Belgen houden nog van engel Vandenbroucke

Een gevallen engel werd hij genoemd. Maar Frank Vandenbroucke (34) is terug in het peloton. Gelouterd door een leven met drugs, zelfmoordpogingen en leugens. „Ik ben God niet.”

Vandenbroucke signeert zijn autobiografie. Foto Eric de Mildt Frank Vandenbroucke spreekt in CRVV in Oudenaarde. De volle zaal liet hem zijn boek signeren Mildt, Eric de

De wereld draait weer om hem. Honderden wielerliefhebbers zijn naar Frank Vandenbroucke gekomen om hem te zien, te horen – als het even kan aan te raken. Hij voelt zich gestreeld, dat is duidelijk. Zoals hij daar zit op het podium van het Centrum van de Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde om in gesprek te gaan. Opgewekt. Alsof hij nooit is weggeweest. Alsof hij nooit zwaar depressief was, twee zelfmoordpogingen deed, is opgenomen in psychiatrische klinieken, verslaafd was aan amfetamines, vele malen is beschuldigd van doping, ruzies maakte, mensen zoals zijn eerste vrouw bedreigde, alsof hij nooit een gevallen engel is geweest, gewoon een engel.

De Belgen houden nog van deze 34-jarige wielrenner die vaak op weg is geweest een goddelijke status te verwerven. Ze zijn altijd van hem blijven houden. Hij stapt weer op de fiets, hij zal weer willen winnen, net zoals vroeger in Luik-Bastenaken-Luik. Maar wie gelooft deze aimabele Waal nog?

Brutaal als een puber vertelt Vandenbroucke over nieuwe grote plannen, nu hij weer een knieoperatie heeft gehad. In die knie had hij steeds minder gevoel gekregen, als gevolg van een dijbeenbreuk toen hij nog klein was. Nu is de knie weer in orde. Even brutaal vertelt hij over vroeger. „Die Ronde van Vlaanderen destijds had ik met vier minuten voorsprong gewonnen. Ik had drie keer de Ronde kunnen winnen.” In al die andere koersen die hij net niet won, was hij altijd de sterkste geweest. „Ik was de beste, omdat ik altijd de beste moest zijn”, lacht hij. En iedereen in Oudenaarde lacht mee.

Na Vandenbroucke volgt Dirk Nachtergaele, de soigneur die hem jaren geleden in zijn ploeg had en de renner sinds zijn veertiende kent. „Hij is niks veranderd. Altijd willen winnen, elke dag, elk spel, nooit rust, altijd wraak. We hebben hem naar een psycholoog gestuurd om hem in te kaderen. Maar hij leert niet. Hij wil één ding: winnen. Zijn hoofd wil meer dan het lichaam. Hij is het grootste talent dat ik heb mogen verzorgen, beter dan Tom Boonen. Maar hij is niet te sturen.”

Vandenbroucke praat door over oerkracht, over duivels in zijn hoofd, over zijn broze lichaam en zijn kwetsbare geest. „Ik had als junior alles gewonnen. De mensen zetten een kroontje op mijn hoofd en knielden voor mij. En ik zat daar op mijn wolk”, zegt hij in Waals-Vlaams. „Alle deuren gingen voor mij open. Ik kan het de mensen en de pers niet kwalijk nemen. Ik was niet opgevoed om dat te hanteren. Wie wel? Ik ben een emotioneel mens. Ik voel alles intens. En ik was ook geweldig, pas op!”

En al die streken en leugens dan? Vandenbroucke aarzelt niet: „Ik heb veel misdaan. Ik heb net zoveel doping gebruikt als andere renners. Ik heb verkeerde mensen vertrouwd, ik heb mezelf gewantrouwd. Ik stond na een wedstrijd in Italië op het vliegveld en wist niet waar ik heen moest. Naar welk huis? Ik stond daar en dacht: ik ben een geweldige coureur, maar ik heb geen thuis.” Het was in de tijd dat hij na een van zijn zelfmoordpogingen moest worden opgenomen. Waarom ik dat heb gedaan? „Ja, waarom? Dat doe je gewoon en dan ben je dood of niet. Ik ben vaak depressief geweest, net als mijn vader. Dagen kan ik niks, en dan kan ik weer alles, dan wil ik ook alles, dan versla ik iedereen.’’

Er wordt geciteerd uit zijn autobiografie Ik ben God niet, die afgelopen voorjaar verscheen. Tot in detail worden de zelfmoordpogingen beschreven, zijn pijnen, twijfels en wandaden, maar ook hoe hij trainde: altijd op kop, altijd het voorwiel voor het voorwiel van een ander. Nachtergaele: „Hij reed zichzelf op trainingen kapot. Hij bepaalde het tempo, hij was de baas. Die ander was vaak Johan Museeuw. Die was Vandenbroucke altijd de baas. Daar werd Frank hels over. Hij kon niet verdragen dat hij iets minder was.”

Vandenbroucke traint weer als bezeten, beschermd door zijn ploegleider, vriend en oud-renner Nico Mattan. Hij wil de beste fiets, de beste verzorging, de beste renners om zich heen. Wéér gelooft hij in zichzelf. „Je vindt altijd mensen die naar je luisteren”, is de vraag. „Zeker. Ik kan er niks aan doen dat ik iets heb dat mensen raakt. Ik kan nu jonge renners vertellen wat er met je gebeurt als je je geweldig voelt, wat je doet en wie je kan vertrouwen. Dat niemand je kan zeggen hoe je je moet gedragen als je geweldig bent. Niemand is God, ik ook niet.”

De kleine man straalt en kijkt de zaal in. Hij weet het zeker: de mensen laten hem nooit vallen.

    • Guus van Holland