Hoe exotisch is de imam-opfriscursus?

Herman Obdeijn en Marlou Schrover: Komen en gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550. Bert Bakker, 413 blz. € 24,95

Het gedwongen vertrek van Ella Vogelaar was het definitieve bewijs dat het multiculturele beleid uit de mode is geraakt. Nu de PvdA met de nota ‘De vrijblijvende aanpak voorbij’ openlijk een harde lijn inzet bij de integratie van allochtonen, komt een overzichtsgeschiedenis van migratie als meer dan geroepen. Want wat heeft een harde aanpak van migranten in het verleden eigenlijk opgeleverd?

Marokkanen Marokkanen noemen, in plaats van Nederlanders, terwijl ze in Nederland zijn geboren, betekent hen als vreemd, als allochtoon beschouwen. Niet toevallig wordt het woord allochtoon alleen in Nederland gebruikt. Het is uitgevonden in de jaren 70 om het vreemdelingschap van migranten, hun kinderen en kleinkinderen te benadrukken. De term komt uit de geologie en betekent dat vreemd gesteente over autochtoon gesteente schuift om een nieuwe, blijvend herkenbare laag te vormen.

Als het boek van de hoofddocenten migratiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden, Herman Obdeijn en Marlou Schrover, iets leert, is het wel dat het systematisch apart zetten van groepen migranten in het verleden voor Nederland nooit positieve gevolgen heeft gehad. Niet voor de migranten zelf, en niet voor de samenleving als geheel.

De 3.500 Tamils vormden bijvoorbeeld zo’n groep. Zij kwamen in 1985 als vluchtelingen naar Nederland. Maar Nederlanders zaten niet op een ‘toevloed’ of ‘toestroom’ van Tamils te wachten en de berichtgeving, die consequent deze watertermen hanteerde (vergelijk Wilders’ ‘tsunami van moslims’) was uiterst negatief over hen als groep. Pas toen ze verspreid werden over opvangcentra in heel Nederland, nam de maatschappelijke onrust af.

In het algemeen waren immigranten gedurende de vier eeuwen alleen welkom zolang ze in economisch opzicht iets te bieden hadden. Wanneer dat niet het geval was, ontstonden er discussies over integratie en woonruimte. Geruststellend is misschien de conclusie uit dit overzichtswerk dat aanpassingsproblemen van bepaalde groepen migranten in het algemeen na drie generaties wel zijn opgelost. En, zeggen de auteurs, waar twee vechten, hebben twee schuld. We kunnen sommige Marokkanen van de eerste generatie wel verwijten dat ze nog steeds geen Nederlands spreken, maar toen ze hierheen werden gehaald, benadrukte onze overheid consequent dat hun verblijf tijdelijk zou zijn. Juist Nederland moedigde bovendien, meer dan de buurlanden, organisatie op religieuze grondslag aan. Dit land had namelijk in de verzuiling een werkbare modus vivendi gevonden. Pas later werd het geloof van migranten, dat eerst was versterkt en benadrukt, als een probleem gezien. Je kunt, zo suggereren de auteurs, niet verwachten dat migranten deze beleidsommekeer even snel volgen.

Het zijn allemaal voorzichtige conclusies. De verdienste van dit boek is dan ook niet het opiniërende gehalte – en, moet gezegd worden, ook niet de schrijfstijl – maar de grote hoeveelheid feitenmateriaal. Het is de eerste complete studie die over migranten van en naar Nederland is verschenen. Van Chinese pindakoekjes- en Italiaanse ijsverkopers, Hollandse dorpen in Potsdam, Ghana en Brazilië, Duitse bakkers en dienstbodes, tot de integratie van de Duitse kerstboom in Nederland, alles wordt beschreven. De lezer kan zijn eigen conclusies trekken.

Niet alleen vergelijkt dit boek de huidige immigranten met die van vroeger, het vergelijkt hen ook met de mensen die Nederland juist hebben verlaten. Conclusie: zowel de komende als de gaande man probeert onmiddellijk bij aankomst zijn religie te praktiseren in de openbare ruimte. In de periode 1550-1800 was de Republiek verreweg het rijkste en in religieus opzicht meest tolerante land van Europa. De Nederlanders die toch wegtrokken, waren de remonstranten, die de strenge interpretatie van de leer van Calvijn niet accepteerden en de mennonieten, die om religieuze redenen geen belasting wilden betalen. Anderen emigreerden om een handelskolonie te stichten. Zodra die enigszins bewoonbaar was, lieten ze een predikant uit Nederland overkomen. Tussen 1850 en 1920 emigreerden er meer dan 100.000 Nederlanders.

Na 1945 werd Nederland met een inwonertal van 10 miljoen gezien als vol. Veel Nederlanders vertrokken naar Canada en Australië. Ook toen werden Nederlandse priesters en predikanten achter de migranten aan gestuurd. In dit licht is de bemoeienis van de Marokkaanse overheid die veertig imams op opfriscursus nodigt, minder exotisch dan ze in eerste instantie lijkt.

Wie naar Canada trok, kregen een folder mee vol nuttige wenken, zoals het advies om kinderen ‘goede Nederlandse namen’ te geven. ‘Dit waarderen uw Canadese vrienden en uw nakomelingen zullen u dankbaar zijn, omdat ze met trots op hun Nederlandse afkomst kunnen wijzen.’

In de loop van de geschiedenis zijn overheden zich steeds meer met migranten gaan bemoeien. Zowel in het land van herkomst als het land van bestemming. Deze bemoeienis heeft, zo concluderen de auteurs ‘niet altijd het effect gehad dat werd beoogd.’ Wie de overheid al te zeer beschuldigt van falend integratiebeleid, overschat de invloed die zij erop heeft.