Gelijk had ze, en anders zou ze het krijgen

‘Uit naam van welke hondse moraal had ik die liefde moeten weigeren?’, schreef Renate Rubinstein kort voor haar (zelfverkozen) dood in haar dagboek. ‘Of er na zijn dood over moeten zwijgen alsof het een faux-pas betrof? Niemand eist dat, sus ik mij. Iedereen zal het eisen, weet ik’.

Ze refereerde aan de liefdesrelatie die ze de laatste tien jaar van zijn leven met Simon Carmiggelt had gehad, en die ze na zijn overlijden in 1987 met veel details beschreef in een boek (Mijn beter ik), dat vier jaar later postuum verscheen. Ze bleek het goed geweten te hebben. In 95% van de overdadige hoeveelheid reacties – het boek vloog in mei 1991 de winkel uit als een scandaleuze bestseller, klonk morele verontwaardiging door, dus de achteraf-eis dat ze had moeten zwijgen, al was het maar uit respect voor Carmiggelts nabestaanden.

Venijn, al dan niet eerlijke geschoktheid (bijna niemand wist van een buitenechtelijke verhouding met ‘de getrouwdste man van Nederland’) en oude schrijversnijd tekenden het merendeel van de recensies. ‘Een plat journalistiek werkstukje, stevig gedocumenteerd en, zoals vaker wanneer het zo’n waargebeurde Privé-story betreft, zelfs wel ontroerend, maar voor die ontroering schaamde ik me dan ook weer. Ik wil die twee takkenbossen gewoon niet samen in bed zien liggen: daar komt het zo’n beetje op neer’, luidde de even valse als afdoende opinie van collegaatje Mischa de Vreede.

Ik weet niet meer precies wat ik er zelf van vond. Ik vloog al lezend ergens naar toe – geen idee meer waarheen – en vlak voor we landden had ik het boek uit. Van moraliteiten kan ik geen last hebben gehad, nieuwsgierigheid stond voorop. Ik kende de hoofdfiguren. Renate was een generatiegenoot die ik als schrijfster bewonderde en als persoon nooit lang om me heen zou hebben verdragen. Carmiggelt had altijd iets van een oudere wijze goeroe gehad – met een eigenaardige harde, koude-oorlogskant die ontzettend paste bij Het Parool van de jaren vijftig. Ik was een tevreden lezer. Wat me vooral opviel was de geslotenheid van het door Rubinstein opgeroepen liefdesuniversum. Op de met naam en toenaam genoemde Annie M.G. Schmidt en Peter Vos na, kende het boek nauwelijks een buitenwereld. Zelfs Carmiggelt was bijna consequent herleid tot de kale initiaal S.

Het was verrassend om de zojuist verschenen nieuwe herdruk (de zevende) te lezen, die door Tilly Hermans voor Augustus werd bezorgd in een al weer groeiend reeksje heruitgaven van Rubinsteins werk. Bij de nieuwe kennismaking lijken de literaire verhoudingen ingrijpend gewijzigd. Het dominante, misschien wel het enige personage, blijkt ineens toch Renate Rubinstein te zijn, om wie een vage mannenfiguur cirkelt die er eigenlijk niet zo erg toe doet, behalve dat hij onafgebroken zijn geheime vriendin (‘maitresse’ was taboe) aanbidt, en dat laat merken door haar tien jaar lang dagelijks met een ansichtkaart of een brief te verrassen, en alles wat ze per ongeluk verliest per kerende post te doen vervangen: nieuwe vulpen, nieuwe armband, nieuwe zeepdoos, etcetera. Een Carmiggelt zonder eigenschappen, iemand die steeds iets dierbaars zegt, maar door z’n minnares soms genadeloos wordt afgedaan als ongein of onder de maat – de getrouwdste man van Nederland, de liefste vader en grootvader van de wereld, een gemankeerde rokkenjager, een oudere lulletje rozenwater; ik zou zo gauw geen ander woord weten.

Het is intussen al weer bijna twintig jaar geleden, en daar kan het verschil in zitten. Maar essentieel is de toevoeging van dagboekfragmenten die in de vorige drukken ontbraken, en zeker ook het aanvullende essay van Hans Goedkoop – de man die al kort na z’n mooie Heijermans-biografie aan de beschrijving van Rubinsteins leven zou beginnen. Z’n nawoord (titel: ‘Een intiem verbond tussen bedrog en zelfbedrog’) verdient, in welke vorm dan ook, zeker een plaats in die beloofde nieuwe biografie, waarvan het centrale thema het waarheidsverlangen zal moeten worden waarop Rubinstein zich altijd heeft laten voorstaan, en waarmee ze ook het zo onderkoeld mogelijk opgeschreven ‘verslag’ van haar laatste gelukkige jaren (waarin zich bovendien een agressieve vorm van ms openbaarde) heeft gerechtvaardigd.

Vooral de dagboeknotities brengen de lezer op het spoor van misschien toch veel meer bedrog en zelfbedrog dan waarop Goedkoop – die een hoffelijk man is – de vinger legt. Was Renate niet altijd ook de vrouw die onder alle omstandigheden gelijk wilde hebben, en onder alle omstandigheden de nummer 1 van Vrij Nederland, van columnistenland, van de intellectuele vrouwenstrijd, van de liefde, van het links- rechtsdebat en van alle vriendschappen wilde zijn?

Ik herinner me uit de gezellige ‘teach-in’-jaren (eind ’60) hoe Renate in een discussie over de niet al te ethische documentaires van de Italiaanse filmer Jacopetti – meer speciaal de film Africa addio, die zij wilde laten verbieden – in het nauw raakte, en duidelijk in woede haar paranimfen Jaap van Heerden en Aad Nuis van achter uit de zaal naar voren wenkte, om haar bij te staan. En van een paar jaar later is me bijgebleven hoe ze bondgenoten zocht in de Weinreb-affaire en ook mij telefonisch sommeerde me aan te sluiten bij haar kamp. En het laatste wat we in de vroege jaren tachtig wisselden waren brieven waarin ik haar opheldering vroeg over de oude aantijging, gedaan in een interview met Elsevier, dat de Volkskrant nog altijd een antisemitische krant was. Nooit een eerlijke reactie gekregen.

Ze was een bijzondere vrouw. Maar dat integere waarheidsverlangen zou nog eens bewezen moeten worden.