Ik ga op reis om onszelf te redden

Marcel Pinas (37) is kunstenaar en komt op voor de belangen van de Marrons.

Dit weekeinde is zijn werk te zien op de open dag van de Rijksakademie in Amsterdam.

In zijn atelier in de Rijksakademie in Amsterdam liggen 150 mensenschedels op de grond. Er staat een zak met wekkers naast. Ze zijn voor het kunstwerk dat Marcel Pinas (37) maakt over het met kwik vervuilde water in Suriname. Goudzoekers gebruiken kwik om gouddeeltjes te scheiden van modder en zand. De bewoners van het Surinaamse binnenland zijn sterk afhankelijk van het rivierwater. Pinas, die zelf uit het binnenland van Suriname komt, wil met zijn kunstwerk aandacht vragen voor het probleem. Dit weekeinde zal het te zien zijn tijdens de jaarlijkse open dag van de Rijksakademie.

Het opkomen voor de belangen van de binnenlandbewoners, de Marrons of bosnegers genoemd, is het thema van zijn werk. Pinas probeert de overheid te stimuleren om in het binnenland te investeren. Dat is nodig, zegt hij, want de cultuur van de Marrons is uniek en moet gekoesterd worden. Zij vluchtten in de achttiende eeuw, in de slavernijtijd, van de plantages en zetten in het Surinaamse binnenland gemeenschappen op. Die bevatten deels Afrikaanse cultuurelementen. In Suriname maken zij met een aantal van 72.000 circa 14 procent deel uit van de bevolking. Ruim 52.000 Marrons wonen nog in het binnenland. Andere cijfers over Marrons zijn schrikbarender, namelijk dat in de Surinaamse gevangenissen meer dan de helft van Marronafkomst is.

Waarom bent u niet crimineel geworden?

„Mijn vader en moeder hadden het goed. Mijn vader werkte voor houtbedrijf Bruynzeel. Ik kon daarom op m’n dertiende naar Paramaribo om verder te leren. Ik ging naar het middelbaar onderwijs, de Mulo. Veel dorpsgenoten waren minder welgesteld. Een vervolgopleiding zat er voor hen niet in. En toen brak in 1986 ook nog de Binnenlandse Oorlog uit.”

Welke gevolgen had de Binnenlandse Oorlog voor u?

„Ik zat in de stad maar dorpen werden platgebrand, de infrastructuur, scholen en bedrijven vernield. Velen vluchtten, onder meer naar Frans Guyana. Na de oorlog zijn zij aan hun lot overgelaten. Er werd niet meer over de oorlog gepraat en dorpen werden niet hersteld. De bedrijven die er gevestigd waren, zoals Bruynzeel en een oliepalmbedrijf, keerden niet terug. Veel leeftijdsgenoten met wie ik ben opgegroeid, zijn beroerd terechtgekomen. Een klasgenoot die betere cijfers haalde dan ik, verkoopt nu ijsjes. Lagere scholen zijn er wel, maar van een lager niveau dan voor de oorlog. Jongeren zoeken hun heil in de stad.”

En dat is niet gemakkelijk.

„Het beeld dat de Surinamer heeft van de Marron is niet positief. Ze worden als dom gezien en crimineel. Ik heb daar ook wel eens mee te maken gehad. Aan kleding en houding kun je wel zien of iemand Marron is. Ik reed in Suriname in mijn auto en moest opeens uitwijken. De bestuurder van de auto achter me belde toen de politie om te zeggen dat ik hem bedreigd had en wapens in mijn auto had liggen. Voor het stoplicht werd ik plotseling omsingeld door tien agenten, kreeg ik een geweer op me gericht en moest ik op de grond gaan liggen. Mijn broer van de militaire politie heeft ingegrepen. De Marrongemeenschap eiste excuses van de regering, dat mij, als bekende Marronkunstenaar, dit was aangedaan.”

Hoe probeert u met uw kunst aandacht te vragen voor het binnenland?

„De Marroncultuur is mijn inspiratie. Ik behoor tot de Ndyukastam en gebruik elementen uit deze cultuur in mijn werk. Denk aan stukjes stof van de traditionele kledij, de panji, en houtsnijwerk. Daarmee wil ik de buitenwereld meegeven dat Marrons niet dom zijn. Kunst is voor mij een weerspiegeling van wat er in de gemeenschap gebeurt. Ik probeer dingen die plaatsvinden in de samenleving te visualiseren. Door mijn werk in het buitenland te laten zien, krijgen de Marrons het besef: hee, er is interesse voor onze cultuur, we mogen er trots op zijn. Hun vertrouwen is geschaad omdat altijd is gezegd: wat jullie doen is niet goed. Maar wat gebeurt er met een boom die geen wortels heeft? Die valt om. Je roots zijn heel belangrijk. Hoe kun je leven als je niet weet wie je bent?”

Exposeert u vaker in het buitenland?

„Ja, best regelmatig. Ik heb geëxposeerd in Frans Guyana, Brazilië, Trinidad, de VS, Nederland, Zwitserland en Duitsland. De afgelopen twee jaar was ik in Nederland. In 2006 heb ik een aanvraag ingediend om op de Rijksakademie te mogen werken. Uit zo’n 1.400 mensen werden er 25 uitgekozen, ik ook. Op 17 december ga ik terug naar Suriname. Ik wilde hier mensen vertellen over Suriname en contacten opdoen. Ik ben van plan om van het district Marowijne in Suriname een kunstdistrict te maken. Dat plan heeft hier meer vorm gekregen.”

Hoe bent u vanuit het Surinaamse oerwoud in deze landen terechtgekomen?

„De eerste reis was naar Trinidad. Ik kocht een vliegticket en ben er weken gebleven. Ik ging terug zonder een schilderij te hebben verkocht. Daarna ging ik nog een keer. Ook toen raakte ik mijn werk niet kwijt. Ik ontmoette wel een journalist die werkte voor een Caraïbisch tijdschrift. Naar aanleiding van zijn artikel zijn dingen gaan rollen. Zo kreeg ik per e-mail een uitnodiging om in Brooklyn te exposeren. Inmiddels geeft president Ronald Venetiaan mijn werken als geschenk aan andere staatshoofden.”

U wilt de wereld veroveren om uw volk te redden?

„Ja. In het buitenland zijn mensen juist erg geïnteresseerd in ons volk dat in een vrij ontoegankelijk gebied woont en mede daarom nog leeft zoals tweehonderd jaar geleden. Als het kunstdistrict van de grond komt, nodig ik kunstenaars uit de hele wereld uit om te komen exposeren. Voor de lokale bevolking zal dat werk opleveren.”

Leidt ecotoerisme dan niet tot ondergang van de authentieke Marroncultuur?

„Nee dat denk ik niet. We zullen wel regels moeten opstellen. Maar om het gesloten binnenland van Suriname te behouden, moeten we het openstellen. Onze regering doet er weinig moeite voor dus moeten we de rest van de wereld laten weten dat we bestaan. In 2009 ga ik weer op reis, onder meer naar Frankrijk en Indonesië.”

Maakt dat reizen u niet onrustig?

„Nee, want als ik weer in het binnenland ben, krijg ik meteen inspiratie en energie. Gewoon, door er rond te lopen en te praten met mensen. Ik ga daarom altijd om de drie maanden terug naar Suriname. Langer dan drie maanden houd ik het elders niet vol. Dan krijg ik burn-outverschijnselen. Er komt niets meer uit mijn hoofd. In Suriname leven we buiten, in Amsterdam voel ik me opgesloten. Iedereen is druk. Daar raak ik gestrest van. Ik loop rustig en wil niet rennen om een bus te halen. Laatst liep ik met een vriendin op straat. De tram kwam eraan en zij begon opeens te rennen. Ik riep haar na: ‘Ik neem de volgende wel, ik zie je straks.’ ”

Bent u nu de meest moderne Marron van Suriname?

„Ha ha, dat zou ik niet durven zeggen.”

Maar wel een Marron met een missie?

„Ja. Ik ben een geduldig mens en heb hoop dat de situatie van Marrons langzaamaan verandert. Ik verzet me tegen het negatieve beeld dat er van ons bestaat. Ik wil het tegenovergestelde bewijzen.”

Kijk naar Pinas' kunst op www.marcelpinas.nl