'Ik ben bang ontmaskerd te worden'

Olivier Rolin, wiens laatste roman voor de grote Franse prijzen werd genomineerd, was graag geheim agent of wapenhandelaar geweest. ‘Ik cirkel om mezelf heen.’

Hijgend komt Olivier Rolin de trap oplopen, excuseert zich dat hij te laat is. De lift in het oude, verzakte pand, vlakbij het Théâtre de l’Odéon in Parijs, is defect. Afbrokkelende muren, gaten in de vloer, ontbrekende tegels, duistere gangen. Een sfeer van vergane glorie. Rolin doet zijn voordeur open. De ruimte is aardedonker, ik zie geen hand voor ogen. „Let niet op de rotzooi”, zegt hij, „mijn werkster komt niet meer”. Hij loopt naar de woonkamer, met een bureau, oude boekenkasten, een krakende stoel en verschoten sofa.

,,Een sigaret? Ik ben net gestopt, maar goed. U heeft zeker dat vreselijke stuk over Un chasseur de lions in Libération gezien, vanmorgen? Afschuwelijk. Het is een persoonlijke afrekening. ‘Une histoire de femme.’ Die criticus is verlaten door een vrouw. Voor mij. Bij mij is ze trouwens ook al weer weg. Ik wist helemaal niet dat ze met die man was. Bestond het duel nog, dan zou ik hem uitdagen.”

Ik bezoek Rolin naar aanleiding van een nieuwe Nederlandse vertaling, Suite in het Crystal, en zijn nieuwe Franse roman, Un chasseur de lions, die voor onder meer de Prix Goncourt werd genomineerd, maar die uiteindelijk niet werd bekroond.

Suite in het Crystal is een ondefinieerbare, krankzinnige roman van 43 hoofdstukken die elk beginnen met een gedetailleerde beschrijving van een hotelkamer. Een echte plot is er niet, de verteller en de ‘personages’ houden zich met duistere zaken bezig die op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn. De teksten waaruit het boek bestaat zouden ontdekt zijn in een ergens gevonden tas. Ze zijn neergepend op briefpapier van vele hotels en op uitgescheurde romanpagina’s en zouden zijn samengevoegd door een kennis van de inmiddels verdwenen auteur.

De vertaalde roman heeft als motto een uitspraak van Paul Valéry: ‘Als de mens behalve zijn eigen leven niet een aantal andere levens kon leiden, dan zou hij dat van hemzelf niet kunnen leiden’. Het is typerend voor de schrijver. Rolin: „Ja, daartoe dient de literatuur, het is prachtig gezegd. Valéry’s werk zit vol intelligente opmerkingen over taal en literatuur, hij zet me steeds aan het denken. Dit boek is eigenlijk een grap, een bij elkaar gefantaseerde autobiografie: ik stel me levens voor die ik had willen leiden, dat van geheim agent of wapenhandelaar”.

Waarom steeds die gedetailleerde beschrijvingen van de hotelkamers?

„Jaren geleden ben ik begonnen de interieurs van de hotelkamers waar ik logeerde te beschrijven. Dat kwam voort uit mijn angst dat ik mijn geheugen zou verliezen en daar ben ik steeds banger voor geworden. Als ik me dan niets meer zou herinneren, zou ik tenminste nog weten waar ik heb geslapen. Toen een collega, een uitgever van een prestigieuze essayreeks, me vroeg een boek voor zijn serie te maken, heb ik die aantekeningen als basis gebruikt. Ik had al de gegevens, de matter of fact-kant van de nouveau roman. En daarna heb ik dat idiote, nauwelijks plausibele verhaal verzonnen. Ik heb er ontzettend van genoten.”

Perec moet tijdens het schrijven over uw schouder hebben meegekeken.

,,Zijn La vie mode d’emploi is een van de tien 20ste-eeuwse Franse boeken die meetellen. Perec combineert een grote abstracte intelligentie en een passie voor wiskunde met fantasie en een onwaarschijnlijk gevoel voor spel. Ik had hem graag willen ontmoeten. Ooit legde hij uit wat hij in literatuur zocht en kwam met een beeld van een jongen die ligt te lezen, enerzijds gefascineerd door de feiten, anderzijds meegesleept door de verbeelding.’’

Uw boek heeft een hoog ‘Kuifje’-gehalte. Vrouwen worden gered, of ze kosten geld.

„Natuurlijk, geheime bases, atoomonderzeeërs, wapenhandelaren en spionnen bevolken mijn universum. Jules Verne heb ik verslonden. In die zin ben ik nog steeds een kleine jongen op zoek naar avontuur. Mijn personages heb ik bizarre, karikaturale, Russische namen gegeven, soms afgeleid van vliegtuigen: Antonomarenko, Pasjmina Pachelbel, Grisja Iljoesjinsk.

„Het fascineerde me altijd dat er zoveel energie werd vergooid om het kwaad te laten zegevieren, wat uiteindelijk net niet lukte. En ja, de truc met de gevonden tas verwijst naar de grote 19de-eeuwse romans, naar de klassieke jacht op de schat. Er zijn natuurlijk ook veel verwijzingen naar de actualiteit. En ach, het boek is toch ook een ode aan de vrouw.’’

Noten zijn er een wezenlijk onderdeel van.

,,Ik wilde een beetje spotten met al die wetenschappers die eindeloos noten produceren bij de analyse van literair werk. Neem de Pléiade-uitgave van Michaux: vijf bladzijden tekst, 30 bladzijden noten. Wetenschappers hebben soms idiote hypotheses, daar wilde ik de draak mee steken. Tegelijkertijd wil ik best toegeven dat er soms wel wat in zit. Ik heb bijvoorbeeld een noot geschreven in naam van ene Elisabeth Snicque, die beweert dat de gevonden documenten getuigen van de geboorte van een roman. Dat is helemaal niet zo gek gevonden, want de fasen die ze beschrijft kloppen: documentatie, aantekeningen, vermomde autobiografische gegevens, roman. De noten aan het einde van ieder hoofdstuk, die vermelden waarop iedere tekst is geschreven, vormen samen mijn bibliotheek van literaire vrienden, van Antoine Volodine tot Melville en Whitman.’’

(Overigens hebben die vrienden aan dit boek daadwerkelijk een vervolg gegeven, met Rooms, waarin zij allemaal een hotelkamer beschrijven, MD.)

De enige kamer die de verteller niet kan beschrijven is de suite van Hôtel Crystal. Daarin schuilt het mysterie.

,,Als je een boek schrijft, cirkel je altijd rond een geheim dat met jezelf te maken heeft, iets dat je wilt begrijpen, dat je wilt vermommen en onthullen tegelijkertijd. Het is net als met het beeld van de stèle uit mijn roman Méroé: het bevat niet ontcijferbare hiërogliefen die de motor vormen van mijn schrijverschap”. Al sprekend maakt Rolin cirkelvormige gebaren. ,,De cirkel, de spiraal is mijn figuur. Al die plekken uit mijn werk, van over de hele wereld, worden er samen één. Al die beelden van vrouwen vloeien samen in één. Cirkels die zich centreren, daar houd ik van”.

Wat bevindt zich in het midden van die cirkel, in het oog van de cycloon? Rust?

,,Nee, ik geloof niet in rust. Die zal ik nooit vinden. Dat heeft te maken met mijn teleurstelling over het leven in Frankrijk, in Europa, met mijn eigen politieke geschiedenis. (Rolin was in de jaren zestig geëngageerd met een maoïstische, gewelddadige groep en heeft zich daarna jaren schuil moeten houden, MD).

,, Mijn passie voor Siberië zegt iets over mijn verhouding tot de wereld. Mijn werk draait om mijn onvrede Frans te zijn, Parijzenaar te zijn, alleen maar over mijn eigen taal te beschikken. Het is een paradox in de zin van Michaux, die zei dat je je zou moeten schamen dat je maar over één beschaving beschikt.

,,Midden in mijn cirkel bevindt zich angst. Ik leef voortdurend in de angst in mezelf iets afschuwelijks te ontdekken, iets onzegbaars: een bedrieger te zijn. Misschien heb ik wel nooit echt van mijn vrouwen gehouden. Het is allemaal erg ingewikkeld. Die angst maakt mij soms hol, leeg. Ik ben altijd bang ontmaskerd te worden. Dat maakt van mij een schrijver.”

In zijn recentste roman, Un chasseur de lions, zien we een andere, barokke kant van Rolin. Het is het hilarische relaas van een 19de-eeuwse avonturier, Eugène Pertuiset, die wapenhandelaar, magnetiseur, uitvinder, ontdekkingsreiziger en leeuwenjager was, maar ook een goede vriend van de schilder Manet, die hem ook portretteerde. In Parijs passeren de schrijver en dichter Mallarmé en schilderes Berthe Morisot de revue, en we volgen ook talrijke kleurrijke personages die rondreizen door de meest exotische landschappen.

Zo’n 25 jaar geleden kocht Rolin in Punta Arenas, Patagonië, een boek uit 1873: Petite Histoire australe, over een expeditie naar Vuurland, ondernomen door diezelfde Eugène Pertuiset. Rolin laat me de uitgave zien en ook de foto die overeenkomt met het Manets schilderij: Pertuiset in vol ornaat, in jagerskostuum. ,,Moet je je die vreemde vriendschap voorstellen. Enerzijds Pertuiset, vol van zichzelf en grof in de mond, de stem van het cliché, de stem van datgene dat je als schrijver altijd in jezelf moet bestrijden: grote woorden, stereotiepen, schone schijn. Anderzijds de stem van Manet, la voix de l’esprit, beschaafd, de stem van een echte Parijzenaar uit de tijd dat Parijs nog galant en spiritueel was”.

In de laatste alinea geeft Rolin bloot waar het hem om te doen was: ‘de leeuw waarop je jaagde, Vuurland dat je ontdekte, de schat die je zocht, het was, zoals altijd, de verloren tijd’. ,,Ja, die laatste zin zegt precies waarom ik dit boek heb geschreven. Ik zocht de verloren tijd. Dat is het paradigma van iedere roman. Je wilt laten herleven wat voorbij is, maar tegelijkertijd is er die dreiging van het verstrijken van de tijd. Hoeveel tijd is je nog gegund? Literatuur en dood hebben dus altijd met elkaar te maken.”

Olivier Rolin: Suite in het Crystal. Vertaald door Katelijne de Vuyst en Marij Elias. IJzer, 217 blz.€ 16,50. Un chasseur de lions. Le Seuil. 235 blz. € 17,50.