De vader van een oorlogsfamilie

Als verzetsstrijder was Pim Boellaard onverschrokken. Jolande Withuis beschreef zijn lange leven in een indrukwekkende biografie.

Jolande Withuis: Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard (1903-2001). Het leven van een verzetsheld. De Bezige Bij, 382 blz. € 29,90

Lang hebben we gedacht dat de geallieerde filmcamera’s die op 6 mei 1945 de bevrijding van het concentratiekamp Dachau hebben vastgelegd hoofdzakelijk op Russen, Fransen en Polen gericht waren en het contingent Nederlandse gevangenen over het hoofd hadden gezien. Totdat de Nederlandse filmhistoricus Gerard Nijssen niet lang geleden een Amerikaans journaalfragment ontdekte, waarin een Nederlandse gevangene op de dag van de bevrijding van Dachau op een uiterst beheerste, docerende toon over zijn gruwelijke kampervaringen vertelt.

De Nederlandse gevangene die voor de Amerikaanse filmcamera aan het woord komt, is een bijzondere figuur uit de geschiedenis van het verzet tegen de Duitsers, aan wie de sociologe Jolande Withuis, verbonden aan ‘Oorlogsdocumentatie’, een indrukwekkende biografie heeft gewijd: Pim Boellaard, in het laatste jaar van de oorlog vertrouwensman van de Nederlandse Dachau-gemeenschap en daarnaast lid van het International Prisoners Committee. In 2005 publiceerde Withuis Na het kamp over ex-gevangenen, waarin Boellaard al figureert (Boeken, 07.10.05).

In het filmpje (enkele weken geleden bij de presentatie van de biografie op het NIOD vertoond) spreekt Boellaard in het inmiddels bevrijde maar nog niet ontsloten concentratiekamp over de jarenlange ontberingen die de gevangenen daar hebben geleden. Over de verschrikkingen die hijzelf in het vernietigingskamp Natzweiler heeft doorstaan weidt hij nauwelijks uit, alsof hij de onwetende, net gearriveerde verslaggever de overtreffende trap van menselijke ellende wil besparen.

Het unieke filmfragment van nauwelijks vier minuten is in tal van opzichten opmerkelijk. Boellaard is een kop groter dan de tientallen medegevangenen die om hem heen staan. In zijn burgerpak (waarschijnlijk uit de kleedkamers van gevluchte Duitse officieren) is hij een imposante verschijning: een geboren leidersfiguur. Terwijl het grootste deel van de nog levende kampbevolking de uitputting nabij is vertoont Boellaard geen tekenen van verval. Na anderhalf jaar gevangenschap maakt hij een ongebroken, zelfs montere indruk. Een bepleisterde wond op zijn hoofd, veroorzaakt door een schampschot uit het geweer van een vluchtende bewaker, doet daar niets aan af. Niet het minst opmerkelijke is dat Boellaard de verslaggever in vlekkeloos Engels te woord staat – op een moment dat het Engels nog geen wereldtaal is.

Twee jaar eerder had Boellaard al eens een andere proeve van zijn talenkennis afgelegd door de Reichsführer Himmler, op bezoek in Nederland en nieuwsgierig naar de motieven van de Nederlandse illegaliteit, in het Duits zijn anti-Duitse houding te verklaren. Het was de eerste keer dat Boellaard, daarvoor uit de strafgevangenis in Scheveningen naar het landgoed Clingendael overgebracht, in persoon met de vijand werd geconfronteerd. Met de singuliere moed, waarvan hij later nog vaak blijk zou geven, zette Boellaard onbewogen uiteen dat hij niets zag in een bezetter die de NSB – ‘die in het algemeen als landverraders worden beschouwd’ – hier te paard had geholpen. En op de vraag of de Duitsers hun gevangenen soms niet goed behandelden antwoordde hij kortweg: „U schiet ze dood!”

De omschrijving verzetsheld in de titel van de biografie is ongeflatteerd, niet in de laatste plaats om het kaliber van Boellaards talrijke verzetsdaden in de zogeheten Orde Dienst (sabotage, spionage, vervalsing persoonsbewijzen, overvallen, liquidaties, hulp aan joodse onderduikers), waarvoor hij door de Duitsers ter dood werd veroordeeld. Zeker zo veel gewicht had de niet aflatende morele steun die hij zijn medegevangenen gaf in Dachau en eerder in Natzweiler in de Elzas, waarin hij achttien maanden lang in Nacht und Nebel verzwolgen was. Die periode zou de rest van zijn levensdagen blijven beheersen. Zoals ook voor de anderen gold die dat kamp hadden overleefd, was Natzweiler, zoals Withuis het noemt, de essentiële ervaring van zijn leven.

In de steengroeve van Natzweiler groeide de 41-jarige ex-verzekeringsdirecteur Boellaard boven zichzelf uit door zijn lotgenoten (Todeskandidaten die ter dood veroordeeld waren in het OD-proces in Haaren) in hun ergste beproevingen bij te staan en op de been te houden. Dat was maar een klein deel van de last die hij voor de groep op zich nam: af en toe nam hij bij zijn eigen portie ook nog eens de vernederende koelie-arbeid van anderen over.

Volgens kampgenoten die van zijn rol getuigd hebben schuilde Boellaards kracht in zijn onintimideerbare, zelfbewuste houding, die zelfs de kampbeulen niet klein konden krijgen, maar ook in zijn vermogen tot het aankweken van een sterke solidariteit onder zijn barakgenoten. Voor een man van zijn maatschappelijke achtergrond, opgevoed in een geprivilegieerd milieu, bleek hij in het kamp over verrassende, ondogmatische sociale eigenschappen te beschikken. Jolande Withuis, die gebruik heeft kunnen maken van de omvangrijke collectie, zeer gedetailleerde oorlogsdagboeken van Boellaard, tekent in ragfijne lijnen zijn metamorfose van een standsbewuste vooroorlogse semi-patriciër in een egalitaire geest, die na de oorlog voorgoed afstand zou nemen van de oude officierskaste waaruit hij was voortgekomen. ‘Tot blijvende erkentelijkheid van zijn lotgenoten slaagde Boellaard erin de verschillen in het kamp in rang en stand te nivelleren’, schrijft zij. De van huis uit anti-linkse Boellaard raakte bevriend met communisten en socialisten, die hem een ruimere visie op de wereld bezorgden. Ook in die vriendschappen wordt Boellaard subtiel getekend. De dood van een van de vrienden, H.B. Wiardi Beckman, de meest getalenteerde vertegenwoordiger van het Nederlandse socialisme, die in Dachau aan de vlektyfus bezweek, maakte blijvend diepe indruk op hem.

Boellaard, die in 2001 op 97-jarige leeftijd overleed, was natuurlijk niet alleen maar een held. Withuis heeft ook zijn zwakke momenten gevonden. Uit Boellaards dagboeken, waaruit zij met groot inlevingsvermogen citeert, heeft zij uitingen van diepe vertwijfeling opgedolven. Zijn grootste angst was steeds om laf te zijn en onder folteringen door te slaan, hetgeen aan anderen het leven zou kosten. Zijn grootste triomf, waarvan hij Withuis in een interview in de jaren negentig ingetogen deelgenoot maakte, was dat hij altijd had kunnen zwijgen.

Na de oorlog werd Boellaard een belangrijk man in de verzekeringswereld. Maar hoe hoog zijn ster ook steeg (bij de Nederlanden van 1845, de Olveh en Aegon), zijn kampvrienden zou hij ook in hun mindere jaren aandacht blijven geven. Zijn inspanningen voor aanvullende pensioenen, materiële hulp voor weduwen en studiebeurzen voor de kinderen van zijn vroegere lotgenoten typeerden zijn blijvende zorg voor de Natzweilers, voortaan ‘zijn oorlogsfamilie’.