Gefixeerde imperfectie

De polaroidfoto houdt op te bestaan. Dat wordt betreurd, want voor velen is de polaroid ultieme nostalgie: naar het tijdperk voor de digitale perfectie.

Andy Warhol was verslaafd aan polaroids. Als hij weer eens een portret in opdracht moest maken van een beroemdheid als Mick Jagger of Debbie Harry, Sylvester Stallone, Joseph Beuys of Truman Capote, dan liet hij die naar zijn New Yorkse studio komen, zette hem of haar neer voor een witte wand en schoot in hoog tempo zo’n tweehonderd polaroids van zijn ‘slachtoffer’. Uit die wolk van foto’s die het apparaat traag zoemend op de grond spuwde, koos Warhol er één. Die zette hij over op een zijdedrukraster dat door een assistent vervolgens op linnen werd afgedrukt. Daarna voegde Warhol er met verf zijn bekende persoonlijke ‘toets’ er aan toe: een hardgroene achtergrond, felrode lippen, blauwe ogen, strogeel haar. Maar toch: het oorspronkelijke beeld, het oerbeeld van al die beroemde Warhol-portretten uit de jaren zeventig en tachtig was een polaroid. Kon het toepasselijker?

De polaroid, de eerste camera die zijn gebruiker instantbeelden verschafte, paste net zo perfect bij het optimistische, hoopvolle, onbegrensde gevoel van de jaren zestig als Warhols kunst – vond ook Warhol. „There is something about the (Polaroid) camera that makes the person look just right. They usually come out great,” verklaarde hij eens. Warhol was ook niet de enige kunstenaar die graag met polaroids werkte; ook voor David Hockney, Chuck Close, Lucas Samaras, Robert Mapplethorpe en zelf voor Luc Tuymans zijn polaroids cruciaal.

Maar dat is binnenkort dus afgelopen. In februari van dit jaar kondigde polaroid, waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in Waltham, Massachusetts, Verenigde Staten, aan dat het aan het begin van 2009 gaat stoppen met de productie van haar instantfilm. De techniek is ouderwets geworden, het procedé is door de stormachtige opkomst van de digitale camera achterhaald, waardoor er veel te weinig polaroidcamera’s en -films worden verkocht om de productie rendabel te houden.

Desondanks leidde dit bericht tot een opmerkelijke golf van teleurstelling. In kranten verschenen artikelen die sterk op necrologieën leken (of om preciezer te zijn, necrologieën van een oude gerespecteerde hippie), schilder Chuck Close werd halfwanhopig geciteerd („I don’t know what the hell I’m going to do”) en er verscheen zelfs een website (www.savepolaroid.com) die zich ten doel stelt de nalatenschap van Polaroid te beheren en een ander bedrijf te vinden dat de polaroidtechniek in productie wil nemen.

Het vreemde aan al die

adhesiebetuigingen was wel dat er iets dubbelhartigs in zat, dat geen van deze redders werkelijk wanhopig leek – alsof ze zich een beetje schaamden voor hun verknochtheid aan de polaroid. De reden daarvoor was natuurlijk simpel: al deze affecionados, meest mannen en vrouwen die werden geboren nadat de kleurenpolaroid al lang was geïntroduceerd, beseften heel goed dat de tijd van polaroid voorbij was, dat de verworvenheden die polaroid ooit bijzonder hadden gemaakt (snelheid, instantresultaat) al lang waren ingehaald. Nut heeft polaroid al jaren niet meer. Maar er was wel iets anders, iets waarvoor die twintigers en dertigers zich een tikje schaamden: nostalgie. Polaroid vertegenwoordigt tegenwoordig voor veel mensen het verlangen naar rafeligheid en imperfectie. Voor hen is de polaroidfoto het symbool van een tijd waarin de mechanische vooruitgang nog niet synoniem was met gladheid, perfectheid en geliktheid, net zoals de platenspeler, het cassettedeck of de videorecorder.

Voor deze mensen lijkt die imperfectie bovendien niet alleen een vorm van esthetiek, maar vormt ze ook het symbool voor het feit dat moderne verworvenheden als snelheid en instantbevrediging een offer kunnen vragen: een vastlopende band, een tik of een ruis in je muziek of, zoals in het geval van de polaroid, een imperfect beeld, net te blauw, net niet helemaal scherp, dat bovendien, als je het maar lang genoeg aan het daglicht blootstelt, snel vager wordt.

Zo is de polaroid, met haar curieuze combinatie van moderne instantsnelheid en romantische imperfectie een perfecte bron van hedendaagse nostalgische gevoelens.

Nu is de grap dat die imperfectie al bij het ontstaan in het apparaat zat ingebakken. De polaroidcamera werd aan het einde van de jaren veertig uitgevonden door Edwin Land, een selfmade technicus die na een jaar scheikunde op Harvard voor zichzelf was begonnen als uitvinder. Land bedacht al snel enkele lichtfilters die goedkoop en op grote schaal geproduceerd konden worden. Aanvankelijk werden die filters vooral gebruikt om zonnebrillen te maken en folies voor wetenschappelijk gebruik, maar in 1948 slaagde Land er in om de eerste instantcamera te fabriceren, die (vanzelfsprekend) alleen nog maar zwart-wit foto’s opleverde. Maar Land zocht verder en aan het einde van de jaren zestig was polaroid in staat een eerste kleurcamera te produceren.

De grote doorbraak kwam echter enkele jaren later met de zogenaamde SX-70. Deze camera was enorm invloedrijk: het was de eerste complete kant-en-klaarcamera, die in kleur fotografeerde, volledig automatisch was en nog inklapbaar ook, zodat iedereen, overal, op elk moment instantkleurenfoto’s kon maken.

Daarbij maakte polaroid

in zijn marketing handig gebruik van de bijna magische uitstraling van Lands procedé. Dat begon al met het uitklappen: eerst moest je de camera in je linkerhand pakken, vervolgens trok je met de rechter het mechaniek omhoog tot ie gebruiksklaar was. Wilde je een foto nemen, dan laadde je eerst een pak met tien ‘negatieven’ aan de voorkant – in zo’n pak zat ook een kleine batterij verstopt die ervoor zorgde dat je de camera nooit hoefde op te laden. Verder was het gebruik kinderlijk simpel: scherp stellen ging door het draaien aan een wieltje, wilde je flitsen, dan plaatste je een groot transparant blok op de camera waarin tien lampjes zaten die zichzelf, bij het afdrukken, als enorme suïcidale vuurvliegen leken op te vreten. Alles bij elkaar waren het veel handelingen, maar de bevrediging ervan was groot: een foto die vrijwel onmiddellijk zacht zoemend naar buiten schoof – een gebeurtenis dat aan het begin van de jaren zeventig ongetwijfeld werd geassocieerd met zowel de lopende band als met de hippe automatiek, waar je voedsel uit kon trekken door een luikje te openen. En dan moest het bijzonderste deel van het proces nog komen: bijna iedereen die wel eens een polaroid heeft gemaakt herinnert zich het gezamenlijke knusse, familiare turen naar dat kale grijsblauwe oppervlak, waarop het beeld zich voor je ogen langzaam materialiseerde (een proces dat overigens opvallend veel lijkt op de manier waarop moderne thuis-zwangerschapstesten werken). Wat zou erop staan? Hoe keek de gefotografeerde? Hoe ver ging het beeld zich ontwikkelen? En uiteindelijk was er altijd die ambivalentie: aan de ene kant de blijdschap en de verbazing over dat wonderlijke, toverachtige procedé dat zich voor je ogen had afgespeeld, aan de andere kant altijd die lichte, zelden uitgesproken teleurstelling dat het beeld nooit zo mooi werd, zo scherp, als je had gehoopt. Dat was dan weer een reden om er snel nog een te nemen; die nieuwe foto zou de perfectie ongetwijfeld wel benaderen.

Precies die ambivalentie zorgde ervoor dat polaroid wel populair was, maar nooit uitgroeide tot een standaard voor het grote publiek: het offer dat je voor de snelheid moest brengen was zo groot dat mensen die hun familie- of vakantiekiekjes enig cachet wilden geven liever wachtten op de trage molen van de professionele ontwikkelaar. Aan de andere kant zorgde die afwijkingen (die overigens voor een deel ontstonden doordat bij een polaroid, na het afdrukken, ter plekke een dunne laag pasta over de lichtgevoelige laag werd uitgesmeerd waarin zowel ontwikkelaar als ‘beschermplastic’ zat, die zich nooit zo ver kon worden uitontwikkelen als ‘stilstaande’ pasta) er wel voor dat polaroid een heel herkenbare signatuur ontwikkelde – een tikje vager en een tikje blauwer.

Maar die beperkingen waren

voor professionals lang niet altijd een bezwaar. Zo werd de polaroid al snel geliefd bij professionele portretfotografen: die maken nog steeds graag eerst een polaroid om de lichtval en -sterkte te meten voordat ze de ‘definitieve’ portret vastleggen.

En juist die beruchte ambivalentie heeft polaroid zo populair gemaakt bij kunstenaars. Aan de ene kant is de afdruksnelheid soms heel aantrekkelijk, bijvoorbeeld voor David Hockney die een polaroidcamera gebruikte voor sommige van zijn grote fotocollages, bijvoorbeeld die van het interieur van een Londens atelier of van een van zijn geliefde Californische zwembaden – door de snelheid van polaroid kon hij én snel werken, en in de gaten houden of het licht niet te zeer veranderde en een mooie, collageachtige sfeer creëren.

Een nog groter voordeel voor de meeste kunstenaars lijkt echter de afwijking die polaroids vertoonden, zowel van ‘normale’ foto’s als van de werkelijkheid. Daarmee bereikt het apparaat op mechanische wijze precies wat veel schilders vanaf de jaren zeventig in hun werk wilden laten zien: de mate waarin een beeld altijd een visie op of een interpretatie van de werkelijkheid is. Dat deed een polaroid al van zichzelf: hij vertekent de werkelijkheid, legt een filter over de alledaagse wereld – en dan lijkt dat filter ook nog eens tamelijk ‘objectief’ doordat het op mechanische wijze tot stand is gekomen. In die zin is iedere polaroids zelf al een soort kunstwerk. En dat was ongetwijfeld weer de reden dat Warhol (die nooit vies was van cadeautjes van de werkelijkheid) er zo van was gecharmeerd – met polaroid maakte hij kunst zonder dat hij er bij na hoefde te denken.

Dat gold alweer een stuk minder ook voor Chuck Close (die polaroids soms als uitgangspunt gebruikte voor zijn manshoge fotorealistische schilderijen) en Luc Tuymans, die de vaagheid en de imperfectie van de polaroid nog steeds gebruikt om afstand in zijn schilderijen te scheppen.

Toch, wie Tuymans’ werkt bekijkt ziet dat er voor kunstenaars nog een ander voordeel aan het gebruik van polaroids zit: tijd. Dat is eigenlijk het allermooiste aan de polaroid, een aspect ook, dat Edwin Land ongetwijfeld niet bedoeld zal hebben: als geen ander medium toont ze het verglijden van de tijd. Hang een polaroid (zo een die op een late, met drankdoordesemde avond in een restaurant is gemaakt door een fotograaf annex rozenverkoper van jou en je gezelschap) op een prikbord of zet ‘m tegen een bloemenvaas en over de jaren heen begint ie langzaam maar onmiskenbaar te vervagen. Langzaam wordt de foto zo synoniem aan de herinnering zelf, alsof ie langzaam wegtrekt en vager wordt tot alleen de grove contouren nog zichtbaar zijn. Alsof de tijd heel langzaam, maar zeker alles weer terugneemt wat ie in die magische minuten dat de foto zich ontwikkelde erin heeft gestopt.

Ik vind dat een prachtig idee: dat op een gegeven moment de beelden op alle polaroids ter wereld weer verdwenen zullen zijn, uitgevaagd en opgelost, teruggevorderd door de tijd.

In dat opzicht is het bericht dat op savepolaroid.com met veel triomfalisme is aangekondigd (“We have received confirmation that 3 of the peel-apart pack films will be re-introduced in early 2009!! We are anxiously awaiting further news, especially concerning our beloved integral film, but we think it’s a great big step in the right direction.”) eigenlijk een teleurstelling: alsof de polaroid zichzelf via een slinkse omweg aan de natuurlijke loop der dingen heeft onttrokken.