In de schaduw van de olifanten

Carlos Kleiber (1930-2004) was eerst en vooral een geniale klankschilder: zijn enorme muzikaliteit ligt open en bloot aan de oppervlakte. Zijn geluid is warm, vloeiend, helder, gewichtloos en ongrijpbaar. Hij was, naast al zijn andere kwaliteiten, een hedonist die genoot van de klank om de klank. Dat was nog tamelijk ondenkbaar bij de ernstige mannen van de dirigentengeneratie voor hem, waartoe ook zijn beroemde vader, Erich Kleiber, behoorde. Voor iemand als Wilhelm Furtwängler was de klank bijna het toevallige resultaat van zijn diepe inzicht in de muziek.

Het aantal opera’s dat Kleiber dirigeerde en stukken die hij op zijn concertrepertoire had, was uitzonderlijk klein. Hij zocht vaak naar een excuus om niet te hoeven dirigeren, steeds vaker naarmate zijn legende groeide en daarmee de angst toenam dat hij zijn reputatie niet zou kunnen waarmaken. Hij moest soms letterlijk het podium op worden geduwd. Zijn rechterhand kon van angst zo trillen, dat hij met links moest dirigeren. Wellicht was één van de redenen dat hij extreem hoge gages eiste de hoop dat het concert dan alsnog zou afketsen.

Kleibers welverdiende reputatie als ‘Der Schwierige’ is wel gezien als het gevolg van zijn heroïsche strijd tegen de compromissen van het alledaagse muziekleven en de platenindustrie. Maar er was meer aan de hand. Kleiber worstelde zijn hele leven lang met de schaduw van zijn strenge, autoritaire vader, die aanvankelijk niet wilde dat hij in diens voetsporen trad. Tegelijkertijd zocht hij de confrontatie met Erich Kleiber keer op keer op – door dezelfde stukken te dirigeren.

Zijn kleine repertoire bestond voor een fors deel uit werken waarmee Kleiber senior al furore had gemaakt: Bergs Wozzeck,, Strauss’ Der Rosenkavalier, Webers Der Freischütz en Wagners Tristan und Isolde. De zoon gebruikte daarbij altijd de partituren die hij had geërfd met de aantekeningen van zijn vader. Tegelijk schrok diens voorbeeld hem ook af. Zijn paradestuk Der Rosenkavalier heeft hij nooit in de studio willen vastleggen, omdat hij de legendarische Weense opname van zijn vader uit 1954 toch niet zou kunnen overtreffen.

In hun onverbiddelijke perfectionisme ontlopen vader en zoon elkaar niet veel. Maar Kleiber senior was op en top een vakman in de muziek, de ultieme professional. De zoon heeft dat nooit kunnen opbrengen. Een lange reeks afgezegde concerten, nooit voltooide opnamesessies en op niets uitgelopen samenwerkingen met solisten getuigt daarvan. Alfred Brendel zei over zijn moeizame samenwerking met Kleiber in Beethovens Vierde pianoconcert: „Ik vroeg me wel af of ik mijn leven wilde besteden aan het begeleiden van dirigenten.”

Bij Kleiber zien we in het extreme een kwestie die speelt bij een hele generatie dirigenten: wat komt er na de groten? Kleiber heeft ontzaglijk geleden onder het besef een laatkomer te zijn – en niet alleen wegens de onverwerkte conflicten met zijn vader. Ook de legendarische opnamen van andere ‘olifanten’ zoals Klemperer en Furtwängler kende hij door en door. „Kleiber vond alles slecht wat hij gemaakt had, ook Tristan”, vertelde een geluidstechnicus aan de Kleiberbiograaf Alexander Werner. „Bij het beluisteren van de opname huilde hij als een kleine jongen. Voortdurend haalde hij ‘vader’ en ‘Furty’ (Furtwängler) aan en sprak over hoe die twee het hadden gedaan.”

Een alleskunner met een enorm repertoire als Karajan had Kleibers onverdeelde bewondering. Maar Karajan had het gemakkelijker, omdat hij zijn musiceren geheel had verweven met de techniek. Bij elke nieuwe technische revolutie (stereo, cd, video) nam hij zijn repertoire opnieuw op. In de technologie zit tenminste vooruitgang. In de muziek, en de kunst van het dirigeren, is dat hoogst twijfelachtig.

Bekijk en beluister Kleiber op nrc.nl/dirigentenparadijs

Dit is de laatste aflevering van een serie over de fascinatie voor dirigenten. Meer over dirigenten: nrc.nl/dirigentenparadijs