Eigenlijk is de kat een junk

Als onbestorven weduwnaar moest ik een weekje voor kat & huis (in die volgorde) zorgen. In deze hoedanigheid zijn me enkele dingen opgevallen die ik vanwege het algemeen belang aan de openbaarheid moet prijsgeven – misschien kunnen we er dan met z’n allen wat aan doen.

Wat betreft de kat moet me van het hart dat zij – wij hebben een poes – in haar gedrag steeds meer de moderne mens lijkt te imiteren. Of moet ik het omkeren en doen wij de kat na? De grootste overeenkomst is gelegen in de obsessie met voedsel.

Het favoriete tijdverdrijf van de mens is tegenwoordig koken en praten en schrijven en tv-programma’s maken (en zien) over koken. Hoe maak je pomme d’amour – appels met een suikerlaagje – voor je dochtertje op haar verjaardag; waarom is het verstandig om de tarte tatin ondersteboven te bakken (dan wordt de bodem niet nat en klef); wat is het verschil tussen Spaanse en Italiaanse olijfolie; waarom is de pompoen zo gezond (bevat veel betacaroteen). Het is maar een greep uit één dagelijke kookrubriek op internet.

Eten – we kunnen er niet genoeg van krijgen. Net als mijn kat dus.

Nu zij en ik dag en nacht tot elkaar veroordeeld waren, en er niemand als pacificator kon optreden, viel me meer dan ooit op hoezeer de drang naar voedsel haar leventje overheerst.

’s Morgens maakte ze me al vroeg wakker met een vlugge manoeuvre over het bed. Wilde ze misschien spelen of geaaid worden? Welnee, donder op met je handjes, kom uit je nest, ik wil mijn vreten en ik wil het nú.

Als ik geluk had, ging ze daarna meteen poepen. Een kat die net gegeten en gepoept heeft, is een rustige kat. Ze bestijgt snorrend haar slaapmandje, bekijkt met een halfgeloken, slaperig oog nog even de uitslover die dit leven voor haar mogelijk maakt – en gaat onder zeil.

Haar tweede en derde portie hoorde ze pas om vijf uur ’s middags en tegen middernacht te krijgen, maar dat duurde haar veel te lang. Zo’n twee uur voor elke officiële voedselverstrekking begon ze aan een offensief dat alle denkbare strategieën omvatte: van smekend kijken tot snerpend miauwen en woedende beklimming van de hoogste kasten.

Eigenlijk is de kat een junk, een voedseljunk. Ze wil steeds de onmiddellijke vervulling van haar verlangen naar een vol, warm gevoel in haar lijfje. Daarna gaat ze haar roes uitslapen tot de volgende voedselshot gescoord moet worden.

Ik besloot me aan haar aan te passen. Tegen de tijd dat ze onrustig werd, ging ik er vandoor. Daarbij werd ik helaas gehinderd door een ander verschijnsel dat me plaagt als ik als enige verantwoordelijk ben voor het huis: dwangneurose. Heb ik overal het licht uitgedaan, de ijskast goed gesloten, de kranen dichtgedraaid, de tv uitgezet, de voordeur afgesloten? Toch nog maar even kijken. En áls ik dat gedaan heb, heb ik het dan ook goed gedaan? Toch nog maar wéér even kijken. Als je met z’n tweeën bent, kun je deze verantwoordelijkheid op de ander afwentelen – heerlijk is dat.

Het kwam nu regelmatig voor dat ik zó vaak terugging om nog iets te controleren, dat ik mijn kat uit haar welverdiende dromen opschrikte.

Jengelend kwam ze me achterna: kom op met die brokjes, ik ben nu toch wakker. Haastig sloot ik de voordeur. Om even later te denken: heb ik de deur naar haar ‘bak’ wel opengelaten? Ik zou zijn teruggegaan als ik haar niet had horen schreeuwen: „Je komt er niet meer in!”