Het taalgebruik van Glenn was een documentaire op zich waard

Een film bezoeken op het IDFA, het uitzinnig populaire documentairefestival dat in Amsterdam gaande is, is een vernederende bezigheid. Eerst moet je voor een loket gaan liggen om kaartjes te bemachtigen voor een documentaire over, ik noem maar wat, een blinde Tibetaan die op een pakezel een barre tocht naar Afghanistan maakt.

Meestal sta je voor niets in de rij (dit overkwam mij vorige week woensdag), want bij het IDFA zijn documentaires over blinde Tibetanen op pakezels altijd binnen vijf minuten uitverkocht. Ook als ze om half tien ’s ochtends geprogrammeerd staan.

Als je toch een kaartje kunt bemachtigen, moet je zorgen dat je op tijd bent, want als je drie minuten na aanvang bij de filmzaal aankomt, word je weggestuurd door een kwaadaardige vrijwilliger. (Dit overkwam mij vorige week vrijdag.)

Mocht het je onverhoopt lukken om een film binnen te komen, dan kan het gebeuren dat je een half uur moet wachten voor die film goed op de projector ligt. (Dit overkwam mij gisteren.)

Dit om aan te geven hoe nederig en dankbaar ik was dat ik één IDFA-documentaire, Glenn Helder, c’est la vie, kon zien. Ik was al een tijd geïnteresseerd in Glenn Helder, een ex-voetballer die wat verkeerde keuzes heeft gemaakt in zijn leven. Hij begon veelbelovend, vergokte vervolgens al zijn geld, verloor zijn huis, nam zijn intrek in zijn BMW, stalkte zijn ex-vriendin, sloeg haar nieuwe vriend in elkaar, en belandde in de gevangenis.

De documentaire maakte van dit alles weinig melding. Ik denk dat Glenn had bedongen dat de minder fijne kanten van zijn leven niet al te kritisch behandeld zouden worden.

Er bleef dus weinig over. We zagen Glenn vooral met zijn zoontje in een bakfiets rondrijden, beachvoetballen, en drummen. Over stalking en dakloosheid werd niet gerept.

Maakte niet uit, want het taalgebruik van Glenn was een documentaire op zich waard.

Over zijn gokverslaving: ‘Het gokbeestje heeft er altijd al in gezeten.’ Over het psychologisch rapport dat na zijn arrestatie werd gemaakt, waarin stond dat hij een narcist was: ‘Heb ik een bloemenziekte?’ Over de vele onlogische keuzes die hij had gemaakt: ‘Het was niet uit de slechtheid van mijn hart, maar uit de domheid van mijn verstand.’ En, samenvattend over het algehele leven: ‘Elk huis heb z’n fucking kruis.’

Een waarheid die ik nog vaak zal aanhalen. Fijn, om niet meer op Johan Cruijff aangewezen te zijn voor voetballerswijsheden.