Communiceren met de dood

Stefan Aust is de auteur van het boek over de RAF waarop de film ‘Der Baader Meinhof Komplex’ is gebaseerd. „Het terrorisme van de RAF is universeel.”

In Nederland is Der Baader Meinhof Komplex niet enthousiast ontvangen. In Duitsland is de kritiek op de film soms zelfs meedogenloos. „Polit porno”, aldus de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

Waarom fietste ik op een vroege zondag, na een voorvertoning van Der Baader Meinhof Komplex dan verdwaasd door de stad? Waarom besloot ik Die bleierne Zeit uit 1981 opnieuw te bekijken? Waarom bevredigde de consensus over het hoge pief-paf-poefgehalte van Der Baader Meinhof Komplex me toch niet?

In Die bleierne Zeit schetst Margarethe von Trotta een gruwelijk meerduidig portret van de domineesdochters Christiane en Gudrun Ensslin, die beiden links zijn maar daaruit verschillende consequenties trekken. Der Baader Meinhof Komplex is juist geen film waarin de medaille continu wordt omgekeerd. Regisseur Uli Edel heeft lak aan ambiguïteit. Hij prefereert rechtlijnigheid. Hij heeft daarvoor een reden, een historische en politieke reden.

De geschiedenis van de Rote Armee Fraktion (RAF) is de geschiedenis van omvallende dominostenen. Was geweld bij het begin een middel, dat door het politieke doel werd geheiligd, tien jaar later is geweld tot existentie verworden.

Deze omdraaiing van doel en middel voltrekt zich bijna naadloos langs de drie generaties die de RAF tussen zijn eerste parool op 14 mei 1970 en zijn laatste woorden op 20 april 1998 heeft gekend. Terugkijkend is er geen moment aan te wijzen waarop de dominostenen konden worden gestopt. Eenmaal in deze tredmolen beland, is er geen uitweg meer. Mens en geweld zijn één geworden. Na tweeënhalf uur rest louter beklemming. Een amechtigere beklemming dan na Die bleierne Zeit, maar wel beklemming. De film beschrijft zo „de weg naar het geweld”, aldus de Duitse journalist Stefan Aust. Het spoor was in zichzelf „suïcidaal”.

Is dit politieke pornografie? Die kritiek heeft hem verbaasd. Aust: „Tien tot vijftien jaar geleden was het onmogelijk zo’n film te maken. De ene partij [de staat] zou je hebben verweten dat je van terroristen mensen maakte. De andere [de stadsguerrilla] dat je van revolutionairen juist mensen maakte. We zijn kennelijk nog steeds zoekende. We zijn nog steeds niet zeker van de fundamententen van onze maatschappij.”

Aust, ex-hoofdredacteur van Der Spiegel,

weet waarover het gaat. De film is gebaseerd op zijn al 22 jaar oude meesterwerk Der Baader Meinhof Komplex dat nu voor het eerst ook in Nederlandse vertaling is verschenen. Aust heeft hieruit het basisscenario gedestilleerd. Om dramaturgische redenen heeft hij dat toegespitst op de drie hoofdpersonen langs de route naar de dood: Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Ulrike Meinhof. Omdat dit draaiboek tien uur zou duren, is het ingedikt. Gevolg is dat de ouderlijke milieus en de traumata, met name die van de vaderloze Baader, nauwelijks uit de verf komen. Anders dan Die bleierne Zeit ontbeert de film Der Baader Meinhof Komplex psychologische dubbelzinnigheid. Het boek is wat subtieler.

Dat Aust nauw bij de film is betrokken, is geen toeval. Stefan Aust (62) heeft Ulrike Meinhof ooit gekend: van het weekblad konkret, geheel naar de tijdgeest van toen zonder hoofdletter. Bij die krant over ‘seks & politiek’ onder leiding van de toenmalige man van Meinhof – met wie ze twee dochters heeft – begint Aust in 1967 zijn loopbaan. Politiek speelt voor hem geen rol. Hij is eerder „anarcholiberaal” dan nieuwlinks. Meinhof, indertijd 32 jaar oud, sart hem daarmee „tamelijk gemeen”. Als oud-bondskanselier Adenauer in april 1967 sterft, bijt ze hem „tamelijk gemeen” toe: „Jouw voorbeeld is gestorven”, herinnert Aust zich.

In 1967 is de kiem voor de latere RAF gelegd. Op 2 juni ontaardt een betoging in Berlijn tegen de staatsvisite van de sjah van Perzië in geweld. Eerst nemen Iraanse knokploegen de protesterende studenten met slaghout onder handen. Vervolgens schiet een politieman de student Benno Ohnesorg dood.

De film neemt deze dag in 1967 als uitgangspunt omdat er volgens Aust eigenlijk geen „spontaan symbolisch moment” is aan te wijzen voor de „voorafspiegeling van de Werdegang”. Tien maanden later, een week vóór de moordaanslag op de linkse studentenleider Rudi Dutschke, volgt de tweede fase. In warenhuizen in Frankfurt wordt brandgesticht. De daders zijn Baader en Ensslin. Voor de rechter verklaart Ensslin de daad als „protest tegen de onverschilligheid waarmee de mensen toekijken bij de volkerenmoord in Vietnam”.

Advocaat Horst Mahler voert de lamlendigheid van de oudersgeneratie jegens Hitler en de Tweede Wereldoorlog ter verdediging aan. Aust: „Voor de generatie ‘68 was een hele generatie ouders als voorbeeld weggevallen. Op het hoogste niveau waren er weliswaar amper nog nazi’s te vinden. Maar Duitsland was medio jaren zestig zeer conservatief. Het was een ‘verordeningsdemocratie’, geregeerd door grootvaders. En ook geen soevereine staat maar een provisorische staat. De ‘Verfassung’ heette niet voor niets ‘Grundgesetz’, in afwachting van de hereniging van Oost en West-Duitsland.”

Maar er zijn meer verklaringen. Op zijn kantoor schrijft Mahler aanvankelijk een drastischer pleidooi, een tekst waarin de „suïcidale” omkering van doel en middel reeds besloten ligt. Hij wil een literaire verdediging voeren aan de hand van de toen herontdekte roman Der Steppenwolf (1927) van Hermann Hesse. Mahler ziet Baader als een steppenwolf die het systeem aanvalt. „Doden geeft in deze strijd een zeker plezier, hoewel het uit vertwijfeling gebeurt”, had de advocaat in oktober 1968 willen pleiten. In het looiige linkse Duits van die dagen, waarin ‘Auseinandersetzung’ om de haverklap opduikt, noteert Mahler dat „het individu als mens” alleen blijft bestaan als het in staat is tot „zelfvernietiging”. „De verdachten waren al verder dan de steppenwolf van Hesse”. Juist dit nooit uitgesproken pleidooi wordt exact negen jaar later in de gevangenis van Stuttgart-Stammheim realiteit.

Ulrike Meinhof is daar in 1968 nog neit aan toe. Ze schrijft in konkret: „Het progressieve moment in een warenhuisbrandstichting ligt niet in de vernietiging van goederen, het ligt in de criminaliteit van de daad, in de schending van de wet”. Maar ze voegt wel zelf de daad bij dit woord. Op 14 mei 1970 doet Meinhof mee aan de bevrijding van brandstichter Baader uit de gevangenis – voor het eerst duikt dan de naam Rote Armee Fraktion op – en gaat ze zelf ook “ondergronds”. Vanaf dat moment gaat het rechtdoor richting zelfvernietiging.

Aust ziet het onder zijn ogen gebeuren. Samen met een radicale journalist die nog bij zinnen is, brengt hij in het najaar van 1970 Meinhofs dochters Regine en Bettina terug naar Duitsland. De meisjes, op Sicilië ondergebracht, staan op het punt te worden gedeporteerd naar een kamp voor wezen in Jordanië.

Het jaar 1970 is niet alleen

het formele geboortejaar van de RAF. Het is ook het jaar waarin het clandestiene leven van de stadsguerrillero’s alle kenmerken van sektarisme begint aan te nemen. Het is Ensslin die daarvoor een bijbel aandraagt: Moby Dick van de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Herman Melville. Diens jacht op de witte walvis vergelijkt Ensslin met haar eigen strijd tegen de monsterlijke Duitse staat, de nieuwe leviathan. Baader is voor haar kapitein Ahab, die in Moby Dick zegt dat hij „zelfs de zon zou verslaan als die me beledigt”.

De waanzin is soms „onvoorstelbaar grotesk”, zegt Aust. Na de Palestijnse overval op de Olympische Spelen van 1972 in München, schrijft Meinhof dat de Palestijnen „het bloedbad hebben teruggebracht waar dit bloedbad oorspronkelijk is bedacht”.

Aust: „Meinhof kon goed schrijven. Maar ideologisch stelde het allemaal weinig voor. De teksten waren cynisch en onhistorisch.”

Ensslin neemt deze tekst als „shit” op de korrel. Meinhof reageert op de kritiek: even grotesk. Weliswaar berust „de daad van de bevrijding in de daad van de vernietiging”. Maar daarna verwijt ze zichzelf wankelmoedigheid: „vanzelfsprekend – een weerzinwekkende gedachte – maar ‘welke laagheid beging jij niet om de laagheid te verdelgen’.” Dat laatste is een citaat uit Die Maßnahme van Bertolt Brecht.

De verwijzing illustreert het stalinisme van de RAF. Als iemand van de ‘juiste’ lijn afwijkt, is dat geen keuze uit politiek bewustzijn maar van verkeerd bewustzijn. In Die Maßnahme voorspelt Brecht dat. Dit ‘leerstuk’ uit 1930 gaat over een jonge communist die, onder druk van de groep, uiteindelijk instemt met zijn eigen doodvonnis. „Zak weg in de rotzooi, omarm de slachter, maar verander de wereld: die heeft het nodig”, schrijft Brecht, vijf jaar voor de eerste showprocessen in Moskou.

„Op deze manier doet ook Meinhof een zelfbekentenis. Puur Nacht in de middag ,” aldus Aust, verwijzend naar het boek waarin ex-communist Koestler beschrijft hoe het sovjetsysteem zelfs de eigen kameraden tot zelfkritiek, zelfbeschuldiging en ‘zelfvonnis’ kan drijven.

Deze pathologisch stalinistische kant van de stadsguerrillero’s wordt in die jaren met name door de overheid niet onderkend. De staat heeft zijn handen vol aan het ‘sympathiserende Umfeld’ van de RAF. De film maakt nauwelijks beelden vuil aan de overwegingen van regering en justitie. „De positie van de staat hebben we bewust wat buiten beschouwing gelaten. We wilden de film Todesspiel van Heinrich Breloer [een in 1997 gemaakt documentair tweeluik over het eindspel van de RAF in de herfst van 1977] niet overdoen”, zegt Aust.

Daardoor gaat bijvoorbeeld de gijzeling van kandidaat-burgemeester Peter Lorenz van Berlijn, in 1975, nogal geruisloos voorbij. En dat is jammer. Want het feit dat bondskanselier Helmut Schmidt de eisen van kidnappers honoreert en vijf gevangenen vrijlaat, is mogelijk een stimulans geweest voor verdere escalatie.

Aust: „Dát is precies de perversiteit van gijzelingen. Elke beslissing, is verkeerd. De zoon van een van de slachtoffers van een latere gijzeling zei in een gesprek met mij dat de dood van zijn vader de schuld was van Schmidt. Ik dacht toen – ik weet niet of ik het ook heb gezegd –: stel je voor dat jij de zoon van Lorenz was geweest.”

Dat de overheid zo uit het script is geschreven, wreekt zich ook bij de rollen in de rechtszaal. De drie schelden de rechter verrot. Omgekeerd beheerst justitie zich evenmin. Aust: „Thomas Thieme als president Prinzing van de rechtbank in Stammheim is me iets te opgewonden. In werkelijkheid was hij ingetogener.”

Eigenlijk wordt maar één overheidsdienaar uitgediept. Dat is Horst Herold, president van het Bundeskriminalamt, gespeeld door niemand minder dan Bruno Ganz. Herold wil het milieu rondom de RAF ondergraven, omdat het geweld daar kan schuilen. Aust: „Horst Herold zag zich als de pendant van Andreas Baader. Hij begreep de RAF goed. Herold had gelijk toen hij zei dat terrorisme een vorm van oorlog is bij gebrek aan andere oorlog. Maar Herold leed ook aan almachtsfantasieën over ‘Rasterfahndung’ [opsporingsmethode] en cameratoezicht. Die grootheidswaan kwam tot een climax toen hij tijdens de ontvoering van [werkgeversvoorzitter] Schleyer het hele politieapparaat onder zijn commando bracht. Als hij dat niet had gedaan, had de politie hem op 13 september 1977 in Erfstadt kunnen bevrijden.”

De afloop is bekend. In Mogadishu weet de elite-eenheid GSG9 ’s nachts op 18 oktober 1977 een gekaapt vliegtuig te ontzetten. In Stammheim maken Baader, Ensslin en Raspe een eind aan hun leven, zoals Meinhof bijna anderhalf jaar eerder had gedaan. En Schleyer wordt op 19 oktober in Frankrijk door zijn ontvoerders geëxecuteerd.

Een van de daders, Christian Klar, komt binnenkort op vrije voeten. Net als vele andere RAF’ers heeft hij tot nu toe geen inkeer getoond. Maar één van hen is heel openlijk extremistisch gebleven: Horst Mahler. De advocaat van Steppenwolf is een neonazi geworden die er behagen in schept om de Shoah te ontkennen. Aust: „Zijn denken is ten diepste oppositioneel. In de jaren zestig was hij links oppositioneel. Nu is rechts dat. In een gesprek dat ik ooit met hem had, benadrukte hij dat zijn standpunten hetzelfde zijn gebleven. Indertijd was hij tegen Amerika, grootkapitaal en zionisme. Toen ze in 1970 in Jordanië in trainingskamp waren, had hij wat moeite met de portretten van Hitler die er hingen. Nu is hij tegen Amerika, grootkapitaal en joden.”

Een andere ex-linkse die zich roert, is Götz Aly. De nu 61-jarige historicus was geen RAF’er maar activist voor de sympathiserende Rote Hilfe. In zijn boek Unser Kampf 1968 concludeert Aly dat de generatie van 1968 meer gemeen heeft met die van 1933 dan ze wil toegeven. Trefwoorden: geweldfascinatie, anti-burgerlijkheid, latent antisemitisme.

Aust heeft er moeite mee.

„Götz Aly is een typische bekeerling. Er zijn zeker overeenkomsten. Maar uiteindelijk is zijn redenering: een auto is een vliegtuig, omdat beide voertuigen vier wielen hebben en rijden over asfalt.”

Dat neemt niet weg dat de film wel degelijk een spiegel voorhoudt, aldus Aust. „Tussen de islamitische jihadisten van nu en de terroristen van toen zijn ook overeenkomsten. Beiden zijn sociaal revolutionair, beiden zijn suïcidaal. Terrorisme is altijd deel van een grotere oppositionele beweging. Toen de generatie ‘68, nu de herleving van de islam. Horst Herold had gelijk. De RAF was een voorhoede en ook innovatief. Zoals de RAF omging met de media. Zoals de RAF gebruikmaakte van symboolfiguren. Dat was avant-gardistisch. De acties van Al-Qaeda op 11 september waren de perfectionering van wat de RAF was begonnen.

„Terrorisme is propaganda met de dood. Terrorisme is communiceren met de dood. In die zin is de RAF universeel en van alle tijden. De vader van Gudrun Ensslin voorzag dat wellicht toen hij zijn dochter, na de eerste brandstichting, in bescherming nam. Hij sprak toen over een ‘uiterst heilige zelfverwerkelijking’. Dat is een universeel gevoel.”

Stefan Aust: Het Baader Meinhof Complex. Uitgeverij Lebowski, 576 blz. € 19,90