlijkheid die zij signaleren met wat meer bewijsvoering en ook met iets meer nuance te lijf waren gegaan. Het boek is ongetwijfeld voltooid voordat de kredietcrisis uitbrak. Zouden zij ook nu nog van mening zijn dat onvoorwaardelijk financieel-economisch kosmopolitisme onder alle omstandigheden te verkiezen is boven het verdedigen van het nationale belang?

Een geheel ander geluid laat Wim van Rooy horen in zijn juist zeer doorwrochte magnum opus De malaise van de multiculturaliteit. Deze Vlaamse publicist heeft zich tot nu toe niet of nauwelijks geroerd in het debat over de multiculturele samenleving, maar hij blijkt over een fenomenale kennis te beschikken van relevante studies op literair, filosofisch en sociaal-wetenschappelijk gebied, niet alleen uit het Nederlands taalgebied, maar ook van ver daarbuiten. Soms is hij zo gretig in het tentoonspreiden van die kennis dat hij zich verliest in uitweidingen en voetnoten. Maar de volhouder kan echter veel leren van het vuistdikke boek, ook als hij – zoals in mijn geval – de strekking van zijn betoog maar zeer ten dele onderschrijft.

Net als Duyvendak c.s. kiest ook Van Rooy de kleiner wordende wereld als uitgangspunt van zijn boek. Maar de angst voor het vreemde en onbekende die hiervan het gevolg is, vindt hij alleszins begrijpelijk. Die angst vertaalt zich ook volgens Van Rooy in een groeiende kritiek op het multiculturalisme, op de verzorgingsstaat die allochtonen te veel in de watten zou leggen en hen daardoor in de praktijk ook marginaliseert, en op de islam, die slecht met Europese waarden valt te rijmen. De ‘multiculturalisten’ onderschatten deze gevaren en hun naïviteit maakt hen tot een gevaar voor de samenleving. Ook NRC Handelsblad moet het ontgelden, want die is ‘een beschermer van het cultuurrelativisme’.

In de jaren negentig woedde het inmiddels al klassieke debat tussen Fukuyama en Huntington. Samengevat aan de hand van de titels van hun boeken: ‘Het einde van de geschiedenis’, met het democratisch kapitalisme als overwinnaar, versus ‘De botsing der beschavingen’. Van Rooy toont zich overduidelijk een volgeling van Huntington. De essentie van elk van de grote wereldculturen is volgens hem zo verschillend dat zij zich niet laten vermengen, maar elkaar blijvend uitsluiten. Van Rooy lijkt hier overigens culturen en cultuurdragers op één lijn te stellen: culturen zijn zeker niet onveranderlijk, maar zij zijn wel constanter dan individuele dragers van die culturen. Zou dat laatste niet zo zijn, dan zouden migranten nooit in een nieuwe samenleving kunnen integreren en dat is in strijd met de empirie.

Bij nader inzien blijkt Van Rooy zijn standpunt te ‘nuanceren’: sommige culturen blijken toch gemakkelijker met elkaar te combineren dan andere. Zijn ervaring als directeur van de Vrije Israëlitische School te Antwerpen heeft hem hierin wellicht gesterkt. De islam laat zich volgens hem echter niet combineren met westerse waarden, en wel vooral – maar zeker niet uitsluitend – omdat zij geen Verlichting heeft gekend. Naarmate het boek vordert, lijkt Van Rooy radicaler te worden in zijn standpunten. Spreekt hij aanvankelijk prijzend over Paul Scheffer, die ‘de kunst verstaat te laveren tussen de struisvogels van links en de conservatieven van rechts’, tegen het eind van het boek helt hij steeds meer over naar het ‘Verlichtingsfundamentalisme’ en zet hij zich steeds radicaler af tegen de islam. Niet verwonderlijk is dan ook dat het boek eindigt met een ode aan Ayaan Hirsi Ali. Deze ‘grote dame’, inmiddels verguisd door ‘de elite van het Westen’, ‘bezit een grandezza en een tristesse die ons stil en bescheiden maken’.

Tussen de twee betrekkelijk extreme perspectieven van Duyvendak c.s. en Van Rooy is meer dan voldoende ruimte voor een redelijk geluid, gebaseerd op een degelijke analyse van wat er nu werkelijk aan de hand is in het multiculturele Nederland en zijn wijde omgeving. Die analyse biedt Sjoerd de Jong in zijn boek Een wereld van verschil. De Jong, redacteur van deze krant, stelt – naar mijn oordeel terecht – dat het debat over ‘etnische minderheden’ en integratie in Nederland lang gedomineerd is geweest door een vergaande vorm van cultuurrelativisme. De nieuwkomers werd het recht gegund op behoud van hun eigenheid, maar daardoor belandden zij in een sterker sociaal isolement dan wellicht nodig was geweest. Het cultuurrelativisme dat met name ten grondslag lag aan het minderhedenbeleid van de jaren tachtig, ging zo zeer uit van de gelijkwaardigheid van culturen dat steeds meer autochtone Nederlanders het gevoel bekroop dat ook de Nederlandse cultuur werd ‘weggerelativeerd’. Paradoxaal genoeg, stelt De Jong, is cultuurrelativisme volgens de critici ervan zowel een bedreiging van de status quo (omdat het die wegrelativeert) als een bevestiging (omdat iedereen geacht wordt zich naar de normen van zijn eigen cultuur te gedragen).

Pim Fortuyn wist de onder een deel van de autochtone bevolking ontstane onvrede te kanaliseren door een opmerkelijke mengeling te brouwen van conservatief cultuurnationalisme en recent verworven vrijheden, bijvoorbeeld op het punt van gender en seksualiteit. Ook hier was het weer de islam die als zondebok fungeerde. Zo belandde Nederland in de voorhoede van een nieuw, maar in de optiek van De Jong tegelijkertijd ‘achterhaald’ culturalisme, dat mensen in feite reduceert tot dragers van een gefixeerde en onveranderlijke cultuur. Natuurlijk bergt deze benadering evenzeer als het cultuurrelativisme het gevaar in zich van uitsluiting van nieuwkomers.

Hoe te laveren tussen de Scylla van het culturalisme en de Charybdis van het cultuurrelativisme? Aan de zoektocht naar het antwoord op deze vraag is het grootste deel van De Jongs zeer lezenswaardige en goed gedocumenteerde studie gewijd. Hij staat uitvoerig stil bij het gedachtegoed van de vroeg 20ste-eeuwse antropoloog Franz Boas, die de cruciale stap maakt van ‘ras’ naar ‘cultuur’ als het belangrijkste zingevend kader voor menselijk handelen en denken. Zoals de laat-19de-eeuwse sociaal-darwinisten uitgingen van een hiërarchie van rassen, zag Boas wel degelijk een zekere hiërarchie van culturen. Sommige van zijn meest bekende volgelingen, zoals de invloedrijke antropologen Ruth Benedict en Margaret Mead, hielden er evenwel veel cultuurrelativistischer opvattingen op na dan hun leermeester. Achteraf bezien, zo stelt De Jong, is dat relativisme in veel situaties te ver doorgevoerd: een extreem cultuurrelativisme leidt tot morele impotentie. Niemand weet meer precies wat goed en kwaad is en dat kan uiteindelijk voeren tot aberraties à la de nazi Eichmann, een casus die De Jong uitvoerig analyseert.

Het ideaal van De Jong – en ik volg hem daarin graag – ligt ergens tussen de beide genoemde extreme ‘- ismen’. Met instemming citeert hij filosofen als David Wong en Michele Moody-Adams. De laatste stelt dat elke cultuur in principe waardevol is en recht heeft op non-interventie, tenzij de in die cultuur dominante praktijken concrete schadelijke of gewelddadige effecten hebben (vrouwenbesnijdenis, weduwenverbranding).

We komen hiermee dicht bij de mensenrechten als leidend universeel beginsel, zij het dat ook De Jong erkent dat de interpretatie hiervan niet overal dezelfde is. Het beste beleidsadvies dat men aan dit uitgangspunt kan ontlenen luidt: strikte wetshandhaving (bijvoorbeeld ook ten aanzien van eerwraak of discriminatiebestrijding) en verder verschillen niet verabsoluteren en op de spits drijven. Enig pragmatisme in de omgang met culturele uitingen van medeburgers kan zelfs een pre zijn, mits deze uitingen geen inbreuk maken op andermans vrijheid. En dat klinkt toch heel anders dan het gesloten, radicaal en nationalistisch cultuurbeeld dat sinds de laatste eeuwwisseling zo dominant is geworden in Nederland.

Het lijkt mij dat het boek van De Jong ons een beter begaanbare weg wijst om in het reine te komen met de dilemma’s van multicultureel samenleven dan de beide andere werken. In een steeds kleiner wordende wereld is geen plaats meer voor 19de-eeuws nationalisme, maar evenmin voor een onvoorwaardelijk opengooien van alle grenzen: mondialisering brengt ons niet louter zegeningen. Culturele pluriformiteit is niet meer weg te denken. De rechtsstaat stelt heldere grenzen aan onze omgang hiermee, en ik zie geen redenen om daaraan te tornen.