Een clubrage van Clockwork Orange-achtigen

Evelyn Lord: The Hell-Fire Clubs. Sex, Satanism and Secret Societies. Yale University Press, 247 blz. € 27,–

Bij onderzoek voor een gravende studie over de menselijke schaamhaarbehandeling door de eeuwen heen, stuitte ik vorig jaar op gegevens over een pruik. Hij was gevlochten van haar, geoogst op de schaamheuvelen der maîtresses van de Engelse Koning Karel II. Deze pruik was in het bezit van een 18de- eeuwse rijke jongensclub, passend The Whig Club geheten. Tijdens vergaderingen zette men om de beurt de pubiekpruik op, wijn werd gedronken uit penisvormige glazen, conversatie over de vormen van het vrouwelijk fysiek vormde het vaste hoofdpunt op de agenda.

Voor mijn historische schaamhaar-essay had ik aan deze gegevens genoeg, maar ik schreef ‘Whig Club’ op een papiertje. Moest ik beslist nog eens iets mee doen. Dat papiertje kan ik nu weggooien. Evelyn Lord is er met mijn onderwerp vandoor gegaan. Ze schreef de studie The Hell-Fire Clubs. De Whig Club, die ze ook uitputtend beschrijft, blijkt namelijk een groot aantal vergelijkbare broertjes en zusjes te hebben gehad.

De roep van deze Hell Fire Clubs is bijzonder negatief. Satanisme. Subversiviteit. Godslastering. Seksuele excessen. In de vroege 18de eeuw bestond er een club die zich de Mohocks noemden. Jonge, rijke en verveelde etterbakken, die zich op gewelddadige wijze door het Londense publiek elleboogden en, als hun pet er naar stond, een passant eens flink aftuigden.

Evelyn Lord begint haar boek met een uitgebreid overzicht van dit laffe Clockwork Orange-achtige clubje, dat bij nader inzien eigenlijk helemaal niet zoveel om het lijf had. Misschien eerder een ruw soort straattheater dat de boel eens flink op de kop zet, overweegt Lord. Klinkt niet onaannemelijk, maar als je leest dat opper-Mohock, Earl Rochester, met een groep vrienden de poëet John Dryden aftuigde omdat deze hem zou hebben beledigd, dan is dat toch weer minder sympathiek toneel.

De Mohocks behoren tot de vroegste Hell Fire-achtigen. Iets later ontstaat wat je rustig een clubrage kunt noemen. Een van beroemdste is ongetwijfeld de Scriblerusclub, een literair koffiehuisgezelschap met Jonathan Swift, John Gay, Alexander Pope, John Arbuthnot. Samen construeerden ze het personage Martinus Scriblerus, spreekbuis voor hun wildste polemische geschriften. Misschien afgezien van John Gay, schrijver van de Mohock-achtige Beggar’s Opera (1728) waren de Scriblerianen veel te keurig voor Hell Fire-werk. Aan de andere kant blijkt van satanisme, politieke subversiteit en seksuele excessen welbeschouwd ook bij de echte Hell-Fireleden nauwelijks sprake te zijn.

Ik beschouw dit als een grote opluchting. Evelyn Lord ging er met mijn onderwerp vandoor, maar het onderwerp bleek een dode mus. De Hell-Fire Clubs blijken op wat gezellige groepsmasturbatie na vooral een verzamelplaats voor bemiddelde hangjongeren en hangjongere ouderen, waar kan worden gezopen als een tempelier. Vanwaar dan die reputatie? Het is typisch bij geheime clubs – men gaat er over roddelen.

Uiteraard speculeerden de clubjongens zelf ook graag op dit mechanisme. Zo huurde Sir Francis Dashwood (1708- 1781), de latere Postmaster General van Groot-Brittannië, in 1751 een verlaten schiermonnikenklooster dat Medmenham Abbey heette. Een spreekwoordelijke plek, zeker gezien het feit dat hij boven de ingang het motto liet beitelen van Rabelais’ Thélèmeklooster: Fay ce que vouldras (‘Doe wat je wil’). Als dan nog iemand uit zo’n club wordt gezet, gaat het helemaal snel, zoals de fanatieke parlementariër John Wilkes (1725-1797) met zijn negatieve reclame voor de Medmenham-Broederschap bewees.

Waar brengt ons dit? The Hell-Fire Clubs. Sex, Satanism and Secret Societies van Evelyn Lord bewijst in de eerste plaats dat het in de ondertitel opgesomde sensatiemateriaal een fabeltje is. Dat is natuurlijk een beetje duf aan dit boek. De stijl van mevrouw Lord is dat eigenlijk ook. Bonte figuren als Francis Dashwood of de Earl of Rochester verdienen een kleuriger pen dan die van Lord. En toch blijft dit studieuze werk overeind, dankzij de beschreven periode. Het is bijna niet mogelijk, als je zo diep in de 18de eeuw duikt als Evelyn Lord deed, om een volstrekt oninteressant boek te schrijven. Voor je het weet, zit je met een schaamhaarpruik in handen, en dan gaat het echt los.