'Elanden, ja, maar wat waren Beatles?'

De eerste vijftien jaar van zijn leven woonde Seth Kantner (43) in een turfiglo in Alaska. Met alleen zijn ouders en zijn broer op de noordelijke toendra’s, dertig mijl door de wildernis van het dichtstbijzijnde gehucht vandaan. Vier jaar geleden schreef hij er zijn roman Ordinary Wolves over. Afgelopen zomer kwam zijn tweede boek Shopping for Porcupine uit, een non-fictieboek over zijn eigen leven, het veranderende klimaat, regulering van jacht en de komst van technologie bij eskimo’s.

Kantner heeft tijd voor een gesprek op de luchthaven in Anchorage, tussen de opgezette beren die volgens hem stuk voor stuk door rijke tandartsen zijn geschoten. Straks vliegt hij bijna 600 mijl naar zijn woonplaats voor de winter: Kotzebue, met zo’n 3.200 inwoners.

Ordinary Wolves gaat over Cutuk, een blanke jongen die met zijn vader, zus en broer in een iglo opgroeit en dan naar de stad trekt. Hij begrijpt niets van het sociale leven daar. „Heb je ook wólven in de wildernis gezien?”, vraagt een meisje bewonderend. In een wanhopige poging niet nog eens uit de toon te vallen, zegt hij: ‘alleen gewóne wolven.’

Het is duidelijk naar wie Cutuk is gemodelleerd. Kantner: „Ik had ook geen moeite met het villen van elanden en rondtrekken met de sledehonden. Maar ik wist niet wie de Beatles waren, wat het verschil was tussen voetbal en basketbal, hoe je ‘hoi’ zei. Ik had geen idee wat andere kinderen déden.”

Hoe kwamen uw ouders op de toendra terecht?

„Mijn vader groeide op in Ohio en ging op zijn 17de studeren aan de universiteit van Alaska. Vanaf dat moment trok hij alleen maar verder naar het noorden. Voor mijn moeder was het zwaar. Ze hield van mensen en ze werd depressief van het donker. Terwijl mijn vader met de honden op kariboes aan het jagen was, moest zij in een hut zitten met een baby en een klein kind en een stuk plastic als raam dat klapperde in de wind en een smerige tunnel om naar buiten te kruipen en overal muizen. Nu wonen mijn ouders op Hawaii. Op één of andere manier gaan mensen altijd lachen als ik dat zeg.”

‘Shopping for Porcupine’ gaat deels over uw moeizame jeugd in Alaska. Waarom laat u uw dochter daar opgroeien?

„Mijn vrouw en ik letten er op dat ze niet eenzaam is. Als we niet in onze hut aan de rivier zijn, dan wonen we in Kotzebue, waar ze naar school gaat. Daar is ze de enige in haar klas die niet eskimo is en de laatste jaren is dat moeilijk geweest. Er is veel racisme. In Kotzebue zijn er veel baantjes die ik niet kan krijgen als niet-eskimo.

„Toen de overheid in de jaren zeventig corporaties maakte van eskimogebieden, richtten ze een systeem in voor racisme: corporaties kunnen discrimineren tegen non-shareholders. En ik ben geen aandeelhouder, want ik ben niet eskimo. Maar vergeet de andere kant niet: van de gastvrijheid van eskimo’s is honderd jaar zoveel gebruik gemaakt, dat ze er ziek van werden.”

Is het nog mogelijk om te leven als eskimo?

„Alaska Airlines vliegt drie keer per dag op Kotzebue, we hebben internet. De oude manier waarop mijn vader probeerde te leven, subsistence living, leven van het land, bestaat niet meer. Nu is het rapmuziek en je geweer leegschieten op een beest en videogames en kinderen met foetaal alcoholsyndroom. Mijn dochter wil geen eskimo zijn, zoals ik vroeger. Ze heeft niet veel op met de moderne eskimo. Mijn vrouw wil weg. Maar dit is thuis, ik kan er niks aan doen. Er is geen plek zoals deze. In welke richting je ook kijkt: er zijn geen wegen, geen hekken, geen elektriciteitsmasten. Alleen maar land. Niemand vertelt je hier wat je kunt en niet kunt doen.”

Gaat uw volgende boek ook over Alaska?

„Hoogstwaarschijnlijk. In Shopping for Porcupine wilde ik uitleggen wat autobiografisch was aan Ordinary Wolves. Lezers vroegen dat. In mijn volgende roman probeer ik uit te zoeken wanneer iemand gaat reageren op de milieucrisis of achterover blijft leunen.”

Ziet u uw jeugd als een wreed experiment van uw vader?

„Ja. Zeker.” Hij aarzelt. „In sommige opzichten. Mensen zeggen: het moet geweldig zijn geweest! En ja, sommige dingen wáren geweldig. Maar in sociaal opzicht was het vreselijk. Het dichtstbijzijnde gehucht, Ambler, lag dertig mijl verderop. Daar kwamen we vier keer per winter, en dan werden we in elkaar geslagen door eskimokinderen die een pesthekel hadden aan blanke jongetjes.

„Toen Ordinary Wolves uitkwam, heb ik een soort niche voor mezelf gemaakt, maar nog steeds pas ik nergens. Als ik naar een eskimodorp ga, ben ik die rare witte gast, terwijl ik in sommige opzichten meer native ben opgegroeid dan zij. En kom ik hier, dan zie ik eruit als een normale witte man, maar kan ik alleen maar doen alsof. Ik ben nergens op mijn gemak.”

Ook nu niet?

Hij kijkt weg. „Nu wel.”

Seth Kantner: Shopping for Porcupine. A Life in Arctic Alaska. Milkweed Editions, 240 blz. €24,-